Dinsdag 17/09/2019
Herman Liebaers.

Interview

Herman Liebaers, oud-grootmaarschalk van het koninklijk huis: ‘Filip kan het niet’

Herman Liebaers. Beeld belga

Dit interview verscheen in De Morgen op 31 augustus 1991. We publiceren het nu opnieuw ter gelegenheid van 40 jaar De Morgen.

Pas bij het buitengaan zie ik het hangen. Een klein velletje papier, slordig vastgeplakt aan een van de de vele boekenkasten. In sierlijke kaligrafische letters: ‘Qu’il quitte la cour, qui veut rester sage.’ Een uitspraak van de Franse filosoof Montaigne. ‘Let een beetje op hoe u het neerschrijft’, zegt hij. ‘Ik ben te oud geworden om nog ruzie te krijgen met het koninklijk huis.’

Enkele uren eerder wordt het gesprek voor de derde maal onderbroken. “C’est lui-même. Oui, on m’avait annoncé votre coup de téléphone.” Herman Liebaers (72) bevestigt dat zijn naam wel degelijk op de petitielijst mag. Ja, hij is ere-hoofdconservator van de nationale bibliotheek van België. En dat hij een van zijn vijf eredoctoraten kreeg van de universiteit van Bordeaux, kan misschien ook helpen.

“Dat is een goed initiatief. Men probeert de bouw van de nieuwe nationale bibliotheek van Frankrijk tegen te houden. Een onwaarschijnlijk megalomaan gebouw, afschuwelijk, hoe ze daar van plan zijn miljarden te verkwisten aan onzin. Alleen omdat Mitterand denkt dat hij er onsterfelijk door zal worden. Torens in de vorm van opengeslagen boeken. Waar halen ze het vandaan? In de hele wereld weten ze nu toch al dat boeken niet in torens bewaard moeten worden.” Hij springt op, zoekt kennelijk naar een knipsel in zijn archief maar komt onverrichter zake terug.

Hij kijkt in de richting van de bijkamer die volgestouwd is met boekenkasten. “Gedurende dertig jaar heb ik een boek per dag gekregen. Eerst als conservator van de Nationale Bibliotheek, dan als hofmaarschalk. De mensen die een boek gaven aan de koning, durfden niet anders dan er ook mij eentje te geven, natuurlijk. Het merendeel interesseerde me niet. Maar het blijft moeilijk om een gekregen boek weg te doen.”

“Het zal u verwonderen, maar ik lees zeer weinig. Ik heb geen tijd. Als ik tijd heb, schrijf ik, en ik ondervind bij het schrijven dat ik niet genoeg lees. Het enige wat ik al veertig jaar trouw lees, is het Times Literary Supplement. Van voren tot achteren, en alles, maar dan ook alles wat daarin staat, boeit mij. Alleen de fictie sla ik over.”

“Ik heb het gevecht met de boeken al lang opgegeven. Als bibliothecaris besef je misschien wel het snelst dat je toch nooit alles wat boeiend is, gelezen zult krijgen. En besef je ook dat er boeiender zaken zijn dan lezen. Maarten ’t Hart vindt elk moment dat hij niet leest, een verspild moment. Dat is egoïstisch. Men moet altijd trachten de wereld te verbeteren, individueel en politiek. En vrienden, contacten onderhouden, wijn drinken, daar moet je ook tijd in stoppen.”

Hij merkt dat ik naar het kleine, gloednieuwe design-televisietoestel zit te kijken. “Dat ding staat er pas. Er is hier onlangs ingebroken. Het heeft een paar dagen geduurd voor ik besefte dat ze ook de tv mee hadden. Ik ga nooit uit. Niet uit principe, ik kom gewoon nergens. Werken, vrienden ontvangen, een beetje lezen... en ’t is op. Ik ga slapen om middernacht en word wakker om vier uur. Meer slaap heb ik niet nodig, net zoals Bernard Shaw, maar ik kom nog tijd te kort.”

“Indertijd kon ik mensen een jaar naar Amerika sturen om hen daar de stiel te laten leren. Wij hadden de eerste computer in Europa, van alle nationale bibliotheken. Maar nu gaat het slecht. De Nationale Bibliotheek heeft geen aanzien meer in Europa. Een kwestie van middelen, en van leiding. Men heeft een man aangesteld, een goede vriend van mij, dus ik mag dat zeggen, het prototype van de geleerde bibliothecaris. Iemand die alles weet over boeken en manuscripten. Wel, ik zou zo iemand geen uur van het beheer van een bibliotheek toevertrouwen. Die moet daarin werken, maar een bibliotheek moet je laten beheren door een manager, door iemand die nooit een boek leest.” Hij springt weer op, vindt ditmaal wel wat hij zoekt. Een catalogus, Vijftien jaar aanwinsten. Hij bladert, wijst.

