Woensdag 01/12/2021

Herinneringen aan de mooiste Helleklassieker

Elke wielerliefhebber heeft hem: zijn of haar mooiste winnaar van Parijs-Roubaix. Niet alleen vanwege het bloed, de blaren, het zweet, de tranen, de ontroering of de ontgoocheling, maar ook vanwege een persoonlijke herinnering, een onversneden stukje nostalgie. Vijf pennen van De Morgen halen herinneringen op aan hun mooiste kasseiklassieker ooit.

In 2009 versloeg een beginnend wielerjournalist zijn allereerste Parijs-Roubaix. En hij had geluk, het verhaal was die dag niet zo ingewikkeld: Boonen viel aan, Boonen viel nog eens aan, en tussendoor kletsten Flecha, Hoste, Vansummeren en Hushovd tegen de grond. Pozzato probeerde nog, maar schoot tekort. Boonen won, voor de derde keer al.

De winnaar kreeg applaus en dat was verdiend, maar inzake pure schoonheid was de zege die dag toch vele malen ondergeschikt aan de nederlaag van Leif Hoste. Wat een nummer had hij weer opgevoerd: na de vlag in het wiel, het gebroken borstbeen en de gesloten overweg ging Hoste in deze editie van de Helleklassieker mee in een val van Juan Antonio Flecha. Een betere keuze was nauwelijks denkbaar. Flecha speelde die dag de slechterik, hij wilde vooraan niet meerijden, ondanks de ontelbare ellebogen die hem naar de kop sommeerden. Hoste is niet van gisteren: in dat wiel moest hij zitten.

Ook na de meet bleef Hoste de beste man in koers. Hoe hij daar zat in het gras, terneergeslagen, droef te moede, samen met de ook al gedupeerde Johan Vansummeren. Onmogelijk te verbeteren. Een getekend gelaat en een paar vloeken. ‘Godverdomme vint, Flecha, ie moe nie in min buurte kom’n.’ Leif Hoste, zoveel leed in één wielerleven, zelfs Luc of Jean-Pierre Dardenne begint er niet aan.

Negen ervaren verslaggevers en één beginner stonden die dag over Hoste gebogen. Elk van hen druk doende met het bedenken van een passende vraag. Het moest een vraag zijn die tegengewicht kon bieden aan de loden stilte die zich intussen meester had gemaakt van het gebeuren. Een vraag die geen afbreuk deed aan de intensiteit van het moment. Maar zo’n vraag bestond natuurlijk niet. Iemand, niet de beginner, stootte toch wat klanken uit. Het was een zinnetje dat deed beseffen dat wielerverslaggever het mooiste en het lelijkste beroep terzelfdertijd kan zijn. Het ging zo: ‘En Leif, ontgoocheld zeker?’

Balla, Ballerini, balla. Dans, Franco, dans. April ’95, Camphin-en-Pévèle. Het moet zowat mijn eerste echte kennismaking geweest zijn met de koers, al sloeg de vonk niet meteen over. Cartouchen zoeken in het bos, dat wel, en zweetbanden vangen van La Redoute, dat ook. Maar die coureurs? Dat ze zot zijn, hun fiets zo aan flarden rijden op stenen die naam niet waard. “Kleinen, snel, den eersten komt eraan.” Ja ja pa. Ik kom sebiet. Heb je nog een lolly over? En trouwens, je zal hem toch niet zien, met al dat stom stof.”

Tot hij passeerde, Franco Ballerini. Met een straat voorsprong op gezworen vijanden Tsjmil en Museeuw. Bijna twee minuten. Hij, een wijnrank op wielen. De musculatuur van een Romein. Zijn passage joeg evenveel stof de lucht in als de karavaan van Rodania. Ballerini, die reed zijn fiets niet aan grut. Die reed alleen de tegenstand tot moes. Elegant, en toch krachtig. Geen pudding die op ontbinden stond à la Dario Pieri. Geen amechtig gestamp à la Tsjmil. Maar dansen, van kassei naar kassei. Ballerini, tango op de fiets. Een Florentijn zonder kapsones. Het gezicht van een mijnwerker. Hij leerde me de koers liefhebben, ja, zelfs te beminnen. Zijn passage in Camphin gaf het woord cartouche een nieuwe betekenis. Ik ruilde de Capri-Sonne voor de bidon. “Pa, ik wil coureur worden.”

