Woensdag 24/07/2019

Guust Flater, vijftig jaar en nog altijd puberaal plezant

Deze week viert een van de populairste en voor velen beste stripfiguren zijn gouden jubileum. Vijftig jaar al duldt uitgeverij Dupuis dit even luie als vindingrijke creatuur, deze smulpaap en dierenvriend, dit jongmens dat immer klaar staat om zijn collega's te helpen en zijn meerderen te ontwijken. Deze beroemdste, innemendste en rampzaligste jongste bediende ter wereld: de jongeheer Guust Flater. Door Walter Pauli

Het gebeurde dus op 28 februari 1957. Die dag tekent André Franquin (1924-1997) in het stripblad Robbedoes een heerschap in een blauw jasje, wit hemd, strikje, keurige pantalon. Hij doet niets, hij is er gewoon. Ook de drie volgende weken zien de lezers van het weekblad het figuur ergens over de pagina's dwalen. Zonder introductie, zonder naam. Zij het dat na één week het strikje verdwenen is en het hemd open staat en dat hij zich in de derde week 'casual' kleedt, een begrip dat toen nog niet bestond.

Robbedoes was het blad van de gelijknamige held van De avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot, in de jaren vijftig een van de absolute succesreeksen in de Belgische stripwereld. Robbedoes (en zijn tekenaar Franquin) was het antwoord van Dupuis op Kuifje (en zijn tekenaar Hergé), en de mannen van Marcinelle vormden een 'school' die in alles concurreerde met de groep rond Studio Hergé. Dupuis gaf niet alleen stripbladen uit, zowel voor Vlaanderen als voor Wallonië (ook die begrippen waren nog niet zo precies afgelijnd, want de wettelijke taalgrens bestond niet eens), maar ook stripalbums. En zo zijn Tintin/Kuifje en Spirou/Robbedoes op elk vlak concurrenten.

Nu wisten de lezers van De avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot toen al dat hun twee striphelden hun brood verdienden bij de bladen van Charles Dupuis. Het verhaal De hoorn van de neushoorn (1955) begint met een telefoontje naar Kwabbernoot: "Hallo, hier is de uitgeverij Dupuis, meneer Kwabbernoot. We hebben uw artikel voor Humo net gekregen. Het is afgezaagd! Saai! Om in slaap te vallen!"

Zo jut de Humo-hoofdredactie, in de versie-Franquin, zijn journalisten op om op ultraspectaculaire scoops te jagen. Hier: zelf inbreker spelen en daarvan een livereportage maken.

Het zal nog gebeuren. In Het masker der stilte (1958) probeert Kwabbernoot bij zijn gabber Robbedoes enthousiasme te kweken voor zijn plannen: "Humoradio stuurt me op reportage! En wel naar 'Incognito-city', de strengst bewaarde stad ter wereld. De stad waar beroemdheden, sterren en miljonairs voor de pers komen schuilen." Dé uitdaging dus voor elke Humo-journalist die naam waardig om de eerste reportage te maken. Drie stroken verder zijn Robbedoes en Kwabbernoot al vertrokken.

In 1957 blijkt Kwabbernoot promotie te hebben gemaakt: de stroper die boswachter werd, de nieuwscoördinator die journalisten en bedienden verbiedt de kantjes eraf te lopen.

In de woorden van Franquin zelf: "Wie herinnert zich de Kwabbernoot nog zoals hij er in het begin bij liep? Maar het is logisch dat Kwabbernoot, die nu de verantwoordelijkheid van de redactie draagt, de stommiteiten niet meer kan tolereren die hij eerder zelf zou hebben uitgehaald."

Uiteindelijk neemt niet Kwabbernoot, maar zijn collega Robbedoes een soort 'sollicitatiegesprek' van de onbekende af:

- "Wie ben je?"

- "Guust"

- "Wat doe je hier?"

- "Ik wacht."

- "Waarop? Op wie?"

- "Weet ik niet."

- "Wie heeft je gestuurd?"

- "Ik moest komen."

- "Waarvoor moest je komen?"

- "Om te werken."

- "Hoe te werken?"

- "Weet ik niet."

- "Maar je moest toch komen?"

- "Beuh..."