“Dit is het mooiste en niet eens het duurste wat ik ook gekocht heb. Horloge de Sapience, een Bourgondisch handschrift, zeer mooi.” Het blijft lang stil. Zegt dan: “Gisteren zei een vriend me nog dat ik een Bourgondische geus ben. Jammer dat ik dat niet zelf bedacht heb.”

De koning leest weinig boeken, zeg ik een beetje misplaatst. Hij is verrast. “Da’s juist, da’s juist. De koning heeft ook weinig tijd.” Een lachje. “Hij neemt ook zijn tijd. Ik heb getracht wat boeken en schrijvers voor de voeten van de vorst te gooien, en daar ben ik vrij goed in geslaagd. Ik had het ook gemakkelijk. Ik was geen politiek ambtenaar, dus hoefde ik me niets aan te trekken van de doseringen, van al die delicate Belgische evenwichten.”

Gerard Walschap is tot baron geadeld toen u hofmaarschalk was. Toeval?

“Achiel Van Acker heeft rondgestrooid dat ik de inspirator was. Dat klopt niet, al had ik er wel wat mee te maken. Het begint met Rika De Backer die voorstelt om Marnix Gijsen in de adelstand te verheffen. Gijsen zegt haar: ‘Mevrouw, dat kan niet, want Walschap is een jaar ouder.’ Dus belt De Backer mij: ‘Kijk, Marnix heeft dat gezegd, gij kent Walschap, zoudt ge hem eens niet kunnen polsen?’ Ik kende Walschap vrij goed, tijdens de oorlog kwam hij vaak naar de Nationale Bibliotheek, en ik roep hem naar het paleis, leg hem de situatie uit. Waarop hij zegt: ‘Dat is niet de eerste vuile streek die Bert mij lapt’, hij noemde Gijsen altijd Bert. ‘Ik kan dat niet aanvaarden.’ Ik heb hem gevraagd na te denken. Een week later stond hij daar terug: ‘Ik ga mijn aangezicht schenden, onder druk van mijn vrouw.’ Het is mijn ervaring dat ze uiteindelijk allemaal aanvaarden.”

“Een keer, want toen werd er niet aan de lopende band in de adelstand verheven zoals nu, heb ik een communautair evenwichtige adelstandverheffing in één gezin meegemaakt. Zij in het Frans, als schrijfster, Suzanne Lilar, en haar man, de minister Albert Lilar, in het Nederlands. Ge kent Lilar? Camille Huysmans had hem de eerste keer, in ’46, gevraagd om minister van Justitie te worden. En Lilar wou niet, voelde zich perfect gelukkig aan de ULB, waar hij maritiem recht doceerde. Maar Camille drong aan: ‘Ik heb u nodig, en daarbij, ge moogt gerust zijn, het zal niet lang duren.’ Lilar is vijftien jaar minister geweest.”

“Enfin wij hebben dat toen gevierd in hun prachtige huis aan de Antwerpse Jordaenskaai, waar nu Vic Gentils woont. Een schitterende maaltijd, we laten de vrouwen achter en hij geeft zijn butler de opdracht een fles ongelooflijke wijn naar boven te halen. En telkens was het hetzelfde ritueel: ‘En nu de laatste fles.’ Zo hebben we zes of zeven laatste flessen gedronken. En toen zei hij: ‘La drame de ma vie c'est que je vais survivre à ma cave.’  Veertien dagen later is hij gestorven.”

Hij kijkt op. “Zijn weduwe is nu een van de achttien weduwen die mij omringen.”

Uzelf bent niet van adel. Viel dat op aan het hof?

“De invloed van de adel is nog groter dan in mijn tijd, heb ik de indruk. Kijk naar kabinetschef van Ypersele de Strihou, oude adel; de secretaris van de koningin, Cardon de Lichtbuer, en ook zijn opvolger is van adel, zeer oude Oostenrijkse adel...

