Vrijdag 06/12/2019
Izzeldin Abuelaish, een Palestijnse arts op vredesmissie in België.

Interview Izzeldin Abuelaish

‘Haat is een besmettelijke ziekte in het Midden-Oosten’

Izzeldin Abuelaish, een Palestijnse arts op vredesmissie in België. Beeld Lien Vandamme

De berooide Palestijnse vluchtelingenjongen Izzeldin Abuelaish uit Gaza groeide uit tot een internationaal gerespecteerde arts en professor in Toronto. Voor hij met zijn gezin naar Canada kon uitwijken, sloeg het noodlot – of juister, een Israëlische raket – onverbiddelijk toe: drie van zijn kinderen werden in hun slaapkamer gedood, een vierde zwaargewond. Sinds hun dood reist Abuelaish (65) de wereld rond met een boodschap van verzoening.

Net voor de voorstelling van de Nederlandse vertaling van zijn boek Ik zal niet haten spreekt een vrouw hem aan. Ze werpt op dat er heel wat corruptie is in door Palestijnen beheerd gebied. Abuelaish heeft zijn antwoord klaar: “Laat het aan de Palestijnen over om hun eigen interne problemen op te lossen. Het zou al fantastisch zijn indien jullie internationaal bewust zijn van het volledig scheefgetrokken evenwicht tussen Israëli’s en Palestijnen, en het totale gebrek aan bewegingsvrijheid van de Palestijnen.” 

Later in ons gesprek vergelijkt hij de scheefgelopen relaties tussen Palestijnen en Israëli’s met een ziekte. “Haat en angst zijn een epidemie in het Midden-Oosten. Ik bekijk het als een arts: eerst moet je erkennen dat je met een ernstige ziekte te maken hebt, pas dan kan je er iets aan doen.” Abuelaish is een dokter op zoek naar genezing, van zijn eigen wonden en die van zijn land.

Hoe moeten we ons een jeugd in het vluchtelingenkamp Jabalia in Gaza voorstellen?

Izzeldin Abuelaish: “Ik woonde met mijn ouders, broers en zusjes in een kamer van drie bij drie meter, meer hadden we niet. Er was geen stromend water of elektriciteit, het dak lekte soms, er was nul privacy. De stank van de latrine die we met meerdere gezinnen deelden, de pijn van een lege maag en van uitputting door het vele werk, dat hoorde bij het leven van alledag. Mijn ergste herinnering is de dood van een babyzusje. Ze kwam in een wasteil om het leven nadat een van mijn broers struikelde en op haar viel. Ik was vijf jaar en het was verschrikkelijk, die aanblik van mijn dode zusje en schreeuwende moeder. De dag erna werd mijn zusje begraven, er werd niet meer over haar gepraat.

“Ik keek in die tijd met een verlangende blik naar kinderen uit de buurt die naar de kleuterschool gingen. Ik had geen uniform en dan mocht je daar niet naartoe. Met zes jaar was het dan zover: ik mocht naar een van de vluchtelingenscholen van het UNRWA, het vluchtelingenwerk van de Verenigde Naties. We zaten met drie op één bankje en met zestig in een overbevolkte klas, maar ik was heel blij dat ik eindelijk kon leren.”

Was dat het begin van een betere kindertijd?

“Een kindertijd? Die heb ik nooit gehad. Ik was de oudste jongen van het tweede gezin van mijn vader, ik had een grote verantwoordelijkheid. Toen ik met zeven jaar naar school kon gaan, was ik ook oud genoeg om een centje bij te verdienen voor ons gezin. Mijn moeder wekte me vaak om drie uur ’s nachts om met bijeengesprokkelde voedselbonnen melk te gaan afhalen en te verkopen. Pas nadat die klantenronde erop zat, kon ik naar school. 

“Mijn huiswerk maakte ik op de vloer. Als er regendruppels door het lekke dak vielen en de inkt uitwiste op mijn blad, kon ik opnieuw beginnen. Er was niets van meubilair in huis, alleen een paar matrassen die ’s nachts neergelegd werden. Alle kinderen kropen dan samen om elkaar warm te houden, met één grote deken over ons allen.

“Op school kregen we een schriftje, een pen, een potlood en een gom, grote schatten voor mij. Op een dag was ik mijn gommetje kwijtgeraakt. Ik durfde het thuis niet te vertellen, ik zou zeker een pak rammel krijgen van mijn moeder. Zij was een grote kracht en steun in mijn leven, maar dat zij ons niet genoeg te eten kon geven, dreef haar soms tot hardheid en wanhoop. 

“Ik durfde niet naar huis en biechtte op aan de leraar dat ik mijn gom kwijt was. Hij gaf mij een nieuwe met de woorden: ‘Draag hier goed zorg voor, Izzeldin. En leer zoveel je kan. Je kan later dokter of ingenieur worden, als je maar genoeg je best doet.’ Die woorden klonken als muziek in mijn oren, er ging ineens een deur open in mijn verbeelding: zou er dan een uitweg uit de armoede zijn? Ik was nog meer gebeten om te leren en haalde de beste punten van de klas.”

Kon uw vader niet voor het gezin zorgen?

“Mijn vader werkte dag en nacht voor ons, maar dat bracht nooit genoeg op. In het dorp waar hij vandaan kwam, was de familie Abuelaish een vooraanstaande familie. Mijn grootvader Moustafa was de chef van het dorp. De naam Abuelaish betekent ‘diegene die brood, gastvrijheid en zorg aan zijn gasten geeft’. Maar nadat zijn familie in een vluchtelingenkamp terechtkwam, was ze even arm als alle andere vluchtelingenfamilies. 

Izzeldin Abuelaish (l.) met zijn vader, twee jongere broers en een halfbroer. Beeld rv

“Ik deed het ene baantje na het andere. Zo wandelde ik geregeld vijf tot zes kilometer in de vroege ochtend om, beladen als een ezel met een mand koeienmest, de drek uit te spreiden in een appelsienenboomgaard. Dan keerde ik naar huis en ging daarna naar school. Mijn benen zwollen op. Door ondervoeding en het zware werk was mijn weerstand verminderd. Op een dag kon ik gewoon niet meer opstaan. Mijn vader heeft me op zijn rug gehesen en naar een ziekenhuis in Gaza-stad gebracht. Daar zag ik dokters aan het werk, en groeide de droom om zelf dokter te worden. Een positie veroveren waarmee ik mijn familie zou kunnen helpen en zou kunnen ontsnappen aan de armoede, werden de grote drijfveren van mijn leven.

“Maar na de zesdaagse oorlog van 1967 leken mijn dromen zinloos. De situatie was nog erger dan voorheen in het vluchtelingenkamp en we hadden al onze energie nodig om te overleven. Voor je de geest kan voeden, moet je eerst de magen kunnen voeden. Ik was ontmoedigd, had een hekel aan mijn leven en ging nog maar af en toe naar school. Een van die keren, nadat ik een goed deel van de nacht gewerkt had en met een lege maag vooraan in de rij stond, viel ik flauw. Ik werd naar de leraarskamer gedragen. Ik kreeg eten en de wiskundeleraar spoorde me aan: ‘Izzeldin, geef nu niet op. Je bent een goede leerling, jij kan echt iets worden. Kom naar mij als je extra hulp nodig hebt.’ Het is het geloof van enkele leerkrachten in mij dat me letterlijk bij de les gehouden heeft. Ik droomde dat ze trots op mij zouden zijn, dat hun vertrouwen in mij niet voor niets zou zijn.”

U hebt doorgezet en werd uitgekozen om met een beurs geneeskunde te studeren in Caïro. Brak er eindelijk een beter leven aan?

“Het was onvoorstelbaar voor mij: voor het eerst had ik vrije tijd en moest ik niet werken. In Egypte had ik heerlijke, zorgeloze dagen, met alleen maar mijn studie! 

