Vrijdag 23/04/2021

'Heerlijk, ik besta'

Remco Campert, ooit de jongste van de Vijftigers, is van de week, 28 juli, zeventig geworden. Zijn werk is met de jaren steeds meer gaan lezen als de expressie van een zondagsgevoel. An aged man's happiness is a writer's goldmine?

Hoe hij zijn verjaardag vierde, valt misschien binnenkort na te lezen. Niet alleen in z'n columns, ook in gedichten en verhalen stopt Remco Campert graag dat soort biografische weetjes. Van herdenkingen houdt hij in elk geval niet, dat schreef hij twintig jaar geleden al in een verjaardagsgedicht voor zijn oudere vriend en mede-Vijftiger Bert Schierbeek: "Ik houd niet van zestig of veertig of vijftig / of dertig of twintig of / pijprokend honderd / ik houd niet van jubilea / het is dan net of het allemaal niet waar was / terwijl je wel beter weet."

Hoera, hoera was in 1965 de titel van een nieuwe dichtbundel. In een gedicht daaruit beschreef Campert zichzelf als een "treurige oude man" met "kindskinderen aan mijn knie": "O dat zal een droevige dag zijn / de 1ste dag van het jaar 2000 / 70 ben ik dan een oude man / voor wie de 21ste eeuw te laat komt."

Het is natuurlijk nog enkele maanden tot 2000, maar voorlopig lijkt Remco Campert, sinds woensdag zeventig, er helemaal niet treuriger op geworden, veeleer integendeel. In proza en in interviews heeft hij het meer en meer over het geluksgevoel dat hem gaande houdt. Een geluk dat te wantrouwen blijft natuurlijk, al is het dan misschien wel de motor van zijn schrijverschap en dus ook een van de geheimen van het Campert-zijn.

Maar laat me eerst een geluksgedichtje van Campert citeren, 'Geluk is mogelijk', waarmee de bundel Betere tijden uit 1970 opende. Daarop volgde overigens het bekende 'Iemand stelt de vraag', een van de zeldzame geslaagde verzetsgedichten uit de Nederlandse poëzie: "Verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden." Het daar weer op volgende gedicht heet 'Poëzie' en is ook typisch Campert: "Voor wat ik nu zit te doen / weet ik geen verklaring." En verder in de bundel valt ook nog het titelgedicht op, dat eindigt met: "ik eet meer fruit / morgen word ik veertig / en gisteren liepen ze op de maan / geef vrede een kans / en hoop op betere tijden". Zo nodigt elke bundel uit tot hinkstapspringen door anekdotes en citaten, maar nu dus eerst 'Geluk is mogelijk':

Sla het telefoonboek open kijk nou allemaal namen en elke naam een nummer een adres word gelukkig, als je kan!

Een mooi want raadselachtig gedichtje. Commentaar eigenlijk overbodig, maar let toch even op de pertinentie van de titel boven het vreemde verzoek en de perplexe witregel voor de oproep met uitroepteken. Meent de dichter dat nu of niet? Natuurlijk niet, was ik in mijn jeugdige overmoed geneigd te denken. Campert is toch altijd ironisch, melancholisch treurig of al dan niet mild cynisch. Geluk, vergeet het maar, zie de banaliteit van een telefoonboek vol namen en nummers. En soms toch ook weer wel: de rustigmakende geruststelling van een lijst vol letters en cijfers, netjes onder elkaar gedrukt. De wetenschap: we zijn met zovelen, iedereen een nummer, een adres; zolang er telefoonboeken zijn, is er hoop. Zoiets. Tevreden geluk. Gevat in charmante, dubbelzinnig mooie regels.

Het gedicht is nu ongeveer dertig jaar oud - en zolang er telefoonboeken bestaan zal het z'n ambivalentie wel behouden - en ook de schrijver is dertig jaar ouder. Ondertussen schreef en publiceerde hij verder: soms illusieloze gedichten op parlandotoon, soms in weemoed badende stukjes over kleine ongemakjes of grimmig lachende verhalen over onhandige mompelaars die te veel drinken en verliefd worden, maar ook, en zoals altijd lichtvoetig, in perfect heldere zinnen, over geluk.

