Maandag 02/08/2021

Groeiend verzet tegen anonieme liberaliseringsmachine genaamd WHO

DE CIVIELE SAMENLEVING MOBILISEERT VOOR SEATTLE

Hoewel de Wereldhandelsorganisatie nog maar vijf jaar oud is, roept ze al bijzonder veel weerstand op. Er zal in Seattle veel volk komen kijken om te zien welke nieuwe onderhandelingsronde er komt.

John Vandaele

De tijd dat de staten en de grote ondernemingen in alle rust onder hun beidjes de architectuur van de wereldeconomie konden ineenknutselen, lijkt voorbij. Dat blijkt althans uit het grote aantal niet-gouvernementele organisaties (ngo's) dat met minstens één oog de werkzaamheden van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) volgt. Halfweg september hadden zich al 1.114 ngo's uit 87 landen uitgesproken tegen een nieuwe onderhandelingsronde over verdere vrijmaking van de handel. Daaronder een bonte verscheidenheid van organisaties gaande van de Oostenrijkse Bergboerenvereniging over de Verenigde Staalarbeiders van Amerika tot het Vrouwen Resource Centrum uit Pakistan.

Die enorme verscheidenheid heeft die organisaties niet belet samen een verklaring te onderschrijven dat de WHO-aanpak leidt tot een concentratie van rijkdom bij een minderheid en toenemende armoede bij de meerderheid, en tot een niet-duurzame ontwikkeling. De WHO, zo heet het verder, is een ondemocratische organisatie die vooral de multinationals bevoordeelt en mag onder geen beding nog meer invloed verwerven. De ngo's willen dat wordt onderzocht welke invloed de WHO heeft op marginale gemeenschappen, ontwikkeling, democratie, milieu en gezondheid, en mensenrechten. Die bezinning moet dan leiden tot een alternatief systeem van handels- en investeringsrelaties.

Uiteraard is het erg moeilijk voor die honderden kleine en grote organisaties precies hoogte te krijgen van het duizenden pagina's omvattende WHO-akkoord dat werd ondertekend aan het slot van de Uruguay-ronde. Wat hen echter alle bindt, is het gevoel dat erg weinig mensen ten volle beseften wat in 1994 werd ondertekend door de ondertussen al 134 lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie. Daargelaten dat we zouden weten wat precies de gevolgen zijn. Wie wist bijvoorbeeld dat het akkoord een heel nieuwe vorm van internationale rechtspraak op de wereld zou afsturen die bovendien erg krachtig is omdat er (handels)sancties aan verbonden kunnen worden. Die rechtspraak heeft tot gevolg dat WHO-lidstaten over bijzonder goede argumenten moeten beschikken om buitenlandse producten de toegang tot hun grondgebied te ontzeggen. Een land kan niet langer autonoom beslissen of het hormonenvlees, genetisch gemanipuleerd voedsel of vooral bananen van kleine boeren in zijn winkelrekken wil. Het feit dat de WHO steevast beslissingen om ecologische, sociale of morele motieven ondergeschikt maakt aan het vrije verkeer - de commercie, zeg maar - heeft de voorbije jaren het protest doen aanzwellen bij milieu-ngo's, ontwikkelings-ngo's, consumentenorganisaties, boerenorganisaties, vakbonden... De lijst is onuitputtelijk.

Het meest kwetsbaar en onwetend zijn wellicht de zogenaamde inheemse volkeren. Zegt Johan Bosman van KWIA, de steungroep inheemse volkeren: "De man in de straat hier heeft al weinig benul van de WHO - ook al komt de taal en denkstijl ervan uit zijn eigen cultuur - wat is het dan voor de pygmee in het Kongolese Ituriwoud?" Nochtans kan ook die in al zijn splendid isolation getroffen worden door WH0-beslissingen. De VS eisen momenteel een totale vrijmaking van de handel in bosproducten. Bosman: "In de geest van de WHO betekent dat meteen dat werken met labels van duurzaam hout verdacht wordt. Voor de WHO is hout hout. Onderscheid maken tussen hout uit maagdelijke oerwouden, en hout uit kwekerijen, wordt moeilijk, laat staan dat je als staat niet-duurzaam hout zou gaan belasten. Dat bepaalde houtkap de leefomgeving van inheemse volkeren vernietigt, kan geen overweging zijn om de handel van dat soort hout te beperken." Slechts een elite van de inheemse volkeren zal echter in Seattle aanwezig zijn. Bosman: "De meeste inheemse volkeren hebben noch de middelen, noch de capaciteit om de WHO-bezigheden te volgen. De VS zijn een andere planeet, het WHO-jargon is een andere taal. Er wordt soms gezegd dat ontwikkelingslanden niet kunnen volgen, voor de inheemsen is dat nog veel meer het geval. Ze wegen absoluut niet."