“Na zeven jaar keerde ik in 1983 met het diploma van arts terug naar Gaza. Het was feest in mijn familie. In Palestina leef en werk je nooit voor jezelf alleen, altijd voor heel je familie. Mijn succes was dat van hen allemaal. Ik vond een baan in het Nasser-ziekenhuis in Gaza. Eindelijk kon ik beter zorg dragen voor mijn familie. Jammer genoeg overleed mijn vader kort daarna, hij heeft het nauwelijks meegemaakt.

“De werkmogelijkheden in Gaza waren erg beperkt. Ik greep de kans om in een kraamkliniek in Saudi-Arabië te werken, al was dat 400 kilometer van huis. Daar kon ik me verder bekwamen in gynaecologie, mijn passie, en kon ik goed geld verdienen voor mijn familie, om mijn broers en zussen te helpen met hun studies.”

De inzet was altijd voor anderen, zo lijkt het. Nooit voor uzelf?

“Toen ik 32 jaar was, had ik genoeg geld verdiend om aan mezelf te denken en te kunnen trouwen. Mijn familie stelde verschillende jonge vrouwen aan me voor. Nadia, een jonge tandartsassistente, werd mijn bruid. Ze kwam met me mee naar Saudi-Arabië. Zo ver van haar vertrouwde omgeving leven was wel een hele stap voor haar. We kregen twee dochters, Bessan en Dalal. We hadden economische stabiliteit en er waren enkele vrienden in de buurt. 

“Het ziekenhuis in Saudi-Arabië gaf me de kans om enkele maanden naar Londen te gaan om me nog meer te specialiseren in gynaecologie. Ik keek de ogen uit mijn hoofd in Londen, een groter contrast met Gaza was moeilijk denkbaar. Nadia voelde zich intussen alleen met de kleine kinderen. Na mijn terugkeer verhuisden we op haar vraag weer naar Gaza. Daar zijn nog zes kinderen geboren.”

Hoe ellendig ook als plek zonder veel vrijheid, Gaza liet u blijkbaar niet los.

“Het is mijn thuis, de zetel van mijn ziel. Ik bouwde er samen met mijn broers een groot huis, met voor elk gezin een eigen verdieping. Wat een verschil met hoe ik opgroeide: in plaats van op elkaars lip te leven, hadden we verschillende kamers voor de kinderen: een kamer voor de grote meisjes, twee kamers voor de andere kinderen.

“Als eerste Palestijnse arts ooit kreeg ik de kans om in het Israëlische Soroka-ziekenhuis te werken. Dat was helemaal niet zo ver rijden van waar ik woonde, maar je weet nooit wanneer je door de checkpoints geraakt. Overal zijn checkpoints. En overal moeten Palestijnen uren aan een stuk wachten om door te mogen. Soms wordt er ineens beslist dat de grens die dag gesloten blijft, zonder opgave van reden. Een permissie om heen en weer te reizen van Gaza naar Israël geeft geen enkele garantie dat je er ook door mag. 

“Ik leerde geleidelijk meer grenswachten kennen en sommigen gedroegen zich vriendelijk. Maar de enige manier voor mij om in Israël te werken was vier dagen op de zeven in Israël verblijven. Nadia heeft veel alleen gestaan in de zorg voor onze kinderen; het is pijnlijk voor mij dat ik zoveel van het opgroeien van mijn kinderen gemist heb. Als ik geweten had dat ik later de helft van mijn gezin zou verliezen, zou ik elke dag bij hen hebben willen zijn om met hen te praten en hen te knuffelen... Maar ik greep toen alle kansen om mezelf verder te ontwikkelen en mijn kennis in te zetten voor mijn volk. Ik kon een jaar aan Harvard University in Amerika studeren, en behaalde er een master in public health. Mijn jongste zoon was één jaar toen ik vertrok, en twee toen ik terugkeerde. Hij herkende zijn vader niet...”

Vier jaar later overleed Nadia aan acute leukemie. Hoe heeft dit uw leven veranderd?

“Dat was een heel zwaar moment in mijn leven. Zij was mijn ruggengraat, de steunpilaar van ons gezin. Zij regelde alles in mijn afwezigheid. Nadia was al enkele weken moe, maar ze klaagde nooit. Ik heb onderschat hoe erg haar situatie was. 

“Ik was enkele weken in Brussel voor besprekingen met de Europese Unie toen Nadia opgenomen werd in het ziekenhuis. Zij wilde eerst niet dat ik dit wist. Mijn dochters hebben me toch gebeld. Bessan, onze oudste dochter, was al 21 jaar en nam veel over thuis. Tegen de tijd dat ik, na een helse terugtocht met urenlange, nodeloze vertragingen bij checkpoints, bij mijn vrouw geraakte, was ze al erg zwak. Ze lag in een Israëlisch ziekenhuis en is daar gestorven. 

“We konden de kinderen niet laten overkomen, die mochten niet door de checkpoints. Nadia is gestorven zonder afscheid te kunnen nemen van onze kinderen. Zo gauw ik terug bij de kinderen was, hebben we allemaal in één kamer bij elkaar geslapen. Onze jongste, Abdullah, was zes jaar oud. Hoe moest hij het redden zonder moeder?”

Minder dan een half jaar later, in januari 2009, bent u ook drie dochters kwijtgeraakt.

“Geen mens zou dit mogen meemaken, je geliefden kwijtraken door een raketinslag. Dit is lijden door medemensen gecreëerd. Het leven in Gaza was af-schu-we-lijk die dagen. Vanaf 27 december 2008 maakten Israëlische aanvallen elk gewoon leven onmogelijk. Mensen konden zich alleen verschuilen in hun huizen. Al het eten raakte op, bevoorrading was veel te gevaarlijk. Brandstof raakte uitgeput. Elektriciteit viel uit. Mensen durfden niet eens kaarsen aan te steken, uit schrik om de aandacht op de ramen te vestigen. We legden alle matrassen in de keuken, de meest veilige plaats in ons appartement. Er waren constant ontploffingen te horen. De ramen van ons huis waren, zoals die van de meeste huizen, al gesneuveld. 

“Het was tijdens de dag van 16 januari 2009 dat het gebeurde. Twee van mijn dochters waren met hun nichtje in hun kamer toen een ontploffing ons huis deed denderen en de trillingen door ons lichaam trokken. Een felle flits, en toen was het appartement zwart en vol stof. Ik zette de kleinste, die op mijn schouders zat, op de grond. Bessan en ik renden van de keuken naar de meisjeskamer. Ik kan niet herhalen wat ik daar zag, het zijn beelden die ik nooit meer kan vergeten (twee dochters lagen levenloos op de vloer, de ledematen verspreid; het oog van een andere dochter lag op haar wang en ze was verschillende vingers kwijt, red.)

“Ik begon te schreeuwen en liep instinctief naar beneden om hulp te roepen. Bessan bleef in de kamer en net toen ik me bij de voordeur had omgedraaid omdat ik besefte dat naar buiten gaan geen zin had, ontplofte er een tweede raket in de meisjeskamer. Bessan, mijn oudste en mijn steunpilaar sinds de dood van Nadia, was op slag dood. Drie van mijn dochters, zomaar neergemaaid.”

Hoe bent u dat te boven gekomen?

“Het scheelde slechts seconden, ik was net daarvoor nog in die kamer... Waarom was ik toen niet gedood? Waarom ben ik gespaard gebleven en Bessan niet? Het kan niet de bedoeling zijn dat hun dood voor niets geweest is. Ik weiger dat te geloven. Zoveel mensen hebben me gevraagd: ‘Haat je de Israëli’s niet?’ Haat is een besmettelijk virus in het Midden-Oosten. Maar wie moet ik dan haten? De Israëlische soldaten die gedreven werden door angst, door vooroordelen en een jarenlang gevoed vijandbeeld? Of de Israëli’s die me werk hebben gegeven toen ik een jongen was, waardoor ik mijn gezin mee kon onderhouden? 

Bessan was de oudste dochter van Izzeldin Abuelaish. Beeld rv

“Israëli’s hebben mijn dochters gedood, en Israëlische vrienden hebben er die vreselijke dag alles aan gedaan om mijn zwaargewonde dochter en andere zwaar toegetakelde familieleden tijdig in Israëlische ziekenhuizen te krijgen om hen te redden. Wat voor zin heeft het om een heel volk te haten? Geen enkel kind wordt als geweldenaar geboren, geen Israëli en geen Palestijn. Haat heeft nog nooit voor een oplossing gezorgd. Nog nooit.

“Bessan en mijn andere dochters leven voort in mij. Zij drijven mij om hun verhaal te vertellen, niet zomaar, maar in de hoop dat anderen er beter van worden. Daarom, om hen te gedenken, heb ik ‘Daughters for Life’ opgericht. Om meisjes uit het Midden-Oosten de kans te geven om verdere studies te doen, in Canada, waar ik nu woon met mijn overgebleven kinderen, of in Europa. 

“Het is een complete verspilling van tijd om in het verleden te blijven hangen, maar we kunnen wel lessen trekken uit het verleden, en proberen vooruit te gaan. Het verleden valt niet onder mijn controle. De toekomst al evenmin, we weten niet wat er nog allemaal kan gebeuren in deze gekke wereld. Het enige moment waarop we iets kunnen veranderen is het heden. Er is altijd hoop. Zolang er leven is, is er hoop.”

Hoe zijn jullie in Canada terechtgekomen, en hoe stelt uw gezin het daar?

“Tijdens die dagen van zware beschietingen, opgesloten in ons huis, heb ik lang met de kinderen gepraat over de toekomst. Die zag er zo onveilig uit in Gaza dat we, ondanks onze grote gehechtheid aan familie, besloten te vertrekken. Ik had een post als professor aangeboden gekregen aan de Universiteit van Toronto. We zouden daarheen gaan met heel ons gezin na het einde van de beschietingen.

“Samen met de kinderen die overbleven, ben ik naar daar gereisd. Met zwaar getraumatiseerde kinderen in feite, die niet lang daarvoor ook nog hun moeder verloren hadden. Kinderen die zich moesten aanpassen aan een compleet andere cultuur, een cultuur die ook nog eens verwacht dat nieuwe mensen zich vanaf dag één als ‘inburger’ van die nieuwe cultuur voelen en die geen flauw idee heeft van wat deze kinderen al hebben meegemaakt. Ik heb hen gezegd: ‘We moeten slagen, kinderen, we moeten vooruit, met in onze gedachten de spirit van jullie moeder en overleden zussen.’

“Ik ken de betekenis van het woord ‘falen’ niet. Falen is niet de tegenpool van succes. Falen is een uitnodiging om op te staan en de uitdagingen aan te gaan die zich stellen. Wij zijn geen slachtoffers, we zijn overlevers. We gaan ons leven leiden, niet ondergaan, en de pijn en verdriet gebruiken om ons in te zetten voor vrijheid, en rechtvaardigheid. Voor een wereld met meer veiligheid en vrede. 

“In hun scholen hebben verschillende van mijn kinderen de kans gekregen om hun verhaal te doen. Ze hebben steun ervaren van hun leerkrachten in Canada. Net zoals ik als arme jongen de steun kreeg van sommige leerkrachten in Gaza. De kinderen doen het heel goed in hun studies. En ik wil me ervoor blijven inzetten dat meisjes uit het Midden-Oosten, meisjes zoals mijn eigen dochters waren, zich kunnen ontwikkelen. 

“Als er ooit vrede komt in de regio, zal dat door de kracht van vrouwen zijn. Als zij erin slagen hun kinderen op te voeden zonder haat, is er dageraad aan het einde van de duisternis.”

Izzeldin Abuelaish, Ik zal niet haten, Kritak, 264 p., 21,99 euro.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234