Zaterdag 20/07/2019

Hans Holbein, portrettist uit nood

beeldende kunst

achtendertig portretten uit de londense periode in den haag

Hans Holbein de Jonge was een veelzijdig kunstenaar op de drempel van laatgotiek en renaissance. De in Augsburg geboren schilder en ontwerper maakte furore in Bazel, maar vooral in Londen, waar hij de hofschilder van Hendrik VIII werd. Het merendeel van zijn werk is verloren gegaan maar zijn portretten hebben de (beelden)stormen doorstaan. Achtendertig stuks uit de Londense periodes zijn te zien in het Mauritshuis.

Den Haag

Van onze medewerker

Bart Makken

Het is in zijn voordeel geweest dat veel van de door hem geportretteerde mensen nog heden tot de verbeelding spreken. Meer nog: veel van die historische figuren kennen we vooral dankzij het portret dat Hans Holbein de Jonge van hen vervaardigde. Dankzij zijn schilderijen hebben we een zeer accuraat beeld van uiterlijk en karakter van grootheden uit het begin van de zestiende eeuw als de humanisten Desiderius Erasmus en Sir Thomas More. En natuurlijk van Hendrik VIII, zijn vele vrouwen, kandidaat-echtgenotes en hovelingen.

De laatste zeven jaar van zijn betrekkelijk korte leven (het geboortejaar is 1497 of '98 en hij stierf in 1543 aan de pest) waren het comfortabelst. Hij was hofschilder, genoot een vast salaris, en er was genoeg omhanden. Aan het hof ontwierp hij decoraties van allerlei aard, voor gelegenheidsarchitectuur en zaken van langere adem. Daarvan is niets meer bewaard gebleven. Dat telt ook voor het merendeel van het werk uit zijn periode in Bazel, waar hij in 1519 zijn eigen atelier vestigde. Hij had er zijn opleiding voltooid, na eerst bij zijn vader in Augsburg in de leer geweest te zijn, en nadien wat rondgezworven te hebben in Noord-Italië.

Bazel was toen nog een goede plek voor een kunstenaar en al helemaal voor iemand die binnen de kortste keren een reputatie genoot als beste schilder van religieuze stukken. De stad Bazel liet hem de grote raadszaal beschilderen, en dat was de grootste wereldlijke opdracht die er in die tijd was te vergeven. Hij ontmoette er Erasmus, die hij minstens vier keer portretteerde. Niet dat de beroemde humanist zo ijdel was: hij stuurde ze aan bevriende geleerden. Een ervan, de (rooms-katholieke) aartsbisschop van Kantelberg, was zo onder de indruk dat hij zich in dezelfde pose ook door Holbein liet vereeuwigen om het paneel aan (de priester) Erasmus te sturen.

Aan Erasmus heeft Holbein veel te danken. Het artistieke klimaat in Bazel werd er met de nakende reformatie niet beter op, een verblijf in Parijs leverde niet de begeerde functie op aan het hof van Frans I. Alleen artistiek was de reis nuttig: hij leerde er van de Brusselaar en hofschilder Jean Clouet de lol van kleurkrijt en zag er werk van Italiaanse schilders. In 1526 vertoeft hij eerst een maand in Antwerpen (of hij als een evengrote held werd onthaald als Dürer enkele jaren eerder is onbekend) en steekt dan over naar Engeland.

Die stap durfde hij zetten dankzij de introductiebrieven van Erasmus, onder andere aan Thomas More. Daarin schreef Erasmus: "Hier is het een slecht seizoen voor de kunsten. Hij gaat naar Engeland om daar wat geld bijeen te sprokkelen." Uiteraard vergezeld met lof over 's mans kwaliteiten, en More nam de schilder op in zijn huis en bemiddelde bij opdrachten. Hij was er leuk bezig maar keerde in 1528 toch weer terug naar Bazel, mogelijk om zijn burgerrechten niet te verliezen, denkelijk uit heimwee naar vrouw en kinderen. In Bazel maakte hij de grootst mogelijke ramp mee voor een kunstenaar: de beeldenstorm in 1529 en het wegvallen van elke opdracht.

Hadden voordien katholieken, humanisten en lutheranen vreedzaam naast elkaar geleefd, het giftige klimaat dat de calvinisten verspreidden waren voor Erasmus aanleiding om nog dezelfde maand uit te wijken naar Freiburg. Holbein zou de stad pas in 1532 definitief verlaten en terugkeren naar Engeland. In Bazel, zoveel was wel duidelijk, was er geen emplooi meer voor makers van glasramen, fresco's, gevelschilderingen, laat staan altaarstukken. En als die calvinisten nu eens afkwamen met opdrachten, maar zelfs dat niet. De beeldenstorm was desastreus voor de bestaande kunstwerken en fnuikend voor het artistieke leven.

Hans Holbein kon in Londen tenminste teren op oude roem, want die genoot hij al bij leven en daar is nooit iets aan veranderd. Alleen was hij nu 'veroordeeld' tot één genre, dat van het portret. Elf jaar lang heeft hij iedereen op, om en bij het hof geschilderd, en daarbuiten kooplieden, wetenschappers en ambassadeurs. Eerst de laatsten nog in hun originele omgeving (althans, zo zien de handels- en werkplaatsen eruit) met allerlei attributen, later standaardiseerde en vereenvoudigde hij zijn productiewijze.

In de paar uren dat iemand voor hem poseerde maakte hij in krijt feilloze tekeningen van het gezicht, de rest werd schematisch aangegeven. Hij moet een goed observator geweest zijn, want het zijn psychologische portretten, ook al staren de meeste 'sitters' maar wat voor zich uit. Het eindresultaat op paneel is steeds weer verbluffend, maar vooral de stofuitdrukking is prachtig. Fluweel ís fluweel, goudbrokaat ís goud (en dat is het trouwens ook), maar vooral: het bont is zacht en dat eekhoorntje, kan ik dat aaien?

Eigenlijk is het ongerijmd dat nu juist een Nederlands museum met dit onderwerp gaat lopen: het Mauritshuis heeft zelf maar twee werken van Holbein en heeft dus 36 panelen en tekeningen en miniaturen moeten lenen. En die twee werken in de collectie worden nog betwist ook. Koning-stadhouder Willem III nam ze mee uit de familieverzameling in Londen om zijn nieuwe jachtpaleis een beetje op te fleuren. Hij koos in beide gevallen voor valkeniers en dus eerder voor de voorstelling dan voor de maker.

Ongerijmd of niet, het is er maar mooi. Alle tekeningen zijn uitgeleend door koningin Elisabeth en de schilderijen komen van links en rechts. Dan is het verleidelijk om het woord 'uniek' neer te pennen, maar daar zijn we zuinig op. De techniek van Hans Holbein is uitmuntend, weinig mensen zullen zo akelig nauwkeurig zijn afgebeeld (zoals een tijdgenoot opmerkte: "Alleen de stem ontbreekt"). Het is een prestatie, dat oeuvre en deze tentoonstelling, dat lijdt niet de minste twijfel. Maar op de eerste verdieping hangt een bruikleen uit particulier bezit, een portret door Rubens. Er zit een eeuw tussen, maar wat een verschil. Ik hoor het Holbein zeggen: "Even strak vooruit kijken, de thee komt toch pas om vier uur" en de sitter bij Rubens is te ongedurig. "Laat dat pintje nou even staan, zo kan ik u niet schilderen." Op één uitzondering na valt er aan de geportretteerden door Holbein geen levensvreugde af te lezen. Aan het hof van Hendrik VIII was je je leven natuurlijk ook niet zeker, maar voor de schilder bleven ze sereen.

Hans Holbein, nog tot en met 16 november in het Mauritshuis in Den Haag, dagelijks van 10 tot 17 uur. Catalogus 25/35 euro.

Dankzij Holbeins schilderijen hebben we een accuraat beeld van uiterlijk en karakter van grootheden uit het begin van de zestiende eeuw

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden