Woensdag 27/01/2021

Graz

Aankomen in Graz. In mijn computer sluimert een roman in wording. Een van de hoofdpersonages, nochtans de grote afwezige in het verhaal, is een jongeman die in de Tweede Wereldoorlog uit naïef idealisme in het verzet verzeilt, wordt verklikt, gearresteerd, gedeporteerd. Ik baseer me op feiten, rechtstreekse getuigenissen, vergeelde briefjes en documenten. Zo krijg ik, het wil lukken, kort voor mijn afreis naar Graz - wee gij, onverbiddelijke, onbarmhartige dood - een schoolschriftje in handen, waarvan, drieënzestig jaar na datum, het zwarte kaft nog steeds glimt en de rode kleur van de bladsnede nog niet is vervaagd. Ik ontcijfer de doodziek neergekrabbelde, uitgeputte hanenpoten, aantekeningen van een jong familielid, ik ken hem van foto's op de buffetkast en uit de verhalen. Ik spel het relaas van zijn arrestatie in Antwerpen, zijn transport naar Duitse en Poolse arresthuizen, en via een ommetje in de Grazer Gestapogevangenis, zijn aankomst en verblijf in Dachau. Een hellevaart, die hij, terug thuis, met ultieme kracht heeft neergeschreven, tot hij, opgebrand, stilletjes wegsterft op de gebloemde sofa, in de armen van zijn moeder. Zoals ook de laatste zinnen in het schriftje met de zwarte kaft, in onleesbare kribbels zijn weggedeemsterd. Ik was op de hoogte van zijn omzwervingen, maar dat hij, de oom van mijn man, ook een kerker in Graz aandeed, wist ik niet. Wisten we niet. Wat een bezoek aan Graz betreft, hij was me voor.

Ik heb nochtans niet de intentie het ene met het andere te vermengen, ik wil niet alluderen op deze tragische lotgevallen. Mijn romanpersonage is geboetseerd naar het familielid, maar hij is hem niet. Ik ga het, 63 Jahre danach, niet nog een keer over het duistere verleden hebben. Daarin ben ik pertinent, ik laat de link links liggen, al zou het een handige insteek zijn. Ook hoffelijkheid tegenover het mij zo gastvrije Graz gebiedt mij ertoe. Schroom tegenover de hoofdstad van Stiermarken, op drieënnegentig kilometer ten zuiden van Mürzzuschlag, het geboortedorp van Elfriede Jelinek; op honderd kilometer noordoostelijk van Griffen, waar Peter Handke het levenslicht zag; op twee uur met de auto, noordwestelijk naar Gmunden, waar Thomas Bernhard rust.

Maar de geschiedenis eist haar recht. Mijn eerste wandeling. Ik loop door de middeleeuwse Burgtor de historische binnenstad in. Meteen bots ik haast letterlijk op een tekst die meebuigt met de kromming van het lage, witbepleisterde tongewelf. Zwarte, schreefloze woorden.

In een reflex - het is de gewenning van de herkenning - flitst door me heen: 'Kunst in de openbare ruimte... iets conceptueel'. Cryptische zinnen in een strenge typografie? Kosuth? Weiner? Toch maar lezen: 'Passant...', ik word warempel aangesproken... 'willst Du wissen, wo Du stehst? Willst Du wissen, Unschuldiger, wer Du bist? Wie Du dich krümmst, wenn Du der Macht verfällst, zu ihrem Spielball und Opfer wirst?'

Ik sta bij een installatie van kunstenaar Jochen Gerz en ze verstomt me. Een gedenkteken, herinnering aan het hoogst bedenkelijke optreden van de nationaal-socialistische Landeshauptman und Reisschsstatthalter von Steiermark, Sigfried Uiberreither. Gerz laat deze gouverneur op directe en dwingende wijze de vragen stellen van een dader. Pijnlijke vragen, over de deelname en het zwijgen van medeburgers, die zo betrouwbare en degelijke meerderheid, identiek aan de meerderheid die vandaag voorbij slentert, want iedereen die passeert wordt aangesproken, tenzij hij of zij moedwillig de blik afkeert, of verkiest de poort aan de overkant te nemen.

'Ich tat es nicht alleine. Ich tat es nicht selbst. Ich hatte Mitarbeiter. Wenn Du durch das Tor gehst, schäme Dich nicht nur für mich. Wer suchte nach mir? Wer stellte mich vor Gericht? Warum hast Du geschwiegen? Wer hat Dich zum Komplizen gemacht?'

Waar ik het vooral niet over wilde hebben, begroet me hier. Een vingerwijzing? Een wenk? Graz zelf, dat me verplicht mijn voornemen over boord te gooien?

En ik ben er nog niet. Enkele stappen verder aan het Schauspielhaus: een manshoog metalen tweeluik, links de afdruk van een oude foto, een schoolklas omgevormd tot stemlokaal. Graz 1938, die dag wordt er gekozen voor al dan niet de Anschluss, de bekroning van de Groot-Duitse gedachte, de waandroom van hem uit Branau am Inn. Op het wat wazige beeld zie je een vrouw op de rug, ze heeft een zondags hoedje op, ze staat voor de deftige heren van het kiesbureau, waarachter de foto van de nieuwe leider. Op de stemurne prijkt een vlaggetje met hakenkruis. Het zijn vrije en openbare verkiezingen, toch is geen keuze mogelijk. Op het rechtse luik weer een tekst, en of foto en tekst zich van elkaar willen afwenden, elkaar niet willen aankijken, scharnieren ze in een stompe hoek. De tekst roept op om te leren uit de geschiedenis, of het ten minste te proberen - wanneer vandaag van het belangrijkste democratische grondrecht, het stemrecht, steeds minder gebruik wordt gemaakt, het laatdunkend wordt verkwanseld.

Twaalf dergelijke tweeluiken staan over de stad verspreid. Ze tonen telkens een snapshot uit de dagelijksheid van het nazisme, aangevuld met het persoonlijke commentaar van een afgevaardigde in het lokale parlement. Ook deze tweeluiken vormen samen een installatie van Jochen Gerz. De titel: 63 Jahre danach. Natuurlijk denk ik aan het bij mij thuis opgedoken schriftje met de zwarte kaft en de rode bladsnede.

Ik zal de tweeluiken niet systematisch opzoeken. Iedere dag staat er ergens wel één me op te wachten, of loop ik er gewoon één tegen het lijf. Zo daal ik op een middag de 260 trappen van de Schloßberg af, kom op de Schloßbergplatz. Voor de zalmroze, barokke Dreifaltigkeitzkirche, wenkt mij er al één. Op de foto een jubelende mensenzee rond de grote fontein voor aartshertog Johann op de Hauptplatz. Hitlers bezoek aan de stad. Een woud van gestrekte armen, wuivend als palmtakken bij de intrede van de verlosser, een triomfantelijke intocht door wat bij Sebald heet 'een ravijn van mensen'. Een gelukkig volk, thuis in de grotere eenheid. 'Heim in's Reich', hoor ik ze scanderen. En wat verder op de Karmeliterplatz onmoet ik, in streepjesplunje, drie gevangenen uit Dachau, een van hen de latere Bundeskanzler Gorbach.

Wat mij opvalt: niemand let op de tweeluiken. Achteloos loopt men er aan voorbij. Dagelijkse passanten, oké, aannemelijk, maar van de vele toeristen die achter de opgestoken paraplu van een gids meesjokken, zie ik er niet één, die er oog voor heeft. Net zo min als een van de gidsen er de aandacht op vestigt. Ik zwaai nog even naar de gestreepte Gorbach en volg een groep door de Hartiggasse op weg naar de Dom, dé bezienswaardigheid. De Freiheitsplatz over, en weer voorbij zo'n confrontrerend tweeluik. Foto van het keurige volk in keurig wit hemd met keurige das, '1938, Mitläufer am Freiheitsplatz'. De begeleidende tekst luidt: 'Meelopen is gemakkelijker dan tegen de stroom in zwemmen'.

Ik loop mee de Dom binnen. Luistervinken. Misschien steek ik iets op. Overladen, indrukwekkende, barokke pracht. Weldoorvoede marmeren engelen met gouden bazuinen op het baldakijn boven de preekstoel. Hoogglanzende, gebombeerde biechtstoelen, als geparkeerde sierkoetsen. In gouden lettertjes meldt dr. Fernando Monge dat hij op vrijdag de zondaar in het Italiaans aanhoort, op zondag is er keuze tussen Duits, Spaans en Engels. In het oksaal het met gouden krullen omrande orgel, waarvoor een goudjubelende tweekoppige adelaar, en weer daarboven een uurwerk, in een met gekrulde verguldsels houten lijst. Opmerkelijk, deze barokke klok zo prominent aanwezig in het huis van de Almachtige. Wordt op de horloge gekeken tijdens de communicatie met God? Is dit wel gepermitteerd? Wat betekent tijd in het aanzicht van de eeuwigheid?