Zo komt de lezer uiteindelijk de naam te weten van 'de nieuwe': Guust. Eigenlijk noemde Franquin zijn held 'Gaston Lagaffe'. Misschien dat 'Gust' daarom een betere vertaling was - ook in het Frans is 'Gaston' geen flitsende naam. Maar het werd Guust, en misschien is dat ook wel goed. Een beetje exceptionele naam voor een slungel die uitgroeit tot een uitzonderlijk strippersonage.

Zo krijgt Guust een baantje bij de bladen van Dupuis. Bij de rotatiepers, tot hij de fotogravure in de war laat lopen ("Wij willen ons bij alle lezers verontschuldigen voor de blunder die we pas merkten bij het ter perse gaan van dit nummer"). Als manusje-van-alles, tot hij erin slaagt de brandblussers in de fik te steken. Uiteindelijk wordt hij verantwoordelijke voor de achterstallige post, in een tijd dat de e-mail nog niet bestond.

Het wordt een ramp, album na album na album. De niet-gesorteerde post neemt grote omvang aan, ontelbare branden, ontploffingen, elektrocuties en overstromingen teisteren de lokalen van de firma Dupuis, en er schijnt enig probleem gerezen te zijn in het tekenen van dringende contracten met de heer De Mesmaeker.

In zijn derde (mini)album Flaters als water wordt Guust ontslagen door de heer Dupuis, nadat die hem weer eens op heterdaad betrapt. Duizenden lezers vroegen daarop de heer Dupuis Guust weer aan te nemen "op voorwaarde dat hij zich verbetert".

Zo verliep de intrede van Guust in de stripwereld: een aparte 'held' die aanvankelijk zelfs geen strookjes had, maar zomaar over de bladzijden zwierf. Die pas in 1960 voor het eerst met een eigen minialbumpje in de winkel lag. Dat was zo klein en zo afwijkend van formaat (7 bij 13 centimeter), dat de meeste verkopers dachten dat het om promotiemateriaal ging en de boekjes gratis uitdeelden... Of hoe papieren Guust het echte leven inhaalde.

Bijna stond hier: 'Of hoe deze antiheld...' Want zo heet Guust nu eenmaal bij stripliefhebbers die graag een beetje gewichtig doen over Guust. Ze situeren hem als een typisch product van de jaren zestig, de eerste held die vaak op zijn kop krijgt.

Van die wijdverspreide uitleg klopt nochtans weinig. Antihelden zijn zo oud als de strip zelf, en niet alleen als bijfiguren in sommige realistische strips (de rosse Sonny Tuckson bij de militaristisch-perfecte Buck Danny, of Steve Warson als gezel van de zowat heilige Michel Vaillant).

Al sinds de jaren veertig is Nero een antiheld met een eigen strip: een man met minstens zo veel gebreken als gaven. Niets kleinmenselijks is Nero vreemd, om nog te zwijgen van familieleden en vrienden.

Of neem Suske en Wiske. Goed, Suske is de beste leerling van de klas, maar Vandersteens echte helden zijn Wiske en Lambik, twee figuren met alle kenmerken van de antiheld. Ze zijn jaloers, wrokkig, ambitieus, ijdel en egoïstisch, maar ook grappig, volhardend en genereus, een mix die het echte leven benadert.

Als Guust al een innovatie was, dan omdat hij zijn avonturen beleefde in een dagelijks decor. Op kantoor, uiterst herkenbaar voor duizenden Belgen. Al was zelfs dat niet exceptioneel. Al in de jaren dertig had Hergé met Quick en Flupke twee Brusselse straatbengels neergezet, met de even alomtegenwoordige wijkagent, in herkenbare want realistische scènes. In jaren veertig was Willy Vandersteen al met De familie Snoek begonnen, een reeks over een doodgewone en juist daarom zo herkenbare Vlamingen. En met De avonturen van een vader en zijn zoon, gemeenzaam Bolleke geheten, tekende ook Marc Sleen zijn variant.

Wat maakt Guust dan zo uitzonderlijk? Waarom horen De familie Snoek en Bolleke tot de stoffige stripgeschiedenis en blijft Guust nog altijd herkenbaar, hilarisch?

Misschien omdat Franquin zich een verre voorloper toonde van wat Koen Meulenaere in de eerste jaren met zijn column 'Kwaad bloed' deed: de fictieve Knack-redactie als bron voor verhaaltjes, met madame Reynebeau of Lode de chef wetenschappen met een sterrenkijker op zijn zolder. Ook de Robbedoes-lezers hadden een held die het blad dat ze lazen uiterst levendig maakte.