“De koning zei me: ‘Gij hebt de reputatie iedereen te kennen.’ Eerlijk gezegd, ik dacht dat ook. Wel, als grootmaarschalk is het mij overkomen dat ik werd uitgenodigd op een receptie in Brussel waar honderd mensen waren van wie ik er niet één kende. Niemand, hé. Dat was de adel, zo bleek, die mij plotseling met vragen bestookte. Ik hield het niet voor mogelijk. Ondervraging. Mijn examen afgelegd, kortom. Het is lang leuk geweest, maar het was genoeg. Ik denk dat ik een beetje op de job was uitgekeken, en de koning een beetje op mij, vermoed ik.”

Hij veert opnieuw op uit zijn stoel, komt na minuten zoeken terug met een artikel dat hij schreef. Hij citeert: “Zou ik voorlopig durven besluiten met de bewering dat ik in de ogen van de koning vermoedelijk te veel bibliothecaris ben gebleven en te weinig dignitaris ben geworden. Anders geformuleerd: dat ik allicht de bibliotheek leidde als een grootmaarschalk en het hof als een hoofdconservator? Het vak van de eerste heeft veel inhoud en geen sociaal aanzien, het vak van de tweede heeft een zeer hoog sociaal aanzien en, drie puntjes.” Hij kijkt op. Vorsend. Zegt: “De koning heeft dat begrepen, hoor.”

Was het André Molitor (PSC’er oud-kabinetschef van de koning) die in uw periode de toespraken van de koning schreef?

“Ja, Molitor kende zijn job fenomenaal goed. U weet dat die teksten voorgelegd moeten worden aan de regering, in casu aan Jan Grauls, de kabinetschef van de eerste minister. (Jan Grauls sr. ging met pensioen in 1985, zijn zoon Jan Grauls jr. is momenteel opdrachthouder in het kabinet Martens, YD) Die twee begrepen elkaar blindelings, ze waren ook goede vrienden. De tekst kwam altijd ongewijzigd terug.”

Er valt een stilte. “Na Molitor zijn de speeches van de koning erbarmelijk geworden. De laatste over de jeugd... Afschuwelijk, niet waar, dat is werkelijk de jeugd misbruiken.”

Met een doordringende blik kijkt hij naar de bandrecorder. Die uitspraak zal hij zo meteen off the record verklaren, denk ik. Ik zwijg, hij ook. Hij staat op, loopt naar het raam, kijkt naar de overkant, waar de tuinmuur van het paleis van Laken te zien is. Het blijft stil.

Het beeld van de getormenteerde, melancholische koning...

Hij reageert onmiddellijk: “Dat klopt, volledig. Volledig. De koning is getraumatiseerd door zijn jeugd. Vijf toen zijn moeder stierf, tien toen de oorlog uitbrak. In ballingschap gegaan met zijn vader Leopold. Hij kon nooit naar de universiteit gaan, wat nog altijd op hem weegt hoewel dat eigenlijk onnozel is. Dan is er, hij was zestien, de stiefmoeder. En later de breuk...”

De breuk?

“Toen hij trouwde met Fabiola. Prinses Liliane kon geen andere vrouw in het paleis hebben, en verhuisde. Hij is getraumatiseerd door zijn jeugd, Koningskwestie. Hij had enorme bewondering voor zijn vader, tot de laatste dag van diens leven. Prinses Liliane heeft de koning weggehouden van zijn vader, ze geïsoleerd van elkaar. Nee, dat beeld klopt.” 

Hij denkt even na. “En je kunt ook niet zeggen dat onze koningin een echt jolijtige vrouw is.”

Een diep katholieke vrouw, zelfs verbonden met Opus Dei.

Weer valt de blik op de recorder. “Ook dat klopt absoluut. Dat is een van de grote problemen geworden. In het begin niet. Maar geleidelijk wel. Ze oefent nu een enorme invloed uit op de koning. André Cools heeft het ooit gezegd, en Perin maakte dat later openbaar: ‘Le roi, c’est la reine.’ Dat is juist. Dat verklaart ook de abortuskwestie. De koning is toen naar kardinaal Suenens gegaan. Suenens is de man van Opus Dei, nee, beter, van een van de sekten van Opus Dei, want dat is een verzamelnaam. Hij is de man van de charismatici...” 

“Nee, de koning heeft met een religieuze aberratie een ongrondwettelijke daad gesteld. Punt.” Hij bijt zich op de lippen. Knippert met de ogen, vermant zich.

U bent nog steeds emotioneel wanneer u het daarover hebt.

