Dinsdag 15/06/2021

Herinneringen uit een kartonnen doos

Vakantiekolonie. Bij de ene roept het woord zoete jeugdherinneringen aan strandpret en luid meegekeelde liederen op, bij de andere nachtmerries over unheimliche gangen en verplichte platte rust. Luc De Vos behoort tot dat laatste kamp. Van zijn achtste tot zijn twaalfde werd de Gorkifrontman op vakantiekolonie gestuurd naar Middelkerke en Waasmunster. DM Zomer trok met hem naar de tentoonstelling ‘We zijn goed aangekomen! Vakantiekolonies aan de Belgische kust (1887-1980)’ in het Caermersklooster in Gent en voerde hem er licht getraumatiseerd weer buiten. Door Sarah Theerlynck

Met Luc De Vos naar de expo ‘Vakantiekolonies aan de Belgische kust (1887-1980)’

Luc De Vos komt met een bedrukt gezicht het Gentse Caermersklooster binnen. “Jeugdtrauma’s... jeugdtrauma’s”, zucht hij. Van 1970 tot en met 1973, tussen zijn achtste en zijn twaalfde, was ook hij noodgedwongen een vakantiekoloniekind. Hij sleet zijn korte broek in de vakantiekoloniehuizen Del Huzo in Middelkerke en Heidepark in Waasmunster. Vakantiekolonies, door de mutualiteiten georganiseerd, waren toen een wijdverspreid fenomeen. De bedoeling? De katholieke, socialistische of liberale jeugd een leuk, maar vooral leerrijk en gezond zomerkamp bezorgen en hen en passantnog sterker binden aan de zuil waartoe hun familie behoorde. Het resultaat? Moeilijk te zeggen. Sommige kinderen vonden de vakantiekolonies geweldig en denken nu met heimwee terug. Anderen vonden ze verschrikkelijk en hielden er een jeugdtrauma aan over. Maar tot welk kamp je ook behoorde, je schreef op je eerste kaartje naar het thuisfront steevast “We zijn goed aangekomen”. Toen was het een standaardzinnetje, nu is het de titel van een boek en een tentoonstelling die de geschiedenis van de vakantiekolonies in België in beeld brengen.

Die geschiedenis begint in België eind negentiende eeuw. De vakantiekolonies waren toen vooral een plek waar zwakke en ziekelijke kinderen konden aansterken in de gezonde lucht. Al zagen liberale verenigingen er ook een handig middel in om arme kinderen naar het openbaar onderwijs te lokken. Waarop de katholieken natuurlijk niet konden achterblijven en prompt hun eigen vakantiekolonies in het leven riepen om die dutsen in het katholieke onderwijs te houden.

Na 1889 bleken de zomerkampen ook een probaat middel om de kinderen in het gareel te houden die na de afschaffing van de kinderarbeid niet meer in de fabriek terecht konden. Opvang voor hangjongeren avant la lettre, zeg maar. Dertig jaar later, na de Eerste Wereldoorlog, werd het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK), het huidige Kind en Gezin, verantwoordelijk voor de controle en de subsidies van de vakantiekolonies. Zij legden de klemtoon nog sterker op hygiëne en gezondheid. Opeens sloeg “We zijn goed aangekomen” ook op het aantal kilo’s dat de vakantiekoloniekinderen waren bijgekomen. De subsidies van het NWK gingen zowel naar privé- als publieke instellingen en zo ontstonden in de jaren ’20 de mutualiteiten. Toen die na de Tweede Wereldoorlog hun clienteel verbreedden door de verplichte ziekteverzekering, gingen ook kinderen uit andere milieus dan het arbeidersmilieu mee op vakantiekolonie. Van dan af was de vakantiekolonie er voor iedereen. Er viel haast niet aan te ontsnappen. En zo kwam het dat ook Luc De Vos in de zomer van 1970 zijn kartonnen doos van de CM moest pakken.

“De kartonnen dozen!” roept de zanger uit, wanneer we voorbij een paar exemplaren komen op de expo. “Zo mooi vereeuwigd in Tom Lanoyes roman. Ik herinner me die dozen nog goed. Ik begreep niet goed waarom we allemaal niet gewoon een valies konden meenemen. Wist ik veel dat de filosofie was om alle onderscheid op voorhand al uit te wissen. Onversneden communisme, eigenlijk. Op zich was het misschien een mooi idee. It was a fine idea at the time, but now it’s a brilliant mistake. (lacht) Het was ook supermoeilijk om die dozen in elkaar te vouwen.

Ze waren dus niet alleen lelijk, ze waren ook onhandig. Maar ik heb mijn doos wel nog altijd. Zij is keihard, niet te verwoesten. Na veertig jaar ligt ze nog steeds in perfecte staat op mijn zolder.”

Een foto aan de muur toont een eetzaal tjokvol kinderen. Allemaal kijken ze met grote ogen de camera in. “Verschrikkelijk, hé”, zegt De Vos. “Ik hield niet van vreemde kinderen. Integendeel. Ik haatte hen. Ze waren altijd gelukkiger dan ik. Zij hadden rijke ouders, praatten schoon Vlaams. Ik denk dat die organisatoren het met opzet deden. Om onze sociale vaardigheden te trainen of zo. Maar bij mij had dat alleen maar het omgekeerde effect. Ik hoorde daar niet. Ik was in de verkeerde tijd op de verkeerde plek. Ik voelde mij een stom boerke uit het kleine katholieke kanaaldorp Wippelgem. En in dat milieu was het onvermijdelijk: je moest op vakantiekolonie. Mijn stil protest bestond erin pertinent te weigeren vrienden te maken. Een achtjarige kan koppig zijn, hoor. Ik nam me voor: ‘Ik ga hier tien dagen overleven. Ze gaan mij hier niet hebben.’ Je mag niet vergeten: tien dagen is voor een kind een eeuwigheid. Ik heb daar elke seconde zien wegtikken.”

Flarden herinneringen komen boven. “Ik herinner me zalen, oneindige zalen en gangen, donkere, stille gangen - zoals ik in een van mijn nummers zing. In die tijd was het gangbare geloof blijkbaar dat je voor kinderen zoveel mogelijk collectieve activiteiten moest organiseren. En nooit mochten er zalen en gangen ontbreken (lacht). Op zo’n vakantiekolonie gebeurde ook niets zomaar. Alles was tot in de puntjes geregeld. Het was niet van: ‘Sta op, eet iets en ga maar spelen op het strand.’ Nee, nee, werkelijk alles lag tot op het uur vast. Wat ik het meest haatte, was de platte rust. Na het eten moest je plat op je bed gaan liggen en o wee, als je bewoog. Ik weet niet meer precies hoe lang die platte rust duurde - een half uur? een uur? - maar in mijn herinnering duurde het verschrikkelijk lang. En er waren nog meer absurde rituelen. Zo moest je elke ochtend je bed opmaken. Ik had dat nog nooit gedaan. Ik was de jongste van zeven: mijn moeder deed dat. De monitoren leerden je ook jezelf te wassen. Eerst het gezicht, dan je buik, je edele delen en op het einde pas je voeten.”

Het zijn kleine, onschuldige herinneringen die De Vos op zijn typische droog-humoristische manier vertelt. Maar van zijn volgend verhaal schrikken we toch. “Na mijn eerste vakantiekolonie in Middelkerke - na tien dagen huilen - kwam de aalmoezenier bij mij. Ik moest niet met de bus naar huis, maar zou door hem persoonlijk gebracht worden. Ik stelde me daar geen vragen bij en ging mee. En in die auto, ergens tussen Oostende en Gent, kwam de aap uit de mouw: mijn vader was een paar dagen daarvoor overleden. Dat was... eventjes moeilijk. Die hele rit heeft de aalmoezenier op mij ingepraat. ‘Uw vader is nu in de hemel en als je braaf bent en goed je best doet op school, ga je hem later terugzien.’ Ik mocht ook zeker mijn moeder niet te veel tot last zijn. Een preek vol levenswijsheden, kortom. Maar wat kon mij dat schelen? Ik was acht.

“Waarom mijn moeder me op vakantiekolonie stuurde, terwijl ze wist dat mijn vader terminaal was, weet ik niet. Ik heb het haar nooit gevraagd. In een katholiek milieu als het onze werd niet gepraat over diepe emoties of dingen als het leven en de dood. Ze ging er waarschijnlijk van uit dat ik alles wel zou leren op school, bij de nonnen. En wat die vakantiekolonie betreft: mijn moeder zal al lang blij geweest zijn dat ik even weg was. Zij was huisvrouw en had constant zeven kinderen rond haar. Dan moet het een opluchting geweest zijn dat er eens eentje weg was. Ach, zo’n groot trauma was de dood van mijn vader uiteindelijk ook niet. Als je jong bent, zet je dat makkelijk van je af. Ik was al lang blij dat ik weer thuis was en mijn vriendjes uit het schooltje in de buurt terugzag. Na de vakantiekolonie was thuis het verloren paradijs. Ik herinner me nog goed dat ik een week later al weer aan het spelen was met een vriendje en me plots bedacht: ‘Oei, ik ben hier aan het spelen en mijn vader is dood.’ Ik was het al vergeten! Ik ben ook nooit kwaad geweest dat ze me pas een paar dagen na zijn dood verteld hebben dat mijn pa overleden was. Ik heb geen aanleg tot kwaadheid. Ik was een kind dat berustte in zijn lot. Life is hard and then you die. Zo dacht ik toen al.”

Toch was niet alles kommer en kwel op vakantiekolonie. Er mocht ook al eens gespeeld worden en daar hield de jonge Luc De Vos wel van. “De spelletjes die wij speelden, waren inventief. Zo was er een spel waarin we ingedeeld werden in groepen per kleur vlag. We moesten die vlaggen dan achteraan in onze broek steken en de groene vlaggen moesten de gele vlaggen pakken, de gele de blauwe, de blauwe de oranje. Echt: goed gevonden. Met zulke spelletjes amuseerde ik me wel. Ik hing daar nu ook weer niet de hele dag de hypochonder uit, hé (lacht). Ik herinner me ook nog goed dat er op een avond een goochelaar kwam optreden. Ongelooflijk was dat. Hij toverde de ene sinaasappel na de andere uit zijn mouw. Ik weet nog steeds niet hoe hij het klaarspeelde.”

We houden halt bij een affiche met daarop de tekst van het avondlied, het lijflied van de vakantiekoloniekinderen. “O heer, d’avond is neergekomen. De zonne zonk, de duister klom” zingt De Vos zachtjes voor. “Zalig liedje. Ik hield van de liedjes die we mochten zingen, en vooral dan van het avondlied.Als ik dat terughoor, word ik op slag weer katholiek (lacht).”

We zijn bij het einde van de tentoonstelling aanbeland. Een aantal typische koloniebedjes staan naast elkaar opgesteld. Over het voeteinde hangen handdoekjes met daarop ‘Kindervreugd’, een van de meer bekende vakantiekolonies in Sint-Idesbald. Na het aanhoren van Luc De Vos’ herinneringen lijkt de naam compleet misplaatst. “Ik geloof niet dat zulke ervaringen je harden in het leven”, geeft hij ons tot afscheid mee. “Mensen redeneren: je voedt je kind op voor later. Maar later bestaat toch niet? Je moet nu leven, zeker als kind. Ik geloof niet in discipline, verwerp de gedachte dat als je nu iets moeilijks of lastigs doet, dat later een positief effect zal sorteren. Natuurlijk begrijp ik de goede bedoelingen. Maar iedereen weet dat de wereld ten onder gaat aan de goede bedoelingen.”

We zijn goed aangekomen! Vakantiekolonies aan de Belgische kust (1887-1980): expo nog tot 5 september in het Caermersklooster in Gent. Alle info: www.caermersklooster.be en www.vakantiekolonies.be. Het boek van historica Martine Vermandere is uitgegeven bij ASP Editions, in samenwerking met het Amsab.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234