Maar terwijl Meulenaere van in het begin varieerde op de actualiteit, deed Franquin dat niet. Bijna niet: de expo van 1958 moet zo'n indrukwekkend evenement geweest zijn dat er ook in de Guust-albums naar verwezen werd.

Zeker in Guust slaagt Franquin erin tegelijk tijdloos en realistisch te zijn. Guust zelf veroudert niet, maar het decor gaat wel met de tijd mee, van de jaren vijftig tot zeer herkenbare jaren zestig en zeventig. In de Guust-albums is de telefoon-met-draad vaste prik voor grappen (nog geen gsm, nog geen e-mail, geen dvd, geen gps, amper video...), dragen de figuren het haar wat langer in de nek, kleden ze zich in spijkerbroek, duffelcoat of parka.

En toch kijk je niet naar 'de tijd van toen', zoals bij Bolleke of De familie Snoek. Dat komt natuurlijk door het genie van Franquin, de herkenbaarheid van het Guust-universum. Het lijkt zo uit het leven gegrepen, en dan is er de Guust-twist, altijd zo verrassend dat het hilarisch wordt.

Na vijftien albums kén je het kantoor en zijn bewoners. Je weet dat er niet gelachen wordt met meneer Dupuis, de grote baas en dus immer onzichtbaar voor het gewone werkvolk (Franquin tekent hoogstens een schoenpunt). Ook voor de hyperstipte Van Gestel is er respect, het saaie hoofd van de boekhouding. Van Gestel tot tekenaar Krasser: "Neen, u krijgt geen nieuw potlood. U hebt er deze maand al één gehad." Dat type: u kent ze toch ook?

Tegen kleinere bazen wordt al een grotere mond opgezet, zoals tegen Kwabbernoot. De opvolger van Kwabbernoot - die in 1970 uit de reeks verdwijnt, als Franquin de strip Robbedoes en Kwabbernoot doorgeeft aan zijn opvolger Fournier - is Pruimpit, een man met een Volksuniebaardje, type van de kerel met een diploma en daarom iets meer waard dan een ander. Ten slotte is er De Mesmaeker, een steenrijke en zelfingenomen zakenman die ook voor de Franse lezers dezelfde Vlaamse naam heeft.

Al dat hiërarchische volk moet niet alleen Guust zelf dulden, maar ook zijn dieren (een meeuw, een kat, een goudvis, een egel en een muis) en zijn vrienden, net zo'n sujetten als Guust zelf, zoals de even onfortuinlijke als onvergetelijke Joost-van-Smith-aan-de-overkant. Ook op onze redactie heeft jarenlang een Guust gewerkt: zo herkenbaar zet Franquin zijn typetjes neer.

Telkens weer is het met Guustgags gniffelen geblazen, grinniken, soms gieren. Als Guust bijvoorbeeld de collega's wil imponeren met zijn kookkunst ("Kom eens! Ik maak voor jullie iets klaar dat de verwendste lekkerbekken doet watertanden: kabeljauw met aardbeien, mosterdmayonaise en vossenkers, met vodka geflambeerd.")

Zo op papier lijkt dat ongein voor jongens, puberaal, zelfs flauw. Maar als Franquin Guust niet alleen bovenstaande zin laat zeggen, maar hem ook tekent, zijn enthousiaste smoelwerk, de tot in de details 'juiste' paniek van zijn halsoverkop vluchtende collega's, dan weet je: dit is puntgaaf tekenwerk van een grootmeester.

Velen vinden Guust beter dan Robbedoes en Kwabbernoot en rekenen het tot het allerbeste werk van Franquin. Dat wil dus zeggen: tot de absolute top van de stripgeschiedenis (even abstractie makend van het auteurswerk van Tardi, Bourgeon, Comès en co.). Het betekent dat Guust op het niveau staat van Asterix, Blake & Mortimer, Blueberry, XIII of Corto Maltese.

Guust is topniveau. Het zijn strips die vanaf je dertiende, veertiende jaar bijzonder leuk beginnen te worden. Dat is trouwens de grote verdienste van Franquin. Niet om, zoals Walt Disney deed, het eeuwige kind in je boven te halen. Franquin kietelt de Guust in ons, de eeuwige puber, de nozem die we eigenlijk vaak nog zijn, maar niet durven, mogen en kunnen tonen.

Waarom Guust herkenbaar en hilarisch blijft? Omdat Franquin (foto) een voorloper is van Koen Meulenaere

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden