Zondag 25/07/2021

Opinie

Hard boven hart? Het debat over het goede doel

Dit Oegandees meisje lijdt aan malaria. 'De ranking is de nagel aan de doodskist van het altruïsme', betoogt Agirdag. Beeld Hollandse Hoogte
Dit Oegandees meisje lijdt aan malaria. 'De ranking is de nagel aan de doodskist van het altruïsme', betoogt Agirdag.Beeld Hollandse Hoogte

Wie liefdadig wil zijn, volgt maar beter zijn verstand. Doe goed, maar doe dat op de meest doordachte en rationele wijze, vatte Maarten Boudry de boodschap van het effectief altruïsme samen in het openingsessay van de nieuwe rubriek 'Het Kernkabinet' (Zeno, DM 5/11). "Moet het neoliberale efficiëntiedenken dan werkelijk tot in elke sfeer van ons leven doordringen? Ja, dat is exact wat moet gebeuren! Als we een betere wereld willen, hebben we meer ratio nodig, minder emotie." Orhan Agirdag, Willem Deconinck, Peter Decat en Dimitri Renmans reageren.

Orhan Agirdag: "Neoliberale liefdadigheid is onmogelijk en onwenselijk"

Orhan Agirdag is socioloog en werkt als professor aan de KU Leuven.

Maarten Boudry maakt een belangrijk punt: liefdadigheid gebeurt beter doordacht in plaats van emotioneel. Maar in tegenstelling tot wat de titel van zijn essay van zaterdag in Zeno suggereert (Bezint eer ge doneert, DM 5/11), pleit de Gentse filosoof niet zozeer voor het bezinnen, maar wel voor het berekenen. Als good practice wijst hij naar ranglijsten van goede doelen waaruit weldoeners een keuze zouden moeten maken: "Moet het neoliberale efficiëntiedenken dan werkelijk in elke sfeer van ons leven doordringen? Ja!", stelt Boudry. Maar het neoliberale model van liefdadigheid is niet alleen onmogelijk, het is eveneens onwenselijk.

Orhan Agirdag. Beeld Wouter Van Vooren
Orhan Agirdag.Beeld Wouter Van Vooren

Het is onmogelijk om de impact van alle soorten liefdadigheidsinitiatieven te meten en op één schaal met elkaar te vergelijken. Bij veel goede doelen - zeker op vlak van onderwijs - is impact immers pas zichtbaar na decennia. Geen enkel gerandomiseerd onderzoek duurt zo lang. Dus weg met initiatieven die duurzame langetermijnimpact hebben? Bovendien, op welke schaal moeten we initiatieven vergelijken die pakweg politieke gevangenen willen vrijkrijgen tegenover inspanningen ter preventie van de uitsterving van de gladde slang? Een keuze tussen goede doelen is geen kwestie van exacte berekening, maar wel van beredeneerde waardeoriëntaties. Pleit de liberale filosoof dan echt dat anderen voor ons moeten bepalen wat waardevol is? Dat lijkt me vooral een pleidooi voor onmondigheid.

Wat we hooguit homogeen kunnen vergelijken tussen verschillende initiatieven is hun kosteneffectiviteit. Men gaat hierbij dus na welk percentage van de gedoneerde euro werkelijk naar de doelen gaat. Probleem is echter dat meer kosteneffectiviteit niet noodzakelijk beter is. Neem nu GiveDirectly, een non-profitorganisatie die onvoorwaardelijk geld uitdeelt aan arme mensen. Het is zowat het meest kosteneffectieve initiatief: meer dan 90 procent van de donatie gaat naar de mensen zelf. Het is dan ook in de top 5 van de ranking waar Boudry naar verwijst.