“Ik was daar kapot van, woest. Ik ben daar ziek van geweest. André Molitor trouwens ook. Die was nog ongelukkiger dan ik. Tussen Molitor en de koning was er een vertrouwensband die ik nooit heb gehad, en dus raakte het hem nog harder. Hij was beschaamd. Hij is het nog. En Molitor is een diepgelovige PSC’er, niet vergeten.”

“Erg is dat, hoewel hij een ongrondwettelijke daad heeft gesteld, zijn populariteit is gegroeid, omdat de mensen dachten dat hun koning een geweten heeft en hun politici niet. Enfin, dat betekent op zich niets. Met het vijfentwintigjarige jubileum had je ook zo’n populariteitsgolf. Dat heb ik nog meegemaakt, en eerlijk, ik vond het toen beter. Wat is er nu gebeurd? Wat handjes schudden, wat vuurwerk. Toen hebben we de Koning Boudewijnstichting opgericht. Frans de Voghel (ere-voorzitter van het Paleis voor Schone Kunsten, ere-vicegouverneur van de Nationale Bank, YD) heeft toen de bedrijven gepolst. We schrijven begin crisis. De regering had beloofd een frank te geven voor elke frank uit de privésector. De Voghel zei: ‘Ze gaan verschieten, want ik haal een miljard binnen.’ Hij is er zelfs nog een stuk boven gegaan, en de regering heeft nooit haar belofte gehouden.”

Hij lacht, loopt nog eens naar de bibliotheek, komt terug zonder wat hij zoekt. 

“Er zit een slechte geest daar. Ik heb er niet mee hoeven samen te werken, gelukkig. Maar van Ypersele de Strihou speelt daar een politieke rol die zich zal wreken op de koning. Absoluut. Hij heeft de koning geïsoleerd, Molitor deed dat nooit. Er bestaat een beroemde studie over Les confesseurs du roi, de biechtvaders van de koning, die tijdens en na de middeleeuwen vaak de echte leiders van het land waren. Wel, het land wordt nu geleid door de kabinetschef van de koning en dat is funest voor onze democratische instellingen. Enfin, als ge ‘koning’ zegt, moet ge ‘van Ypersele’ zeggen. Hij is kabinetschef geweest van Martens, dat weet ge. Hij is het nog altijd, in mijn ogen. Pas op, een knappe mens, hij is een jezuïet.”

“Ach, wij zijn een land zonder ruggengraat, vergeleken met bijvoorbeeld Nederland. Wij hebben geen morele waarden. Martens is daar het prototype van. Hij is net als die Russische poppen met lood in de voet: je duwt ze omver en altijd komen ze weer overeind. Iedereen spreekt nu al met een glimlach van Martens IX, dat is toch een karikatuur.”

Kroonprins Filip. Beeld AFP

Prins Filip wordt nu klaargestoomd.

“Ik heb daar een mening over, zoals iedereen. En ik heb waarschijnlijk dezelfde mening als iedereen. Hij kan het niet, hé, een droevig geval...”

Waarom?

“Omdat, omdat... Hij loopt als een hondje mee, handjes schudden. Het is dat niet, hé. Dat kan iedereen. Nu ja, een oplossing is er altijd.”

Zoals?

“Een goed huwelijk, zeker. Neem de koning van Zweden. Ik heb daar destijds met mijn Zweedse collega over gesproken en die man was o zo gelukkig met dat huwelijk. Als prins was Carl Gustav een flierefluiter. En dan komt die merkwaardige vrouw, Sylvie, die volgens mij de Zweedse troon gered heeft. Daar heeft men toen ook de vrouwelijke opvolging geregeld. Ik herinner me dat er even sprake van is geweest bij ons, maar dat toenmalige eerste minister, Leo Tindemans, zei: ‘Je gaat er hier toch geen problemen bij maken, zeker.’ En daarmee was de discussie afgelopen.”

“Waarom de vrouwelijke opvolging nu geregeld wordt, weet ik niet, maar ge moogt gerust zijn dat het is gebeurd op initiatief van het hof. Ik denk dat Astrid voor hen de enige is waarmee iets aan te vangen valt. (Via haar huwelijk met aartshertog Lorenz is Astrid nauw verbonden met de erg katholieke Habsburgers, YD) Men onderschat Laurent (broer van Filip en Astrid, YD). Ik snap dat niet, men zet hem op een zijspoor in Amerika. Men stapelt de vergissingen op.”

“Filip is twee jaar naar Stanford geweest, men heeft hem daar een mentor gegeven. Een merkwaardig man. Een gewezen Belg, een scheikundige, hij zit in een bedrijf in Silicon Valley. In de ambassade in Washington is dat afgesproken. Hij gaf zijn twee telefoonnummers, zodat hij permanent bereikbaar was voor Filip, maar hij zei dat hij nooit zelf contact met de prins zou zoeken. Dat is vrij goed gegaan. Wel, die man heeft later een boek geschreven, Modern Belgium, en Filip heeft daarin het voorwoord geschreven. Twee compleet nietszeggende zinnen.”

Hij schudt het hoofd, kijkt niet meer naar de bandrecorder, is waarschijnlijk vergeten dat die nog steeds draait. “En ik had die jongen kunnen helpen. Ik had voorgesteld hem een project te laten uitvoeren, maar ik heb de kans niet meer gehad. Maar iets concreets, waarbij hij de Belgische staat ontdekte. Ik dacht aan de restauratie van de Japanse toren, een idee, een realisatie waarmee hij kon uitpakken. Was het gelukt, oké. Was het mislukt, dan hadden ze nog altijd mij de schuld kunnen geven.”

“Enfin, hij krijgt nu lessen in staatshervorming. Senelle (hoogleraar staatsrecht, emeritus Rijksuniversiteit Gent, YD) geeft hem die. Zegt Filip na twee, drie lessen tegen Senelle: ‘Dank u, ik heb het begrepen.’ Wat wilt ge?”

We praten over zijn fin-de-carrière. Koninklijk commissaris voor de hervorming van de nationale wetenschappelijke instellingen. Toen hij na enkele jaren zijn rapport publiceerde, bleek dat Daniël Coens even voordien via volmachtbesluit een beleid had uitgevaardigd dat volledig haaks op zijn aanbevelingen stond.

“Coens heeft mij bedrogen. Da’s een man die ik nooit meer een hand geef. Hij heeft mij behandeld als een politieke tegenstrever. ‘Gij moet begrijpen dat ik verkozen ben, en een politieker’, zei hij. En ik antwoordde: ‘U moet begrijpen, meneer de minister, dat ik al twintig jaar een toegewijd en onafhankelijk ambtenaar ben, en dat ik deze taak ook zo zal uitvoeren.’ Dat heeft hij me nooit vergeven. In mijn verslag staat geen enkele persoonlijke kritiek, ik heb gewoon geluisterd naar mensen die wisten waarover ze het hadden. Nu heeft Tobback mijn rapport uit de lade gehaald, en ik herken het een beetje in de twee besluiten die hij heeft gepubliceerd in het Staatsblad. Niet veel, een beetje. Het was een objectief rapport dat politiek is genekt. Waarom? Omdat ze niet wilden centraliseren. Omdat ze zoveel mogelijk parastatalen wilden hebben, om hun politiek personeel te kunnen benoemen op goede postjes. Ach, zwijg erover. Ik kende Tobback niet. Toch niet persoonlijk. Toen kreeg ik een briefje: ‘Ge zijt zo onvindbaar als uw verslag.’ Dat kan niet missen, ik verdenk Coens ervan alle kopieën ergens begraven te hebben.”

“Ik ben nu bezig aan een project... De relatie tussen wetenschap en kunst boeit mij enorm. Ik droom van een actief wetenschapsmuseum, waar kinderen de eerste keer naar meegenomen worden, en waar die kinderen daarna hun ouders mee naartoe sleuren. Omdat het er zo prettig is. Waar je bijvoorbeeld een kunstenaar zou zien die een zonnestraal opvangt, die door prisma’s laat gaan, daar een abstract schilderij van maakt, waarin de kleuren geleidelijk veranderen. Dat kinderen dat mee opbouwen. Schoonheid en wetenschap.”

“Als voorbeeld heb ik het museum van Frank Oppenheimer, de broer van Robert, de vader van de atoombom. Schitterend gewoon. Over de haalbaarheid daarvan heb ik nu een studie gemaakt voor Tobback. Hij zou overigens wel eens iets van zich mogen laten horen.”

Hij loopt nogmaals naar de boekenkast, komt terug met een boek over Oppenheimers Exploratorium.

“Ik moet bezig blijven. Ik heb er te veel gezien die op hun vijfenzestigste stopten en een paar jaar later doodvielen. Ik blijf werken. Mijn dochter is arts en ze dwingt me geregeld een collega van haar te bezoeken. Mijnheer, zei die, u moet het wat kalmer aan doen, ik zei: dokter, als ik het kalmer aan doe, ga ik dood.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234