Maandag 25/10/2021

HaïtiNaschokken in een gebroken natie

Bon courage. Veel moed. Na een paar dagen door de puinen van Port-au-Prince te hebben getrokken is het een automatisme geworden bij het afscheidnemen van overlevenden die hun hart uitstorten. Tot maandag. Paulienna is haar naam. Ze is een van de artsen in een hospitaal van de adventisten in de zwaargetroffen wijk Carrefour. “Courage? Ik heb geen moed meer”, zegt ze. “Mijn zoontje is dood. Hij leefde nog na de aardbeving, weet je. Vier dagen lang hebben ze geprobeerd om hem te bevrijden. Beetje bij beetje duwde de bulldozer het beton weg dat hem had bedolven. Tot er een groot stuk terugviel en zijn borstkas verpletterde. Nee, ik heb géén courage meer. Ik kan alleen nog moed aan anderen geven door andere kinderen te helpen overleven. Het is het enige wat ik nog heb in dit leven.” Daarop beent ze weg. Samen met Franse brandweerartsen gaat ze breuken verzorgen in de tuin van de kliniek, waar honderden gewonden liggen.Woensdag stuurt fotograaf Bruno Stevens vanuit Jacmel, in het binnenland, een enthousiast bericht: ‘21 dagen jonge baby zopas bevrijd vanonder het puin zonder een schrammetje. Ze is herenigd met haar moeder.’ In Haïti liggen hel en hoop dicht bij elkaar.

De geur van de dood

Niets is zo penetrant als de geur van een lichaam in staat van ontbinding. Na aankomst donderdag waait de zurige walm in het gezicht als we door de heuvelachtige wijken Delmas en Christ-Roi rijden. Op de hoeken van de straten liggen lijken. Plots houdt de wagen abrupt halt voor een vrachtwagen die de weg blokkeert. We staan naast een school. De stank is niet te harden. Boven op de puinen ligt een onherkenbaar verminkt kind, dat even voor de aardbeving nog onbezorgd aan het leren of spelen was. Het beeld brandt zich in ons netvlies. Doudou, de chauffeur, kokhalst. Ik reik een stukje chocola uit mijn tas aan om eraan te snuiven. Het helpt maar een beetje. Veel journalisten en fotografen dragen de volgende dagen chirurgenmaskers. Maar de geur van de dood laat niemand zomaar los. Ze blijft in je neusvleugels hangen, masker of niet. Drie dagen later. Voor de eerste keer was ik me volledig, op het haar na dat met de natte, frisse handen achterover wordt gestreken. Meteen daarna ruiken de handen onmiskenbaar naar wat ik dacht van me af te hebben gewassen. Ook onder de honderdduizenden ontheemden zonder water moeten de geesten van de overledenen zich zo in de vezels van de levenden nestelen.

Sorry, dit kerkhof is volzet

Niets is zo onmenselijk als een mens die ook nog in de dood van zijn waardigheid wordt beroofd. In Haïti was ontmenselijking het trieste lot van de meeste aardbevingsslachtoffers. Hun stoffelijke resten lagen de eerste dagen na de aardbeving bij tientallen opgestapeld, in het mortuarium zelfs met duizenden tegelijk. Bulldozers kieperden ze als dierlijk afval in vrachtwagens van de firma CNE, die ze in massagraven dumpte. Om epidemieën te vermijden moeten alle uitgedoofde levens zo snel mogelijk worden begraven. Er is geen tijd voor een begrafenis. Er is geen tijd voor een afscheid. Voor velen is er zelfs geen tijd voor een rouwproces met familie, want ze zijn er niet meer. Niemand symboliseert dat zo treffend als twee radeloze vriendinnen in de volledige verwoeste benedenstad. Ze huilen uit op elkaars schouders. De ene vrouw heeft alle negen gezinsleden verloren, de andere alle elf. Hun kledij is hun enige materiële bezit. Zelfs de kerkhoven van Port-au-Prince kunnen de toevloed van doden niet aan. Een fotografe toont me ontzet haar beeld van een kerkhof met een bordje waarop in het Creools staat: ‘Sorry, dit kerkhof is volzet.’ Iemand heeft enkele ontbindende lichamen dan maar op straat achtergelaten, in elkaar verstrengeld, als in een laatste innige omhelzing.De brandweer van Port-au-Prince blust ondertussen ruïnes die door de bewoners in vuur en vlam worden gezet om bedolven lijken te verbranden. Een stagiair, met op zijn helm het opschrift ‘Le Petit Pompier’, vertelt dat hij al zes dergelijke branden heeft geblust. Als ze de waterkraan dichtdraaien, steekt uit het puin een verkoold been. In de buurt liggen de foto’s van een gelukkig gezin, door de aarde verzwolgen. Een week later worden in het mortuarium de doden terug in kisten aangevoerd. De firma CNE haalt in de straten weer gewoon vuilnis op.