De ervaringen van de voorbije jaren beletten dat de aanlokkelijke voorstellen van de EU voor een nieuwe ronde de ngo's overtuigen. Het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (NCOS) en Oxfam-Wereldwinkels zijn twee van de Belgische organisaties die de verklaring onderschreven. We vroegen hen of ze niet onder de indruk zijn van de Europese beloften om van deze millenniumronde een ontwikkelingsronde te maken of een ecologische ronde door het voorzorgsprincipe te verdedigen in de landbouwdiscussies. Marc Maes: "Als men uw interview met de Belgische topdiplomaat Jan Grauls leest, dan lijkt dat allemaal fantastisch, maar onze ervaringen met de vorige ronde maken ons sceptisch. De EU heeft het idee van een uitgebreide onderhandelingsronde in het leven geroepen om haar positie te versterken. Het normale werkprogramma van de WHO voorziet immers enkel onderhandelingen over landbouw en diensten. Op landbouwgebied wil de EU niets geven, en in de dienstensector is ze vragende partij, dat is een zwakke onderhandelingspositie. Door een breder pakket te maken, kan de EU geven en nemen. Bovendien schuilen achter de hoge principes heel specifieke besognes. Als de EU over het voorzorgsprincipe wil discussiëren, is dat om het hormonenvlees en de GGG's buiten te houden. Als ze over dierenwelzijn beginnen, is het om BST-melk buiten te houden. Misschien menen ze daar wel iets van, maar het is minstens evenzeer bedoeld om de publieke opinie te paaien." Ook Wendel Trio van Wereldwinkels blijft sceptisch: "Onderhandelingen over handel gaan altijd over eigenbelang. De ontwikkelingslanden hebben binnen de WHO nu wel een plaats, temeer daar de beslissingen met consensus moeten gebeuren. Toch zijn het vooral de VS en de EU die een akkoord bepalen. Bovendien worden niet alle ontwikkelingslanden democratisch bestuurd: hun leiders onderschrijven soms zaken die de bevolking niet ten goede komen. Ten slotte spreken de ontwikkelingslanden niet met een stem."

Marc Maes ziet ook inhoudelijke contradicties: "Hoe kan Europa van deze ronde een ontwikkelingsronde maken als het terzelfder tijd pleit voor het openstellen voor overheidsaanbestedingen of een nieuw investeringsakkoord? Twee zaken waar de ontwikkelingslanden niet van willen horen."

Toch blijft het de vraag hoe je als organisatie een standpunt kan innemen tegenover een akkoord dat 26.000 pagina's beslaat die bovendien constant in uitvoering, herziening en bijsturing zijn? Kan dat wel zwart-wit zijn? Feitelijk niet. Maes en Trio spreken zich dan ook niet uit over elke punt of komma van zo'n akkoord maar over de grote lijnen, en meer nog over de manier van werken. Marc Maes: "Alleen al de techniek van zo'n ronde met een eindeloze reeks thema's is slecht voor de ontwikkelingslanden. De complexiteit daarvan wordt zo enorm dat de zwakste delegaties, en dat zijn de armste landen, er hoe dan ook bij verliezen. Ze zouden beter veel minder hooi op de vork nemen en de gesprekken beperken tot een thema, bijvoorbeeld landbouw. Bovendien weten we ondertussen dat er een hemelsbreed verschil is tussen de contractuele verplichtingen in zo'n akkoord en de mooie principes die doorgaans in het voorwoord staan en niet bindend zijn."