GiveDirectly is zeer kosteneffectief omdat je geen grote infrastructuur nodig hebt om geld uit te delen. Maar of het geld ook effectief resulteert in minder armoede is nog maar de vraag. Arme mensen die eenmalig een bedrag ontvangen worden daar op lange termijn niet noodzakelijk beter van. Investeren in politieke vrijheden, onderwijs en gezondheidszorg is wellicht veel minder kosteneffectief, zeker wanneer de organisaties onafhankelijk willen blijven. Dat maakt dergelijke initiatieven niet noodzakelijk slechter.

Tot slot hollen dergelijke neoliberale constructies positieve gevolgen van liefdadigheid en altruïsme uit. Al in de jaren 70 stelde Donald Campbell dat naarmate kwantitatieve indicatoren meer worden gebruikt in het sociale domein, de indicatoren gemanipuleerd worden en een nietszeggend doel op zich worden. Bijvoorbeeld, wanneer men prestaties van leraren op basis van testresultaten van leerlingen beoordeelt, zullen leraren minder tijd spenderen om leerlingen breed te vormen maar eerder toetstechnieken doceren. Leerlingen scoren dan beter op toetsen, terwijl ze niet noodzakelijk meer weten.

Of wanneer je dokters gaat beoordelen op overlevingscijfers van de patiënten, vermijden ze net de ergste gevallen. Operatie geslaagd, patiënt overleden. Hetzelfde geldt ook voor liefdadigheid: wanneer initiatieven op basis van indicatoren gerankt worden, wordt het scoren op de ranglijsten een doel op zich, en verdwijnen altruïsme en liefdadigheid naar de achtergrond. Uiteindelijk versmalt het aanbod aan initiatieven tot wat 'rankbaar' is doordat hun impact minder meetbaar is, hoge initiële investeringen nodig zijn of doordat ze enkel op lange termijn effectief zijn. De ranking is de nagel aan de doodskist van altruïsme.

Toch onderschrijf ik een pleidooi voor meer transparantie en meer ratio op vlak van liefdadigheid en altruïsme. Maar een doorgeslagen neoliberale logica van liefdadigheid resulteert eerder in het tegengestelde van wat ze beoogt: een afrekencultuur waar niemand beter van wordt.

Willem Deconinck: "Verstandig doneren is investeren in een betere toekomst"

Willem Deconinck studeerde aan de universiteit van Wageningen en doneert aan tal van organisaties.

Bezint eer ge doneert. Onder deze titel scheef Maarten Boudry een interessant stuk in de Zeno-rubriek 'Het Kernkabinet'. Persoonlijk voel ik me sterk aangesproken, omdat ik in de periode dat ik in Wageningen (Nl) studeerde ook met een collectebus rond ben gegaan om de bewoners te vragen iets te geven 'voor het goede doel'. Achteraf heb ik vernomen dat van het verzamelde geld niets naar de vroegere kolonies was gegaan, omdat de 'organisatiekosten' van de collecte alles hadden opgesoupeerd.

De talrijke post die ik krijg van organisaties waaraan ik doneer, moeten toch ook veel geld kosten. Ik heb daar vragen bij. Meestal weten we inderdaad niet wat er echt gebeurt met het geld dat we schenken, en in hoeverre het efficiënt heeft gerendeerd. Daarom is het goed dit artikel te lezen. Iedereen heeft zo zijn prioriteiten, en elke organisatie heeft haar tactiek om aan fondswerving te doen.

Toch heb ik enkele bedenkingen. Boudry heeft het terecht over de klamboes, de muskietennetten die beletten dat de malariamuggen de slapende kinderen en hun ouders kunnen besmetten. Malaria doodt jaarlijks 500.000 mensen, het is de grootste killer in het dierenrijk. Zo'n klamboe kost 5 euro.