In interviews en columns valt op hoe vaak Campert als verwonderd staat te kijken naar zijn eigen leven: "Het lijkt wel alsof ik nergens moeite mee heb gehad." Ook in zijn jongste proza gaat het behoorlijk vaak over gelukzaligheid, tevreden zijn en niet zeuren. Zijn laatste boek, Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen, eindigt met: "Ik zou zeggen: klaag, maar klaag met mate." Happiness is a writer's goldmine? Voor een schrijver als Campert blijkbaar wel. In een verhaal uit Een mooie jonge vriendin meent het ik-personage zich te moeten verontschuldigen omdat hij gelukkig is. Hij krijgt het pas met enige gêne gezegd: "Ik geloof eigenlijk van wel, nu je het zegt. Ja, ik ben gelukkig."

Het verhaal heet simpelweg 'Zo-maar gelukkig' en het is, zoals vaker bij Campert met een beetje indikking en ironie, uit zijn leven gegrepen. Tot de neiging tot verontschuldigen toe, bekende hij toen ik hem vorig jaar interviewde: "Ja, dat hoor je niet te zijn hè. Er moet altijd wel iets mis zijn, maar soms is dat absoluut niet zo bij mij. Gewoon puur geluk: heerlijk, ik besta. Maar dan zijn er bijvoorbeeld vrienden die zich juist doodongelukkig voelen en dan geneer ik me bijna voor m'n geluksgevoel. Ik ben natuurlijk ook weleens verdrietig, maar eigenlijk steeds minder. Behalve over grote dingen, narigheden in de wereld, slachtpartijen en zo, maar dat is dan meer woede."

Het schrijven en denken over de staat van geluk is eigenlijk niets nieuws voor Campert. In 1986 had hij het in een interview met Doeschka Meijsing over een plan om een boek te schrijven over iemand die alleen maar gelukkig is. "Maar hoe houd je het leesbaar, spannend?" vroeg hij zich af: "Het mag ook geen gelukkig iemand in een poel van ellende zijn, of iemand die nooit iets ziet. Ik denk aan een man van zeventig, die dus ook de oorlog nog heeft meegemaakt. Voor hem is er ook het een en ander gebeurd met de wereld. Hoe kan het dat hij als intelligent mens gelukkig is? (...) Stel je voor dat ik eruitkom. Dan heb ik een boek geschreven dat me zoveel genoegen zal doen."

In 1990 verscheen Gouden dagen, een vertelling. Een hilarisch absurd boek over een hoofdpersoon die zijn memoires schrijft omdat hij niks dan geluk gekend heeft in zijn leven en niet begrijpt dat anderen ongelukkig zijn. Een ontwikkeld man, die beseft dat hij benijd wordt, bijvoorbeeld door vrienden die het geluk niet kennen. "Het lijkt wel," schrijft hij, "of de mensheid het geluk niet vertrouwt, of het een staat acht die haar niet past." Een wonderlijk onrealistische vertelling, met ordeloze en weglopende verhaallijnen, conform de ongedwongen, tijdloze wereld van de memoiresschrijver, die ook opmerkt: "Ik weet uit ervaring dat een gelukkig mens gewantrouwd wordt, of toch op zijn minst wordt verdacht van grote onnozelheid." Maar vooral een boek over geluk als levensfilosofie, als instelling. Na het verschijnen zei Campert in een interview met Bibeb: "Ik heb het gevoel dat veel mensen met dit boek geen weg weten. Het is zo anders dan ze van me gewend zijn."

Een verhaal in Een mooie jonge vriendin gaat het over het terugvinden van een oude agenda, die de schrijver herinnert aan een periode dat hij in zijn lievelingsstad Parijs dacht onbekommerd te kunnen werken. Hij kreeg er bezoek van zijn vriendin uit Nederland, die hem bekende hun relatie te willen beëindigen. In het verhaal: "Had ze die aanval van eerlijkheid maar niet gehad. Nu kwam er de rest van de maand niets meer van schrijven. Dat is niet helemaal waar. De poëzie lukte uitermate goed. Het werd een mistroostig bundeltje." Later, in het interview: "Het heette Rechterschoenen, als je het helemaal naast elkaar wilt leggen."