Ze maken ze niet meer op die maat, de Ballerini’s. Eigenlijk mocht hij dat jaar zelfs niet starten in Compiègne, na een val een paar dagen voordien in Gent-Wevelgem. Maar hij wilde zo graag. ‘Vincere insieme’, het credo van de Mapeis, dat was Ballerini ten voeten uit. En zeggen dat hij in ’93 ook al moest winnen, ware het niet dat Duclos-Lassalle nog verstand over had aan de meet. ‘Balla’, altijd voorop, altijd aan het front. Hij boetseerde de koers, maar kon ze niet altijd afwerken. Hij hield van snelheid. Hij hield van te veel snelheid. Gestorven in de rally van Larciano. Frontaal op een muur geknald. In Firenze treuren ze nog altijd om hun eeuwige aanvaller. De eerste Italiaan die morgen de finish haalt krijgt de Souvenir Franco Ballerini, als eerbetoon. Ik sta morgen in Camphin, zonder zweetband en lolly. Ciao, Franco, ciao.

Wat goed dat we in de jaren zeventig nog Franse les mochten krijgen. Zo kon ik later tenminste buiten Vlaanderen komen, op je eigen navel raak je immers toch snel uitgekeken. En het gaf me de kans met andere mensen te praten. Met Andrei Tsjmil bijvoorbeeld. Niet dat het een vlotte prater was. Maar wel voorkomend. Vriendelijk. Zelfs tegen jonge journalisten. Tijdgenoten van Tsjmil vluchtten weg of hingen de onnozelaar uit. Hij niet.

Laat geen mens eraan twijfelen: de allermooiste Parijs-Roubaix moet die van 1969 geweest zijn, maar dan kwam die van 1994. Zijn naam schreven we toen op drie manieren: Tsjmil, Tchmil of Tchmile. Zijn nationaliteit was dat jaar, als ik me niet vergis, Moldaviër. Of Oekraïner. Zeker geen Rus meer en zeker nog geen Belg. En na de heisa die ontstaan was rond Tsjmil-de-Judas (jaja, hij zou onze Jowan Museeuw in de wielen gereden hebben), reed hij op 10 april 1994 in de gietende regen en in rood-zwarte Lotto-uitrusting van een groepje met Museeuw weg.

Het moet in de buurt van Orchies geweest zijn, in ieder geval: de wielerbaan in Roubaix lag nog 58 kilometer verderop. Voor wie vergat hoe knap dat was, toonde Belga sport in één van die onvergelijkbaar mooie afleveringen onlangs die eigenlijk onvergetelijke beelden: Tsjmil geeft, Museeuw op een vrouwenfiets van Bianchi neemt. In Belga sport zei Tsjmil wat toen in zijn hoofd spookte: “Ik dacht: nee nee, iedereen, behalve Museeuw.” Gejaagd door die kracht stoomde de renner naar Roubaix, waar we hem op de wielerpiste opwachtten.

Toegegeven: de Belgische pers een beetje sip kijkend. Omdat Museeuw de held was. En wat zei Roger De Vlaeminck: “Hoe kun je nu zo’n koers beginnen met een vrouwenfiets?” De Vlaeminck kreeg gelijk, Andrei Tsjmil won. Zoek die beelden op YouTube en geniet nog eens mee. Dacht hij aan zijn moeder die operazangeres was en hem de wereld toonde? Of aan het kasseiweggetje in de buurt waar hij opgroeide en leerde fietsen? Geen idee. Maar voor die grijns en dát gevoel heb je spijt dat je nooit zelf renner werd.

4 juli 2004, het is de eerste dag van de Tour, de proloog wordt verreden in de straten van Luik. De latere eindwinnaar Armstrong geeft hier al meteen een ferme tik aan de tegenstand, maar winnen doet hij niet. De zege en de gele trui zijn die dag voor Fabian Cancellara, een jonge, nog relatief onbekende Zwitser met geweldig veel ambitie. Op de persconferentie achteraf vertelt hij aan de wereld dat hij over een paar jaar de Tour denkt te kunnen winnen. Maar hij raakt vooral niet uitgepraat over Parijs-Roubaix. Cancellara brengt in herinnering dat hij er dat jaar vierde werd en vertelt dat hij de ontgoocheling maar niet verwerkt kreeg.

Jaren later zal Cancellara dit machtig mooie, maar op dat ogenblik nog tanende wielermonument twee keer winnen. Hij zal de dovende vlam van de hel in zijn eentje weer doen oplaaien. Maar toen, in 2004, was het wielermonument dus nog tanende.

Flash forward naar 11 april 2010, Parijs-Roubaix van vorig jaar. De wielerbaan is nog ver als de bokken al van de schapen worden gescheiden. Een week eerder heeft de man die we intussen Spartacus zijn gaan noemen onze Tom Boonen op zijn Muur geweldig op zijn nummer gezet. Boonen zit vandaag samen met Cancellara in de groep der favorieten, wij wachten op zijn wraak. Maar die wraak zal er niet komen. Tommeke zal er zelfs niet de schijn van een kans toe krijgen. Op bijna vijftig kilometer van de meet rijdt Cancellara ‘op kousenvoeten’ weg van alle favorieten. Ze zullen hem pas terugzien in Roubaix.

Cancellara heeft onze wielergoden die dag andermaal vernederd. Maar tegelijk heeft hij hen, of beter nog, hun koers, een geweldige dienst bewezen. Want schitteren deden onze wielergoden in het vorige decennium nog bijna uitsluitend op hun terrein. In de Ronde van Vlaanderen, en vooral in Parijs-Roubaix. Maar wat stelde de kasseiklassieker internationaal nog voor? Waar ooit de voltallige wereldtop elkaar in de Hel van het Noorden wilde bevechten, moesten onze jongens zich op den duur enkel nog meten met fietsende curiosa genre Magnus Bäckstedt (liefst 98 kilogram, winnaar in 2004) of Dario Pieri (95 kilogram als hij scherp stond, tweede in 2003).

De Parijs-Roubaix van morgen wordt andere koek. Spartacus staat mee aan de start. Wie hem verslaat, heeft de absolute wereldtop verslagen. Nick Nuyens weet hoeveel mooier dat is.

In overzichten van de erelijst van Eddy Merckx krijgen zijn zeges in Parijs-Roubaix nooit overdreven veel aandacht. Ze lijken niet interessant, behalve dan om de macht van het getal: drie keer winst (1968, 1970, 1973), dat staat cijfermatig mooi naast zeven keer Milaan-Sanremo, vijf keer de Tour de France, enzovoort. Maar hoe Merckx won richting Roubaix, waar hij demarreerde, wie hij in de vernieling reed, die verhalen zijn niet meer gekend. Te zeer verdrongen door bijvoorbeeld de elk jaar weer opgehaalde anekdotes uit de onvermijdelijke Ronde van Vlaanderen.

In 1970 en 1973 won Merckx Parijs-Roubaix op klassiek Merckxiaanse wijze: met verpletterende overmacht, door regen en wind, over slijk, met minuten voorsprong alleen de piste op. Toch is zijn eerste overwinning, in 1968, de mooiste, de meest mythische, want welhaast onwerkelijk. Dat jaar waren de favorieten vooral oudere krijgers die nog niet beseften dat een nieuwe heerser aan het opstaan was: Jan Janssen, Rik Van Looy, Roger Pingeon, Jacques Anquetil, Raymond Poulidor.

In het bos van Wallers, honderdtwintig kilometer ver van Roubaix, sloeg Eddy Merckx toe. Hij reed alles en iedereen uit zijn wiel, tot hij overbleef met zijn vriend en generatiegenoot Herman Van Springel. In de sprint won Merckx. Vanzelfsprekend.

Het aparte van die dag ligt niet in het verpletteren van de concurrentie. Het wonderlijke was de schoonheid van de renners, het esthetische van het atletische.

De beelden van de vlucht naar Roubaix blijven wonderlijk mooi: Merckx in zijn eerste regenboogtrui, Van Springel in het zonnige geel van Poeders Mann, onweerstaanbaar jeugdig talent onder een stralende lentehemel naar Roubaix. Zelfs de Franse tv-commentator werd lyrisch bij het vederlichte gemak, het angelieke waarmee de twee jonge Belgen over de kasseien zweefden: “C’est l’alliance de la souplesse et de la finesse, ces hommes d’un gabarit très athlétique.”Ze reden zo gezwind dat ze al voorbij waren voor het stof kon nederdalen. Twee engelen overwonnen de Hel.

Zo werd een zondag in april de prelude van mei ’68: het begin van nieuwe tijden, van de verbeelding en de jeugd aan de macht.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234