Maandag 18/01/2021

Gustav Leonhardt: niet meer feilloos, nog altijd onfeilbaar

Dat Fasolis en co. ons microgolfgewijs opgewarmde kost serveren, strekt hen niet tot eer

klassiek l Hoogten en laagten tijdens eenenveertigste editie Musica Antiqua

RUDY TAMBUYSER

Er is met aan oude muziek gewijde festivals iets bijzonders aan de hand. Ongeacht hun thema of rode draad gaan ze essentieel over complete onderdompeling. Over renaissance, zo u wilt. Of over groepscocooning, zo u niet wilt. Ze hebben dat overigens gemeen met avant-gardefestivals. Anders dan bij reguliere festivals, waar een beetje van alles te horen is, voel je je er niet helemaal bij horen wanneer je, zoals wij de jongste dagen, hier en daar grasduint in het aanbod van Musica Antiqua, al eenenveertig jaar lang het Brugse festival voor oude muziek.

De thema's van deze editie hebben vanuit louter muzikaal oogpunt geen erg bijzondere betekenis: de middagconcerten zijn gewijd aan de voortreffelijke Brugse klavecinist Ewald Demeyere, zijn muzikale vrienden en de 'Masters' uit wier werk ze bloemlezen, de avondconcerten aan J.S. Bach en zijn tijdgenoten, als thema al even voor de hand liggend als vaag.

Die vaagheid laat evenwel alle ruimte voor naar aard en geest bijzonder uiteenlopende ervaringen, zoals de avondconcerten van donderdag en zaterdag, respectievelijk door Leonhardt in Sint-Anna (HHHHH) en I Barocchisti (HH) in het Concertgebouw. Beide golden ze Bach en tijdgenoten, beide uiteraard op zogenaamd authentieke, of liever historisch respectvolle wijze. Maar ze hadden niets met elkaar te maken. Let wel: wanneer de nestor van de oude muziekbeweging, klavecinist Gustav Leonhardt, in het spel is, moeten we ons hoeden voor al te veel vergelijkingen. Met wie dan ook, met wat dan ook. Studeren helpt en talent doet dat ook, maar de manier waarop die twee in de persoon van Leonhardt versmelten met charisma, natuurlijke distinctie en geestrijkheid is eenvoudigweg uniek. Hij verzoent strengheid en zinnelijkheid; afgemetenheid en vrijheid van spreken; retorische zorg met overvloed aan adjectieven; een calvinistische kop en cantabile van onder de gordel. Niet onverdeeld goeiig, overigens: Leonhardt verving de Chaconne in e van Buxtehude door een Allemande van Christian Ritter, "omdat u de Chaconne toch allemaal wel kent". "Ik neem aan dat u akkoord gaat", zei hij nog met op het gelaat iets wat twijfelde tussen grijnzend en voorkomend.

Een ideale Bach-interpreet, kortom, al maakte hij net uit het werk van het genie der genieën een merkwaardige keuze: een aria, op Italiaanse wijze gevarieerd (BWV 989). Een stukje puik ambacht waarvan we, zonder de naam van de jeugdige Bach eronder, niet meteen zouden weten hoe interessant we het moeten vinden. Inmiddels waren echter al parels van Bachs leraar Buxtehude, Pachelbel en nonkel Couperin gepasseerd. Het blijft ongelooflijk hoe Leonhardt, op een en hetzelfde, naar klank uiterst beperkte instrument, het verschil tussen Frankrijk en Duitsland zo tastbaar maakt. Met intentie, kennis en beheersing van de tongval. Feilloos is hij niet meer, maar onfeilbaar des te meer. Zoals meestal liet de meester ons achter met de wetenschap weer wat verder ingewijd te zijn.

Wat een verschil met Diego Fasolis en zijn I Barocchisti, een van de bekendste exponenten van het oude muziekwezen in Italiaanssprekend Zwitserland. Verschafte Leonhardt ons meer inzicht in componisten die we uit gewoonte dachten te kennen, dan leek het concert van I Barocchisti wel een barokke verklanking van 'Laten we elkaar geen Liesje noemen: deze zaal zit barstensvol omdat er concerti van Vivaldi en Bach op de affiche stonden, wij gaan nu de overeenkomstige noten spelen en u geeft ons dan applaus, afgesproken?' Het muzikale gewoonterecht. Om jeuk van te krijgen.

Nochtans heeft I Barocchisti als ensemble zeker troeven. Technisch kan het erg veel aan, en een zaal waar de temperatuur niet al te gek oploopt, had zeker verholpen aan de intonatieproblemen en het concentratieverlies door het voortdurende bijstemmen. Het Latijnse karakter waar het ensemble zo trots op is, komt in die zin aan de oppervlakte dat de concerti van Vivaldi (RV 122 en nummers 8 en 10 uit Dall'Estro Armonico) veel meer overtuigden dan de Brandenburgse (nummers 2, 5 en 4) van Bach.

De reden daarvoor is duidelijk. Vivaldi schreef als violist in zijn muzikale moedertaal. Strijkers die technisch sterk genoeg zijn én graag spelen, voelen veel vanzelf in de plooi vallen. Als er al contrapunt te bespeuren valt, is het vet omlijnd. Als een instrumentpartij al iets te vet omlijnt, kan de muziek er meestal tegen. Het rockgevoel dat Fasolis zo graag en zo duidelijk wil installeren, past in zekere zin bij de eendimensionaliteit van veel van Vivaldi's bladzijden.

Die sympathieke en weliswaar gecontroleerde nonchalance in Bachs Brandenburgse concerten willen importeren is echter een dwaalspoor. Op papier spreekt deze veelgelaagde muziek voor zichzelf, maar haar ook zo doen klinken vergt hard werken. Bach spreekt namelijk niemands moedertaal, of het zou die van de Muzen zelf moeten zijn. Zijn textuur is zo rijk dat voortdurend keuzes moeten worden gemaakt om alles waarneembaar te maken. Technische volmaaktheid is daarbij niet primordiaal en vaak zelfs nagenoeg onhaalbaar, maar de geest van retoriek en combinatoriek is onontbeerlijk. Dat Fasolis daarin niet geïnteresseerd is, illustreert alleen al de wijze waarop hij in het Vijfde Brandenburgse concert de uitdagende klavierpartij behandelt. 'Zeer snel en vol van verbeelding', zo omschreef een getuige het klavecimbelspel van Bach. Zeer snel ging het inderdaad.

Heel typisch bij Bachs muziek is dat ze ondanks haar uniforme perfectie van noot tot noot toch ook hoogtepunten heeft. Die hebben vele gedaanten en lagen, maar ze hebben nagenoeg altijd met de dichtheid van de constructie te maken. Als interpreet is het de nobelste taak zowel het mechanisme als het hoogtepunt zelf als het genoegen daarin hoorbaar te maken. Dat Fasolis en co. daartoe in staat zijn, lijdt geen twijfel. Dat ze het vertikken en ons microgolfgewijs opgewarmde kost serveren, strekt hen niet tot eer.

Wie Gustav Leonhardt Wat klavecimbelwerken van Bach, Louis Couperin, Pachelbel, Buxtehude en Forqueray Waar en wanneer 29 juli in de Sint-Annakerk in Brugge Wie I Barocchisti o.l.v. Diego Fasolis Wat concerti van Bach en Vivaldi Waar en wanneer zaterdag 31 juli in Concertgebouw Brugge

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234