Plunderingen

Een aardbeving verwoest niet alleen huizen of levens. Ze schakelt ook het waardenpatroon van een samenleving uit. Ontgriefd van basisvoorzieningen onstaat een Darwinistische survival of the fittest. Nergens was dat de voorbije week zo zichtbaar als in het commerciële hart van de benedenstad, dat volledig werd vernield. In de straten tussen de ingestorte kathedraal en de gebroken havenkades kropen overlevenden in de dagen na de aardbeving als mieren tussen het puin, op zoek naar voedsel en basisvoorzieningen zoals zeep en kookpannen. Ze stuurden zelfs hun kinderen op zoektocht in de kleine ruimtes, een levensgevaarlijke onderneming als je weet dat de winst soms uit niets meer bestond dan een blik tonijn. Bevreesd voor de honderden gevangenen die na de aardschok ontsnapten zette de Haïtiaanse politie van bij het begin af grof geschut in. Al op vrijdag vuren zenuwachtige agenten op mensen die niets anders doen dan te proberen een informele overlevingseconomie uit de grond te stampen. Daar vielen al doden bij. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de Haïtiaanse politie veeleer vuurt om haar macht te laten gelden dan uit noodzaak. Veel van hun commissariaten zijn vernield. Veel van hun collega’s zijn dood. Hun gezag, voor zover ze dat ooit hadden, dreigt nu volledig in te storten. Ze zouden hun tijd beter stoppen in samenwerking met de VN-politie, die ervaring heeft met crowd control en probeert om de leiders van straatbendes uit sloppenwijken zoals Cité Soleil aan te pakken. Met de huidige aanpak dreigen de dagelijkse rellen op de Boulevard Jacques Dessalines alleen maar olie op het vuur te gooien.Maar een vlotte samenwerking met de VN is door de cultuurverschillen makkelijker gezegd dan gedaan. Tijdens een kleine rel in de buurt van de luchthaven joegen blauwhelmen vorige dinsdag professioneel een opdringerige menigte uiteen. Een Haïtiaanse agent die zich in het strijdgewoel mengt wordt door een VN-agent zelf weggestuurd. Het komt net niet tot een handgemeen.

Hulpoperatie geamputeerd

De internationale hulpoperatie na de aardbeving verliep in de voorbije anderhalve week zoals de eerste hulp na de aardbeving: geïmproviseerd, chaotisch en met haastig overleg tussen de internationale partners. Je moet maar naar het ingestorte hoofdkwartier van de Verenigde Naties kijken om de paniek te vatten bij de negenduizend blauwhelmen die hier ontplooid zijn. Hun civiele leidinggevenden waren plots weggeveegd. “We wisten niet wat te doen”, zegt de Filippijnse VN-agente Maria Pajarillo ons. “We waren net aangekomen als stagair-agenten en moesten ons eerst concentreren op het redden van collega’s.” De VN-vredesmissie in Haïti (Minustah) telt nu al 46 doden en 318 vermisten. De meesten, onder wie het VN-missiehoofd en de Belgische VN-adviseur van president Préval, behoorden net tot het burgerlijke kader dat over expertise beschikt om na catastrofes zoals de aardbeving het heft in handen te nemen. In die omstandigheden was de initiële reactie van de internationale gemeenschap efficiënt. De VS namen met een militaire voorhoede de operationele leiding van de luchthaven in handen, landen als Frankrijk, Spanje en België vlogen daags na de aardbeving als eerste search and rescue- en medische urgentieteams naar Haïti. Het Belgische B-Fastteam en Franse brandweerlieden handelden snel. Zonder te wachten op bureaucratische beslissingen gooiden ze zich in de race tegen de klok om bedolven overlevenden van onder het puin te halen, met herhaaldelijk succes. Maar de volgende dagen zou vooral de aanvoer van verdere medische hulp ernstig gehinderd worden door een krachtmeting op de kleine luchthaven met weinig parking, waar een spanningsveld ontstond tussen de noden voor de veiligheidsoperatie van het Amerikaanse leger en de burgerlijke cargo’s die vanuit alle hoeken van de wereld kwamen aangevlogen. Talrijke toestellen werden omgeleid naar de Dominicaanse Republiek, in het geval van Artsen Zonder Grenzen tot drie keer toe, waardoor enkele patiënten nodeloos stierven. In de benedenstad van Port-au-Prince werd deze luchtshow met afgrijzen gadegeslagen. De vele duizenden gewonden zagen er dagenlang vliegtuigen landen op de luchthaven. Ze werden voortdurend overvlogen door helikopters, die het gebied observeerden of vips als Clinton een blik op de stad gunden. Ze zagen in de eerste dagen na de aardbeving soms meer journalisten en fotografen dan hulpverleners, op een beperkt aantal artsen van lokaal ingeplante ngo’s zoals AZG en Médecins du Monde na, die met een absoluut minimum aan middelen zoveel mogelijk slachtoffers probeerden te helpen. Ook deze professionals vroegen zich openlijk af waarom de hulp op de luchthaven bleef steken. In het begin was het makkelijk praten dat grootschalige medische hulp onderweg was, maar zaterdag, al vier dagen na de aardschok, durfde niemand nog op deze vragen te antwoorden.Voor een deel had dit te maken met een pijnlijke realiteit van de Haïtiaanse samenleving, waarbij hulpteams eerst gedirigeerd werden naar wijken van de hoofdstad zoals Pétionville omdat daar de elite haar villa’s en hotels heeft, omdat daar ook de meeste buitenlandse slachtoffers onder het puin lagen. Vorige week donderdag bewaakten VN-blauwhelmen al de ruïnes van het ingestorte, maar elitaire, Hotel Montana, waar reddingsteams de brokstukken doorzochten naar de hotelgasten. Ondertussen was er in het met gewonden overspoelde universitair ziekenhuis geen spoor van de vredesmacht te bekennen.

Van hel naar hoop

Voor een deel had dit te maken met de veiligheidsparanoia van sommige buitenlandse landenteams om de woelige benedenstad in te trekken, al dan niet aangewakkerd door het Pentagon dat sinds zijn permanente staat van oorlog sinds 2001 moet wennen aan louter humanitaire operaties waarbij er geen echte vijanden zijn. Voor een deel had dit te maken met de historische geopolitieke rivaliteit in de regio tussen bondgenoten zoals de VS, Frankrijk en Spanje om eerst hun vlag te planten, al werkten ze vervolgens voorbeeldig samen om de hulp ter plaatse te brengen. Maar het harde feit blijft dat door een gebrek aan boots on the ground in de eerste dagen mensenlevens verloren zijn gegaan. Mensen speelden ledematen kwijt die anders gered hadden kunnen worden.Nergens werd dat zo pijnlijk duidelijk als het centraal universitair hospitaal van Port-au-Prince. Bij patiënten zoals Jacqueline werd zonder verdoving het linkeronderbeen geamputeerd. Vandaag ligt ze moederziel alleen. Haar familie is haar één keer komen bezoeken en sindsdien niet meer. Ze treurt. Vrijwilligers als Bruno Allard, een Canadese onderwijzer, desinfecteerden er van woensdag tot zondag onafgebroken verwondingen zoals de openbeenbreuk van Marie-Marte Dorval. Het onderbeen van het elfjarige meisje moest uiteindelijk worden geamputeerd toen artsen van Médecins du Monde ter plaatse raakten maar eveneens kampten met een gebrek aan essentiële behoeften zoals water. Allard en de artsen zijn de tegenpolen van de buitenlandse expats die op de luchthaven elkaar verdringen om te vertrekken, ook al werden velen onder hen niet getroffen omdat hun huizen stevig waren.Dinsdag, een week na de aardbeving, bewaken VS-marines de ingang van de kliniek en helpen ze met logistieke steun zoals waterbevoorrading. Er is nu een volwaardig operatiekwartier, en meerdere ngo’s zijn er actief. Helikopters vliegen vanaf woensdag zwaargewonden naar een hospitaalschip voor de kust van Port-au-Prince. Er is weer wat hoop in de hel, zo bewijst ook het verhaal van Ronike (34) en Rosenie Charlemagne (28). Studente boekhouden Rosenie werkte op het ogenblik van de aardbeving in het economaat van de Université de Caraïbes, op de derde verdieping van het vijf etages tellende gebouw in Delmas. Daar verdiende ze als kassière haar studiegeld. Op het ogenblik van de aardbeving zakte alles rond haar als een kaartenhuis in elkaar. Toen ze bij bewustzijn kwam zat ze volledig ingekapseld en klem met haar bovenarm en onderbeen, terwijl een stuk hout haar nek verwondde. “Ik dacht dat ik ging sterven”, zegt ze nu van op een veldbed in het universitair ziekenhuis. “Ik riep om hulp en dacht dat niemand me kon horen. Ik spaarde mijn krachten. Later riep ik opnieuw en hoorde de stem van mijn broer.” Ronike: “Het was woensdagavond om elf uur. Ik was haar gaan zoeken. Meteen na haar te hebben gehoord ben ik met twee vrienden hamers, beitels en metaalzagen gaan halen, waarna we als een gek zijn beginnen kappen.” Buitenlandse hulpverleners haalde hij er niet bij. “Ik wou wel maar had geen communicatiemiddelen. Het gsm-netwerk lag nog plat.” “Ik zei voortdurend: ‘Broer, broer, ik wil niet sterven. Help me, kap sneller.’ Pas de volgende ochtend konden we elkaars gezicht voor het eerst terug zien”, zegt Rosenie. “Toen pas dronk ik voor het eerst water.” Ronike: “We hebben veel geluk gehad. Donderdag omstreeks twee uur in de namiddag konden we elkaar omhelzen.” Na hun herstel willen beiden naar hun moeder afreizen in het noordwesten van het land. Hun huis in de hoofdstad is weg. Rosalie hoopt dat ze ooit haar studies kan hervatten. Ze is bang voor wat hen morgen te wachten staat. “Als de Haïtianen zich niet samen zullen organiseren om ons land te helpen, zal de toekomst zeer moeilijk worden”, waarop ze verwijst naar de corrupte reputatie van haar overheid. “Als de buitenlandse hulp in de handen van onze leiders terechtkomt, zullen wij als slachtoffers nog meer lijden.”Woensdagochtend, 20 januari. Even over zes in de ochtend beeft de aarde opnieuw gedurende meerdere seconden met een kracht van 6.1 op de Richterschaal. Het is alsof de matras waarop ik slaap in de tuin van het Hotel Oloffson een rubberbootje wordt dat speelbal is van de golven. Uit de benedenstad rondom ons weerklinken kreten van paniek, gevolgd door gezangen vol religieuze smeekbedes. Het iconische hotel, waar Graham Greene ooit zijn roman The Comedians schreef en als setting gebruikte, doorstaat op de achtergrond ook deze schok. Eigenaar Richard A. Morse, de frontman van voodoo-rockgroep RAM, prijst de hemel. ‘Bon dieu, bon dieu’, lacht hij wrang. De technische verklaring is meer down to earth: het hotel uit het einde van de negentiende eeuw heeft stevig verankerde fundamenten, is voor grote delen gemaakt van hout en plooit dus makkelijk mee met de aarde, net zoals de diepgewortelde palmbomen waarvan de meeste de aardbeving weerstonden. Als opeenvolgende Haïtiaanse dictaturen en regeringen uit het verleden de historische bouwervaringen van hun geboortegrond hadden gerespecteerd, dan had deze aardbeving veel minder doden gemaakt.

Het puin van de apocalyps

Het is een les voor de donoren die de heropbouw moeten financieren, maar vooral voor de gebroken natie die zelf de zwaarste taak wacht. De bevolking zal door het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP) op grote schaal ingezet worden voor puinruimen en herstel van infrastructuur, tegen betaling van 5 dollar per dag. Hopelijk geldt voor deze handarbeid ook gendergelijkheid. De Haïtiaanse vrouwen zijn weerbaar. In de Avenue Christophe woelt een vrouw met een graafmachine op haar eentje het puin van een schooltje om, zodat anderen later de stoffelijke overschotten van enkele kinderen kunnen bergen. Ze doet denken aan de Trümmerfrauen die na de Tweede Wereldoorlog het puin van Berlijn hielpen ruimen.De bulldozervrouw baant zich stoïcijns een weg door het puin van deze apocalyps. De voorbijgangers kijken al niet eens meer om naar haar horror. De horror, waarvan de psychologische en sociale naschokken voor anderhalf miljoen ontheemden nog moeten volgen. De horror.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234