Maar nergens spreekt hij over de steeds toenemende wereldbevolking, die nu reeds de maximumcapaciteit van onze wereldbol overstijgt. Ik zou dus zeggen: alle prioriteit moet gaan naar onderwijs, naar contraceptie, naar klimaatbeheersing, zodat de vruchtbare alluviale laagvlakten niet onder water komen te staan. Want dan krijgen we niet alleen honderden miljoenen mensen die elders in de wereld een onderkomen moeten krijgen, maar daar bovenop nog een bijkomende schaarste aan landbouwgrond om al die mensen te voeden. Ondertussen wordt drinkbaar water almaar schaarser, en laten we toe dat de zeeën vergiftigd worden. Om van bereide voeding nog te zwijgen.

Zelfs met geld kunnen we een deel van die problemen niet oplossen, daar moet de politiek zijn verantwoordelijkheid in nemen. Maar onderwijs, contraceptie en bewustmaking van de klimaatproblematiek zijn wel thema's waarin we in eerste instantie moeten investeren.

Het is een schande dat de IPPF (International Planned Parendhood Federation) door toedoen van de Rooms-katholieke kerk en conservatieve regeringen wordt tegengewerkt en dat George W. Bush, in een land als de VS, haar subsidies afschafte. Gelukkig heeft Obama dat besluit herroepen. Maar de IPPF, die een niet-gouvernementele organisatie is, heeft een chronisch gebrek aan financiële middelen.

Volgens Boudry heeft het onderwijs in de ontwikkelingslanden vooral te maken met schoolverzuim. Dat zou, blijkt nu, voornamelijk veroorzaakt worden door ziekte: veel kinderen hebben infecties door parasitaire wormen. Door plaatselijke initiatieven met een simpel ontwormings-programma daalde het schoolverzuim met 25 procent.

Onderwijs is de sleutel tot kennis en inzicht, zodat contraceptie en klimaatbeheersing efficiënter worden.

De tijd van 'liefdadigheid' is voorbij, verstandig doneren is investeren in een betere toekomst. Misschien een ideetje voor een kerstgeschenk aan de wereld.

Peter Decat: "We mogen emotie vooral niet uitschakelen"

Peter Decat is huisarts, lesgever en onderzoeker aan de vakgroep huisartsgeneeskunde UGent. Hij schreef een doctoraat over interventie ter preventive van ongewenste zwangerschap in Latijns-Amerika en China.

Als we een betere wereld willen hebben we meer ratio nodig en minder emotie, schrijft Maarten Boudry in de Zeno van 5 november.

In tegenstelling tot Boudry pleit ik om emotie vooral niet uit te schakelen als het om steun aan welzijnsverbeterende projecten gaat. En ik roep dit nog harder na mijn doctoraatsonderzoek in Latijns-Amerika. In onze studie hebben we Boudry's gouden standaard, de gerandomiseerde proef, gebruikt om een interventie ter preventie van tienerzwangerschappen te evalueren.

Tienerzwangerschap is een volksgezondheidsprobleem in de meeste Latijns-Amerikaanse landen. Jonge meisjes worden zwanger, bevallen (abortus is bij wet verboden), moeten de school verlaten en krijgen geen eerlijke kans om zich uit de armoedespiraal te onttrekken. Ondertussen is de mannelijke vogel al lang gaan vliegen.

Twee jaar lang hebben jonge teams in drie steden (Cochabamba, Cuenca en Managua) zich uit de naad gewerkt om de meisjes aan de pil en de mannelijke leden in het condoom te krijgen. Het waren complexe interventies die zich richtten naar verschillende groepen in de samenleving. Tot onze spijt hebben we niet met cijfers kunnen aantonen dat dit project leidde tot een daling van tienerzwangerschappen. Zelfs het condoomgebruik onder jongeren was niet significant gestegen.

En toch heeft het project ontegensprekelijk iets losgeweekt. Stedelijke autoriteiten hebben tienerzwangerschap als prioriteit op de agenda gezet. Er zijn intersectorale werkgroepen opgericht. Gezondheidscentra organiseerden een spreekuur voor jongeren met vragen over seksualiteit en anticonceptie. In de slipstream van het project verdiepen jonge lokale onderzoekers verder het thema. Er is dus wel iets veranderd maar we hebben het niet kunnen meten.

Boudry zou terecht kunnen opmerken dat de interventie te complex was en dat we moeten streven naar eenvoudige controleerbare en voorspelbare projecten, type muskietennetten en ontwormingscampagnes. Als we die visie consequent doortrekken schrappen we beter alle projecten die streven naar meer democratie, gendergelijkheid, gelijkheid in gezondheidszorg, milieubewustzijn, enzovoort. Want hoe bewerkstelligen we veranderingen in menselijk gedrag, normen en maatschappelijke structuren die nodig zijn voor een meer rechtvaardige wereld? Ja juist, met complexe interventies op verschillende niveaus. En die zijn oncontroleerbaar, onvoorspelbaar en de efficiëntie is niet bewijsbaar.

Als burgers en overheden in de toekomst alleen investeren in projecten die meetbare resultaten opleveren leidt dit tot een potentieel gevaarlijk reductionisme. Zeg ik hiermee dat we moeten stoppen om de ontwikkelingsprojecten kritisch en rationeel onder de loep nemen? Bijlange niet. Een kwantitatieve evaluatie blijft een belangrijk instrument om investeringen te rechtvaardigen en te evalueren. Maar cijfers vertellen niet alles.

Een tiental jaar voordat de kleine Boudry kalenders verkocht, heb ik in een naburig dorp in de sterrenstoet meegelopen. We zongen kerstliedjes ten voordele van de Eskimo's in Groenland. Een totaal foute blanke missionaris had ons emotioneel geraakt met zijn verhalen over het harde leven in Groenland. En alle foutheid ten spijt geloof ik dat die blanke zwartrok de emotionele basis gelegd heeft voor mijn, weliswaar onbetrouwbaar, engagement in Latijns-Amerika. En misschien ook voor de emotie van onze 17-jarige dochter die naar Tanzania op inleefreis is geweest. Met haar reisgenoten organiseerde ze dit weekend een festival waar te veel bier is gedronken, plastic bekertjes werden gebruikt en de muziek luider stond dan goed is voor de oren en waarvan de opbrengst gaat naar projecten die verre van 'evidence-proofed' zijn.

De oudere broers hadden (terechte) kritiek op de stereotypering in hun Afrikaverhaal. We hebben hen vriendelijk gevraagd om ook naar de andere kant te kijken. Naar de emotionele vurigheid van die jonge gasten die niet kunnen zwijgen over wat ze hebben meegemaakt, die filosoferen over onrecht en ongelijkheid en die zichzelf overstijgen voor een evenement voor het goede doel. En over dat vuur wil ik geen blusdeken gooien met een berekening van het netto positief effect. En ik vermoed Maarten Boudry ook niet.

Dimitri Renmans: "If it is too good to be true, it probably is"

Dimitri Renmans is doctoraatsstudent die ondertussen al twee jaar rond gezondheidszorg in Oeganda werkt.

Tot tweemaal toe heeft De Morgen de afgelopen weken een plaats vrijgemaakt voor een pleidooi voor Effectief Altruïsme (EA). Dit weekend zorgde filosoof Maarten Boudry voor een doorgedreven pleidooi voor EA. Het lijkt logisch: wie goed wilt doen door te doneren, kan dit best doen door zich goed te informeren en dit te doen aan projecten die het meest effectief zijn. Uiteindelijk is helpen alleen maar helpen wanneer het echt helpt. Dus stellen de EA’ers dat je via wetenschappelijk onderzoek kan te weten komen hoeveel QALYs (simpelweg gesteld het aantal kwaliteitsvolle levensjaren) een bepaald project redt en we dan met zen allen ons geld kunnen doneren aan dit ‘beste doel’. Simpel toch? Zo simpel dat je je bijna afvraagt waarom we het niet eerder hebben bedacht.

Maar, ‘if it is too good to be true, it probably is’. De voorbeelden die Boudry aanhaalt zijn nochtans tamelijk eenvoudig. Je vergelijkt een regio waar een donor schoolboeken uitdeelt (interventie-regio) met een regio waar dit niet gebeurt (controle-regio) en vergelijkt de evolutie van schoolaanwezigheid (dit noemt men een gerandomiseerde controle proef). Je doet hetzelfde met een project rond ontworming en je vergelijkt. Als de schoolaanwezigheid sterker stijgt in het tweede project dan is dit het meest effectieve en moet je hier dus in investeren. Laten we nu dit voorbeeld nemen om de verschillende kritieken op EA te overlopen.

In het voorbeeld is schoolaanwezigheid het objectief. Je hebt echter weinig aan schoolaanwezigheid als er geen leerkrachten aanwezig zijn, het lesmateriaal ontoereikend is of de klassen overvol zitten. Het is dus beter als een project al deze zaken probeert aan te pakken. Gevolg: het programma wordt veel complexer, met meer kans op falen en problemen. Het wordt ook moeilijker om het te evalueren volgens de standaarden van de EA gemeenschap. Het indelen in controle- en interventie-regio’s is veel moeilijker als er ingrepen zijn die alle regio’s vooruithelpen, bv. verbeterde opleiding van leerkrachten. Daarom zullen simpele, unidimensionele projecten meer aandacht krijgen van EA’ers dan andere projecten, niet omdat ze effectiever zijn maar makkelijker kunnen worden geëvalueerd.

Dit brengt ons bij de volgende kritiek. Niet alleen de complexiteit van een project beïnvloedt of men iets kan evalueren of niet, ook de doelstellingen spelen een belangrijke rol. EA’ers willen alle uitkomsten kwantificeren, alles moet een cijfer hebben. De vraag is of dit mogelijk is. Het verbeteren van de lesgeefmethoden is bijvoorbeeld belangrijk om het niveau van de lessen op te krikken. Het is echter moeilijk om lesgeefmethoden te kwantificeren en dus onmogelijk om de effectiviteit van het project aan te tonen. Opnieuw zullen dit soort projecten, maar ook projecten die werken rond het verminderen van wantrouwen, het verhogen van de participatie in de maatschappij of het sensibiliseren van de bevolking minder aan bod komen bij EA’ers. Niet omdat ze minder effectiever zijn maar omdat ze moeilijk kunnen worden gekwantificeerd.

Een EA’er zal stellen dat je niet moet kijken naar het verlaagde wantrouwen, de verhoogde participatie of de toegenomen kennis, aangezien dat maar ‘tussenuitkomsten’ zijn. Het uiteindelijke doel is het verbeteren van de schooluitkomsten, hetgeen je kan testen met proeven op het einde van het jaar. Schoolaanwezigheid was uiteraard ook maar een ‘tussenuitkomst’ maar toevallig kwantificeerbaar. De vraag is dan: welke indicatoren zijn wel aanvaardbaar? Is het voldoende dat de kinderen meer leren, of moeten ze die kennis ook kunnen omzetten naar een job? Wat moeten ze geleerd hebben? Rekenen, schrijven, de geschiedenis van hun land? Moet het hen aanzetten om later meer te verdienen? Of misschien enkel ui t de armoede te blijven? Of gaan we berekenen hoeveel kwaliteitsvolle levensjaren het heeft opgeleverd? Het is duidelijk dat het kiezen van een indicator arbitrair is. Bovendien is het veel moeilijker om een effect aan te tonen op meer algemene indicatoren zoals hoeveel men verdient, omdat er zoveel andere factoren meespelen. Afhankelijk van de indicator die je gebruikt om een project te evalueren, zal je dus wel of niet effectiviteit kunnen vaststellen.

Een van de belangrijkste kritieken die hieruit volgt is dat het blijkbaar de donor is die bepaald waar de armen mee geholpen moeten worden. Misschien vindt de lokale bevolking het belangrijker dat er wordt geïnvesteerd in het lokale ziekenhuis in plaats van in de scholen. Wie zijn wij als buitenstaanders om te beslissen wat zij belangrijk moeten vinden? Kunnen wij wel weten wat in hun omstandigheid belangrijk is? Want de overgrote meerderheid onder ons heeft nog nooit in hun context moeten leven.

Het grote woord is gevallen: context. De effectiviteit van projecten wordt onderzocht in een bepaalde context, vervolgens wordt er verondersteld dat in andere contexten een gelijkaardig effect kan verwacht worden. Echter, een ontwormingskuur in een regio zonder wormpjes is weinig effectief uiteraard. Malarianetten uitdelen in vissersgemeenschappen zal misschien leiden tot een grotere visvangst maar daarom niet tot minder malaria (aangezien de netten worden gebruikt om te vissen, liever geen honger dan een verminderde kans op malaria).

EA’ers zullen stellen dat men dan in de verschillende contexten opnieuw een gerandomiseerde controle proef kan doen om de effectiviteit te evalueren. Zulke impactsevaluaties zijn echter zeer kostelijk en het is nog maar de vraag of de hulp nog wel efficiënt is als er zoveel moet geïnvesteerd worden in het onderzoeken van de effectiviteit. Een kijk op de website van GiveWell, laat zien dat de NGO DMI wordt aanbevolen vanwege hun openheid en investeringen in gerandomiseerde proeven. Dat deze impactevaluatie 300 000 US dollars extra zal kosten is blijkbaar een teken van goed gespendeerd donorgeld.

Het is natuurlijk niet allemaal negatief, dat er zoveel mensen zijn die andere totaal onbekende mensen willen helpen is een fantastisch engagement. Het is een teken van een ongelooflijke solidariteit en moet ten allen tijde geprezen worden. Ook de onderliggende aanname van EA, dat donoren moeten nadenken over hun donatiegedrag, is een heel belangrijke toevoeging aan het discours rond ontwikkelingssamenwerking. Er wordt een inspanning gevraagd van de donoren om de lokale omgeving, de problematiek en de sector te begrijpen en zelf uit te maken wat goed en slecht is. Het dwingt tot een actievere houding en mogelijks ook een breder en duurzamer engagement van die donoren. Tenslotte dwingt het de ontwikkelings- en andere organisaties tot nog meer transparantie, nog meer informeren en dit op een veel inhoudelijkere en educatieve remanier dan voorheen.

Het jammere blijft echter dat EA ervan uitgaat dat men alles kan kwantificeren en exact kan meten. Dat men perfect kan berekenen hoe effectief een bepaald project is en hoeveel levensjaren het heeft gered. Zo simpel is het uiteraard niet, maar hoe moet het dan verder? De beste investering die een donor kan doen is in een NGO die een langdurig partnerschap aangaat met de lokale bevolking, een brede strategie volgt en die op permanente basis in vraag stelt. Die het leerproces van de lokale overheden niet overneemt maar ondersteunt en er vrede mee neemt dat ontwikkeling, net zoals hier in België, met vallen opstaan vordert. Een NGO die beseft dat men best al doende leert, in samenwerking met de lokale overheden, lokale gemeenschap en (inter)nationaleacademische gemeenschap via korte terugkoppelingscycli in plaats van grote dure impactevaluaties. Op die manier kan een project veel sneller in de goede richting worden gestuurd en kan er achteraf veel interessantere en meer operationele informatie worden bekomen. Wie dan nog steeds een impactevaluatie via een gerandomiseerde proef wil doen, kan meteen veel preciezer verklaren waarom het project wel of niet effectief was en dit meenemen naar volgende projecten. Want één ding blijft essentieel: als helpen niet helpt dan is het niet helpen.

Lees ook het essay van Maarten Boudry: Niet elk goed doel is even goed

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234