In die bundel uit 1992 staat een gedicht over de bewuste ontmoeting: "Het regen-de zon / die dag in het Noordstation / toen je naar me toekwam", een heel licht, beetje chansonachtig gedicht. Campert: "Ik vind het nog altijd een leuk gedicht. Of een periode nu mistroostig of vrolijk is, waar het om gaat is dat het een aardig gedicht oplevert. De geest waar het uit ontstaat doet er weinig toe, schrijven heeft weinig met je emotionele toestand te maken."

Af en toe wordt beweerd dat zijn latere gedichten (na de jaren zeventig) somberder zijn geworden. Tegen Meijsing ontkende Campert dat: "Ik kan de sombere dingen beter onder woorden brengen dan vroeger." Verder in hetzelfde gesprek: "Maar het is waar dat ik beter tegen de wereld kan. Uit gewoonte klaag en zeur ik nog wel, maar ik ben ervan overtuigd dat ik er geen reden meer voor heb. Niet alleen geen materiële reden, maar ook binnen in me geen reden. Melancholie kan ik nauwelijks meer opbrengen. Ik weet de trucs, ik weet hoe ik een melancholieke zin moet schrijven." Het gerijpte levensgevoel. Nog eens dertien jaar later, eind 1998, merkte hij op: "Ik ben altijd wel relativerend geweest en dat is er niet minder op geworden. Ik wind me niet snel meer op, al kan ik nog heel boos worden, maar niet in het schrijven."

Camperts steeds overheersender zondagsgevoel heeft alles met het schrijven zelf te maken. "Ik kan me niets plezierigers voorstellen dan schrijven," staat er in een verhaal in Een mooie jonge vriendin, een uitspraak die Campert ook al vaak deed in interviews: "Ik vind het echt het leukste wat er is. Ik zou niet weten wat ik zonder schrijven zou moeten doen, en begrijp ook nooit dat schrijvers klagen, alsof het een soort vreselijke worsteling is. Dat is mij vreemd. Ik vind het heerlijk. Als je ziet dat iets lukt, dat die zin goed is. Dat geeft me een enorm geluksgevoel."

Over het métier laat Remco Campert zich niet alleen in interviews uit. Ook in zijn proza en poëzie gaat het opvallend vaak over het dichten en schrijven zelf. In zijn verhalen komen bijvoorbeeld veel meestal slempende, knullige dichters en schrijvers voor, die dan, soms tussen allerlei gebeurtenissen door, wat literaire opmerkingen maken of stellingen poneren, als het al niet concreet over het schrijven zelf gaat. Een bijna willekeurig gekozen voorbeeld uit Het gangstermeisje, een wat onderschatte roman uit 1965:

"Dan springt hij op uit zijn gemakkelijke stoel, draait een vel papier in de schrijfmachine, typt een paar zinnen, gehaast, gelukkig, staart dan zeker een kwartier naar die paar zinnen en voelt hoe zijn energie weer wegebt."

Vreemd is dat zoiets bij Campert, anders dan bij de meeste schrijvers, niet storend werkt. Misschien door de altijd aanwezige distantie en ironie, ook als hij het ongegeneerd over zichzelf als schrijver lijkt te hebben. Campert, daarnaar gevraagd: "Ik wil daar niet interessant over doen, maar het valt mij uiteraard ook op. Blijkbaar is dat een geheim dat in me zit, dat ik me los kan maken van iets waar ik toch bij betrokken ben." Zoals het ook merkwaardig is dat Campert zich flauwe grapjes kan permitteren zonder dat dat bij de lezer ergernis wekt. Cabareteske titels, lachwekkende namen voor personages (in De Harm & Mieke Kurk Story heet hij Romke Terkamp, bijvoorbeeld), fonetische taalgrapjes, koketterende quotes, boude grapjes: zijn lichtvoetige stijl kan het blijkbaar allemaal hebben. Wat bij een ander over de schreef zou zijn, lijkt bij Campert achteloos juist.

Al Camperts dichtbundels bevatten verschillende poëticale gedichten, die reflecteren over poëzie in het algemeen, of over de zijne in het bijzonder. Pogingen tot definitie, plaatsbepaling. Het begint al met 'Credo', het openingsgedicht van zijn (officiële) debuutbundel Vogels vliegen toch uit 1952: "Ik geloof in een rivier / die stroomt van zee naar de bergen / ik vraag van poëzie niet meer / dan die rivier in kaart te brengen." Enkele van die gedichten horen bij zijn beste en worden ook vaak gebloemleesd, zoals "Ik wil wel graven / naar poëzie, maar niet / te diep" en 'Poëzie is een daad', waarin onsterfelijke regels als: "Elk woord dat wordt geschreven / is een aanslag op de ouderdom." De voorbeelden komen uit oudere bundels, maar ook in de recentere blijft hij het doen: telkens opnieuw moet de poëzie in kaart worden gebracht. Zelfs al weet de dichter al dat het een vergeefse poging wordt: "alles al weten / en toch dit gedicht" luidde het in Theater (1979).

Daarnaast leest zijn verzamelde poëzie als een verslag van zijn leven, "een grote, chronologische stamppot". Maar juist het schrijven zit dat leven ingebakken. Campert: "Ik heb nog steeds moeite om het een beroep te noemen, dat is het niet, het is een manier van leven." En ook het enige huwelijk dat een leven lang standhoudt. Dwars door het puinstof en alle deining heen, ondanks alle bloedmooie vrouwen, ontiegelijke dronkenschappen en aldus aangestichte moeilijkheden: "ik ben er nooit aan ten onder gegaan, want dat schrijven redt mij er altijd weer uit."

In 1961 verscheen Camperts succesroman die "helemaal in de tijd bleek te zijn": Het leven is vurrukkulluk. Aan het slot van het boek wil een jongen per se met een paraplu uit het zolderraam springen. Hij doet het en de laatste zin luidt: "Een gevoel van geluk, zo hevig als hij het nog nooit had gekend, stroomde door hem heen en verzoende hem met bijna alles." Tegen Bibeb gaf Campert een expliciete verklaring van dat einde: "Het slot, die jongen die na het feest aan zijn paraplu langzaam naar beneden zweeft en veilig in de tuin landt! Dat is de macht van de schrijver. Het realisme uit de Nederlandse literatuur is niet voor mij."

Behalve een sprankelende roman over tijd en zeden in de vroege jaren zestig blijkt Het leven is vurrukkulluk ook een boek over het geluk en het schrijven. Campert: "Later begreep ik dat ik een geluksgevoel wilde beschrijven. En nog later begreep ik dat dat geluksgevoel het schrijven zelf was."

Ter relativering, in een ander interview: "Maar het gaat met schrijven zoals met alle plezier: je kunt het niet continu plezierig hebben, anders was ik voortdurend aan het schrijven." Eens, voor een zoveelste bloemlezing, werkte hij zijn bekende gedicht 'Poëzie is een daad' om in zijn tegendeel: "Poëzie is een daad van ontkenning. / Ik ontken dat ik leef, / dat ik niet alleen leef. Zo is ook geluk bij Campert zowel bevestiging als ontkenning, zowel ontroering als hilariteit. De rest is poëzie.

Deze vreemde ontroering die poëzie is wantrouw ik niet meer dat hebben mij geleerd de jazzmusici de wereld swingt als de pest de rest is gemompel van bedelaars.

Ter gelegenheid van Camperts zeventigste verjaardag publiceert De Bezige Bij een herdruk van Een mooie jonge vriendin en andere belevenissen (690 frank). Voorts zien speciale feestedities van de romans Het leven is vurrukkulluk en Liefdes schijnbewegingen het licht (beide à 350 frank). Wie zich een van deze drie actieboeken aanschaft, krijgt er gratis Alle dagen feest bovenop, een keuze uit Camperts verhalen uit de jaren vijftig. Op 30 september wordt Campert in Amsterdam een feestavond aangeboden, waarop onder meer Rapatan ('Lamento') zal worden gepresenteerd, een tweetalig Bahasa/Nederlandse uitgave van een veertigtal gedichten uit zijn oeuvre in Indonesische vertaling.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234