Het landbouwdossier is voor Maes en Trio bij uitstek een dossier dat aanzet tot voorzichtigheid. Ontwikkelingslanden hebben vastgesteld - en een recente FAO-studie bevestigde het - dat ze in tegenstelling tot wat werd verwacht niet beter af zijn met het Landbouwakkoord van de Uruguay-ronde: in veel landen nam de invoer toe terwijl de uitvoer niet navenant steeg. Daarom vinden veel ontwikkelingslanden dat het beter is het bestaande akkoord eerst tegen het licht te houden vooraleer verder te gaan. Maes: "Er klopt iets niet aan de basisredenering. Als een ontwikkelingsland zijn grenzen opent, is de invoer meteen daar. Het opbouwen van een exportcapaciteit vergt evenwel jaren." Maes en Trio stellen vast dat het vorige akkoord de rijke landen op het lijf geschreven was. Dat viel niet direct op omdat de cijfers niet zijn wat ze op het eerste gezicht suggereren te zijn. Trio: "De rijke landen moeten volgens het akkoord hun exportsubsidies met 24 procent verminderen, de ontwikkelingslanden met 14 procent, maar veel ontwikkelingslanden hebben helemaal geen exportsubsidies. Wat het akkoord dus deed, was noordelijke subsidies legitimeren. Door bovendien met percentages in plaats van met werkelijke getallen te werken, behouden de landen met de hoogste subsidies hoe dan ook hun 'voorsprong'. De zogenaamde blue box - inkomenssteun voor boeren die hun productie beperken - werd door het akkoord als niet-handelsbelemmerend bestempeld. Trio: "Nochtans zouden boeren zonder deze subsidies hun prijzen moeten verhogen, en dus werkt de blue box als een verborgen subsidie."

Bovendien zeggen zelfs de percentages en cijfers niet alles. Er blijft daarnaast nog heel wat interpretatieruimte over die vooral door de rijkste landen werd benut. Trio: "De niet-tarifaire belemmeringen werden omgezet in ontzettend hoge tarieven. Dat verklaart waarom de invoertarieven voor graan in de geïndustrialiseerde landen 214 procent bedragen tegen 94 procent in de ontwikkelingslanden. Voor maïs zijn die cijfers respectievelijk 154 versus 90 procent. Feit is dat het vrijhandelsdenken op landbouwgebied een aantal simpele realiteiten buiten beschouwing laat. Te weten dat landbouw in veel arme landen een bron van werkgelegenheid en inkomen is voor de meerderheid van de bevolking en dat op korte termijn geen alternatief voorhanden is. Bovendien hebben noch de staten, noch de burgers voldoende geld om op grote schaal voedsel te kopen op de markt. Ten slotte leert de praktijk dat de markt heel dikwijls het voedsel niet binnen ieders bereik brengt terwijl voedsel, anders dan alle andere goederen, wel een absolute noodzaak is. Daarom willen de ngo's en de ontwikkelingslanden dat voedselzekerheid - het recht op voedsel of de verzekerde toegang tot voedsel - in een nieuw landbouwakkoord moet worden opgenomen. Trio gelooft dat de EU-opstelling die landbouw meerdere functies toedicht, daartoe een opening creëert: "Als Europa vindt dat landbouw naast voedselproductie ook sociale en ecologische doelstellingen te vervullen heeft, dan kan een land als India daarvan gebruikmaken om te stellen dat voor de ontwikkelingslanden landbouw ook de functie heeft voedselzekerheid te garanderen: om iedereen het recht op voedsel te verzekeren, mag een land zijn landbouw afschermen."

Het wordt een van de vele themata die de aandacht van de ngo's zullen wegdragen in Seattle. En niet enkel daar. Trio: "We hebben ondertussen geleerd dat we in het verleden te veel met die hype rond die topontmoetingen bezig waren en in de tussenperiode in slaap dommelden. We hebben ons voorgenomen de onderhandelingen te blijven volgen zodat we onze achterban kunnen blijven mobiliseren en te gepasten tijde aan de alarmbel kunnen trekken. Onze taak is dat complexe proces te vertalen naar de publieke opinie."

Waarom is de WHO-rechtspraak de enige met echte sancties? Waarom zijn commerciële afspraken zoveel gewichtiger dan sociale of ecologische? Het zijn vragen die ngo's zich stellen.

"Je hebt twee strategieën bij de ngo's", legt Wendel Trio van Oxfam-Wereldwinkels uit. "Er zijn de ngo's die vinden dat die grote internationale onderhandelingen toch nooit iets opleveren voor de zwaksten en die dus gekant zijn tegen zo'n onderhandelingen. Daarnaast zijn er ngo's die wel meedoen aan het proces in de hoop hier en daar fundamentele dingen te veranderen. De twee zijn niet noodzakelijk tegenstrijdig, maar kunnen elkaar juist versterken." Greenpeace is alvast een organisatie die zich niet verzet tegen een nieuwe WHO-ronde op voorwaarde dat die 'handelt' over duurzame ontwikkeling. De milieuorganisatie is er immers van overtuigd dat de vrijmaking van de handel - toch de kernactiviteit van de WHO - een pervers effect heeft op milieu en gezondheid. Sabina Voogd van Greenpeace International: "Niet zozeer internationale handel op zich is schadelijk, maar het huidige beleid dat handel wil vrijmaken van alle mogelijke belemmeringen, en dus ook van allerlei regelingen die mens en milieu beschermen. De panels die beslissen bij de regeling van geschillen, worden bevolkt met mensen uit de handelswereld; die zien al die beschermingsregels als strijdig met vrijhandel." Sociale en ecologische regels komen daardoor onder druk te staan. Greenpeace stelt voor om geschillen die raken aan duurzame ontwikkeling, te verwijzen naar het Internationaal Gerechtshof dat recentelijk een Internationale Milieukamer heeft gekregen. Greenpeace gelooft immers dat de WHO moeilijk hervormbaar is. Als pure handelsorganisatie kan ze moeilijk andere dan handelsoverwegingen het nodige gewicht verschaffen. Vraag is dan hoe moet worden beslist welk dispuut door welke organisatie moet worden geregeld. Een discussie zoals die over het hormonenvlees bijvoorbeeld heeft zowel gezondheidsaspecten als commerciële. Voogd: "In zo'n geval wordt het lastig beslissen waar de beslissing moet gebeuren, maar voor het hele debat over genetisch gemanipuleerde organismen zie ik eigenlijk niet in wat de WHO hier te bieden heeft. Dat thema kan veel beter beslist worden in het Bioveiligheidsprotocol van het Biodiversiteitsverdrag. De Verenigde Staten zien dat liever niet gebeuren omdat zij vooral commerciële belangen zien."

Wat Voogd hier ter discussie stelt, is de suprematie van de WHO. De WHO lijkt te primeren op de milieuakkoorden, of op de sociale conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie. Vraag is dan waaraan de WHO zoveel macht ontleent. Voogd: "De WHO is zo machtig omdat iedereen gelooft dat het er gaat om economische groei - om welvaart, zeg maar - en iedereen vindt dat belangrijk. Ten tweede heeft de organisatie veel leden. Ten slotte beschikt de WHO over een sterk mechanisme voor de regeling van geschillen omdat het sancties kan uitvaardigen." Dat laatste is niet het geval voor de milieuverdragen, en evenmin voor de Internationale Arbeidsorganisatie die nochtans al sinds 1919 bestaat. Voogd vindt dat precies over de verhouding tussen die verschillende internationale organisaties en hun respectievelijke rechtsregels moet worden gepraat in Seattle. Waarom zouden handelsregels bindend zijn, en ecologische en sociale niet? Staat de economie ten dienste van de mens of omgekeerd? Die vraag krijgt meteen een heel concrete invulling als het gaat om het voorzorgsprincipe. Voogd: "Bij hormonenvlees moet het niet Europa zijn dat moet bewijzen dat hormonen ongezond zijn maar omgekeerd, Amerika dat moet aantonen dat hormonen gezond zijn."

De internationale vakbondsorganisaties van hun kant vinden dat de WHO zijn geloofwaardigheid verliest als het thema van de arbeid niet op tafel komt in de millenniumronde. De vakbonden vinden dat het hoog tijd wordt dat de WHO een 'sociale bodem' in de werelhandel steekt door de zogenaamde sociale basisrechten in haar bepalingen op te nemen. Meer concreet zou het betekenen dat van WHO-lidstaten verondersteld wordt dat ze het recht op vereniging eerbiedigen en dwangarbeid en kinderarbeid verbieden. De VS en de EU pleiten voor zo'n sociale bepalingen, een aantal landen in het zuiden zien dergelijke sociale clausules als een vorm van verkapt protectionisme. Luc Demaret van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen wijst erop dat de vakbonden uit het zuiden niet langer die mening toegedaan zijn: "Het gaat hier niet om de instelling van een globaal minimumloon maar om het recht van de werknemers om zich te kunnen verenigen en te kunnen onderhandelen over hun loon."

'De man in de straat hier heeft al weinig benul van de WHO - ook al komt de taal en denkstijl ervan uit zijn eigen cultuur - wat is het dan voor de pygmee in het Kongolese Ituriwoud?'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234