Graz heeft iets met tijd. Het Museum im Palais probeert het fenomeen tijd te achterhalen via associatieve combinaties. Van de eendagsvlieg tot de haast versteende galapagosschildpad. De hermelijn: in de zomer een roodbruine, in de winter een witte vacht. De rites rond geboorte, veroudering en dood. De fundamentele vragen hieromtrent. Middeleeuwse astrologische jaarkalenders, de ontdekking van de peerlamp die definitief de duisternis verdreef, en de invoering van het bandwerk, dat de bijna oneindige herhaling van een handeling mogelijk maakt.

Graz koestert zich in het alom aanwezige beeld van de Uhrturm boven de stad, de zekerheid van steeds de juiste tijd, of beter, de exacte tijd. Want wat is de juiste? In het stadsarchief vind ik de toren terug op een ansichtkaart uit 1938, steeds weer negentienhonderdachtendertig. De lieflijke stad aan de wildwater-Mur, zijn vele paleizen en kerken, de heuvel met de parken en de kazematten, maar vooral de uurtoren in een stralenkrans met hakenkruis. De opgaande zon van het Derde Rijk.

Ik wil naar het Operhaus. Fotootje in de hand: twee heren stappen uit een gebouw, twee vrouwen en een man kijken toe. De lichte kledij van de dames veronderstelt zomerweer. Een heeft haar jasje uitgetrokken, beiden hebben ze brede hoeden op. De nadrukkelijke schaduwpartijen verraden fel zonlicht. De kleinste van de twee mannen speelt portier, houdt met de nodige egards de deur open voor de lange, magere met de Tietz op zijn smalle hoofd, Richard Strauss. De kleine portier is Gustav Mahler. Mogelijk is een van de twee vrouwen Mahlers mythische echtgenote, de mooie Alma. Ik loop omheen het operagebouw, hoop dé plek te herkennen, en inderdaad, de inkepingen in de gevelbepleistering, de vorm van de deur met het kleine opstapje, geven me de quasi zekerheid dat het tafereel van formele vriendelijkheid zich afspeelde aan de achterzijde van de muziektempel.

Graz, 16 mei 1906. Richard Strauss zal in het operagebouw zijn Salomé dirigeren, 'unter persönlicher Leitung des Komponisten' meldt de affiche met gepaste trots. Een evenement waar de culturele scène met spanning naar uitkijkt. Vele gewichtige personen uit de muziekwereld hebben de verplaatsing gemaakt naar wat heet 'de provincie'.

In zijn boek The Rest is Noise, dat de ontwikkeling van de muziek in de twintigste eeuw volgt, leert Alex Ross ons dat ook Giacomo Puccini arriveert, 'om de kakofonie te aanhoren'. Arnold Schönberg komt uit Wenen, vergezeld van enkele van zijn studenten, waaronder Alban Berg, vol ongeduld, helemaal opgedraaid. Een schimmenspel van muzikale prima donna's. En de 17-jarige Adolf Hitler heeft, naar eigen zeggen, geld geleend om de reis te kunnen ondernemen. Wereldbestormers. Die laatste, in overtreffende trap.

De kracht van het conservatisme versus de fascinatie voor de moderniteit, de clash die al 1906 in de opera werd aangegaan, zet zich vandaag onbeschroomd voort. Of is het inmiddels uitgedraaid op een verzoening, al dan niet geforceerd? Soms lijkt het een fikse partij armworstelen, het conflict ligt overal op de loer.

Het statige hotel Wiesler wordt verbouwd. Het klassieke interieur in de stijl van de Wiener Secession wordt aangepast, aangetast, door het scheve timmerwerk van een jonge Nederlandse ontwerper. De waan van de dag. Men mikt op de hipsters, de trendsetters. Geen vier sterren maar vrijheid, luidt de filosofie. Zelfkwelling is niet vreemd in het Graz van Leopold von Sacher-Masoch, die er in 1870 Venus im Pelz schreef, waarna stadsgenoot en psychiater Richard von Krafft-Ebing het woord masochisme in de psychiatrie introduceerde, zeer tegen de zin van de auteur.

In het Stadtmuseum openbaart Daniel Spoerri via steekwoorden op witte kaarten een Musée Sentimental van Graz. Grazgeflüster. Alle woorden bijeen vormen het perfecte, allesomvattende beeld van de stad. Harmonie en anarchie. De hoogste uitdagingen, de laagste fantasmen van de gruwel.

Graz als intellectueel slagveld. Van nationaal-socialistische 'Stadt der Volkserhebung' tot Unesco City of Design.

Ik zei het, de geschiedenis eist zijn recht. Dus toch maar op weg met het personage uit mijn roman. Ik begin aan de lange wandeling naar de gevangenis, Justizanstalt Graz-Karlau. Ik duid het parcours aan op het stadsplan. Ik vertrek vanuit mijn verblijf in de statige woning in de Beethovengasse. Grote burgerlijke huizen, voortuinen met rozelaars en hortensia's, en aan de achterkant veel groen, oude bomen die hoog uitsteken boven de rode pannendaken. Het lijkt een beetje op de Antwerpse Cogels-Osylei, die riante negentiende-eeuwse straat in mijn stad, maar hier is er minder uiterlijke pronkzucht, geen Venetiaanse tierelantijntjes en Moorse fiorituren. Nee, het meer ingetogen beeld van hoogburgelijke deftigheid.

Ik loop een blokje om, passeer de hogeschool voor muziek, langs de anachronistische concertzaal, een boeiende structuur van spiralen, als een enorme grijze, ijzeren rugbyball, die klaarligt voor de aftrap. Gedurfd tussen al die Biedermeier. Langs de luxe bakker Hubert Auer, met zijn royaal assortiment. Hij is gevestigd in een barok paleisje, sinds 1346 wordt er gebakken. Verder, op een drie verdiepingen hoge, en metersdiepe zijgevel, op een witte achtergrond, steekt Arnold Schwarzenegger, een met de streek verbonden reus, zijn duim op. De grimas van een lach. De tanden bloot. 'Echt. Stark. Steirisch!' Hij juicht voor een lokale krant. Beetje dubieuze slogan, na z'n veropenbaarde Californische schandalen.

Minder huizen, meer leegstand. Zwerfgras op het voetpad. Reclameborden voor het snelverkeer. McDonalds lokt met '100% Rindfleisch aus Österreich!' De Carisma Bar bezit een ruimer wereldbeeld, ze prijst '30 internationale Mädchen' aan. Mijn route toont het fenomeen van hoe telkens en overal weer een stad zich afpelt. Weg van de stadskern met zijn mooie winkels, dure merkartikels, leuke, stijlvolle cafés en restaurants, musea, administratieve diensten in imposante Habsburgse gebouwen, het park, de blauwe zones in een autoluwe stad, de aangename lanen, straten met de elegante huizen en stadskastelen. Nu naar de buitenwijken van de hypermarkten, de woonkazernes, de wegknooppunten, de vage gronden, de vergeten, verwaarloosde projecten, en hier en daar als getuige van hoe het ooit was, een oud boerderijachtig huis of een dichtgespijkerd villaatje, dat de kaalslag en nieuwbouw overleefd heeft. Een perfecte plek voor de gevangenis die voor me opdaagt.

Gelige, bepleisterde gebouwen. Vierkante getraliede venstertjes. Een hoge betonnen muur eromheen. Scheermesdraad. Een kapel die de verbinding vormt tussen de vleugels. Was het hier dat hij verbleef, de oom? Het echte slachtoffer schuift even in de door mij bedachte figuur, het heeft iets onwezenlijk. Het rare is: het raakt me. Een soort treurnis voor iemand die je nooit hebt gekend. Ik had het ook toen ik niet eens zo lang geleden, voor het eerst aan het graf van mijn grootvader stond op de militaire begraafplaats in de Panne. '8 februari 1893 - 25 oktober 1914', las ik op zijn grafsteen. Gesneuveld als jonge soldaat. Mijn moeder was net geboren. Hij heeft haar nooit gezien. Zij heeft haar hele leven om hem getreurd. De impact van oorlog op mensenlevens. Daar gaat mijn nieuwe roman over.

Lunch in restaurant Hofkeller. Ik vertel mijn tafelgenote, die de stad perfect kent, het verhaal van mijn personage, de route van mijn zoektocht naar de gevangenis.

"Graz-Karlau?", vraagt ze verbouwereerd, "maar je bent helemaal fout! De politieke gevangenen die hier in de jaren veertig terechtkwamen verdwenen in de Strafgefängnis, het Polizeigefangenenhaus aan de Paulustor, dat nog altijd het politiehoofdkwartier is, en waar toen de Gestapo zat."

Ze legt me uit hoe de gevangenen van het hoofdgebouw via een directe verbinding boven de poort naar hun kerkercel in de Schlossberg werden gebracht. "Ga maar kijken", zegt ze, "je zal het begrijpen". De volgende dag wandel ik naar de stadspoort. Voorbij het volkskundemuseum, op het einde de sombere, zware gebouwen. Een beetje verder de bomen van het Stadtpark. Ik weet, in het midden bevindt zich een romantische figurenfontein, en wat dichterbij staat het wat verkommerde modernistische paviljoen van Forum Stadtpark, in de jaren zestig een broeinest van ontwrichtende gedachten, het laboratorium voor progressieve literatuur. Ik heb de routebeschrijving opgevraagd aan mijn computer. De afstand tussen de Gestapogevangenis en Forum Stadtpark is 350 meter. De zoekmachine specificeert: 56 seconden met de auto. Een schijn van tijd.

Zondag, vindt hét grote volksfeest plaats. Van heinde en verre zullen ze komen, met tienduizenden, nee, 100.000 man verwacht men, allen uitgedost volgens de traditie, de fraaiste dirndls, de knapste lederhosen. 'Aufsteirern' heet het evenement, een woordspeling met subtiel gevoel voor marketing.

De avond voor het losbarst geniet ik van een heerlijke Tafelspitz in de Welscher Stub'n nabij het Rathaus. Een gelagzaal die gezelligheid pretendeert. Tegen de muren hangen genrestukjes: zwierig geborstelde bloemstillevens en vooral veel broderiewerk. Ik zit onder een bucolisch landschap met herderinnetjes.

Aan de overkant zie ik een vreemd gezelschap. Zeven jongens en zes meisjes. Pubers. Ze hebben vier chaperones mee, drie mannen en een vrouw. Allen zijn ze gekostumeerd, hun kleren verraden dat ze iets met folklore te maken hebben. Groene of rode hesjes, witte hemden met pofmouwen, zwarte fluwelen kuitbroeken. Dansgroepje, gok ik. De kinderen, want dat zijn ze uiteindelijk toch, gedragen zich voorbeelding, rustig en beleefd. Lepelen netjes hun knödelsoep op, praten beschaafd stil, eten keurig met mes en vork. Niemand die de tafel ongepast verlaat, de boel op stelten wil zetten. Ik fixeer hen, het zijn vreemde types. Een jongen met een donkere schijn over zijn huid, blauwzwart haar, iets gypsies. Een ander waagt een punkkapsel, een oranje geverfde lok, hij draagt een oorbelletje. Huidbrand.

Onder de oudsten is een verliefd stelletje, een mooi meisje en een plompe jongen. Hij is meer verliefd dan zij. Zij wisselt stiekem blikken met de jongen over haar. De begeleiders vervullen hun oppasplicht met gestrengheid. Ze houden de boel kort. Tot een man met een baard van peper en zout, bij hen aanschuift, hij is uit op een praatje. Ik hoor hem naar hun herkomst vragen, versta het antwoord niet, maar merk hoe hij enthousiast opveert. Ze geraken verwikkeld in een intens gesprek, af en toe vang ik een woord op, 'Landsleute' en 'Erste Weltkrieg'. Ik voel nattigheid. Enkele tafels verder, volgt een man het gesprek vanachter zijn enorme ijscoupe, ik zie hem grommend zijn ijs binnenspelen, verwacht dat hij meteen opveert, maar hij focust op de kersen in de Sahne, alhoewel hij af en toe in hun richting kijkt. Blik als een donderwolk.

Ik versta 'Volksdeutschen'. Europa trekt op niks. 32 volkeren maken er een zootje van. Nee, gewoon wij onder ons, het zou zo veel beter gaan. De aandacht van de begeleiding verslapt, ze zijn te druk bezig met problemen van staatkundige orde. De plompe jongen krijgt permissie om even de benen te strekken. Zijn meisje profiteert van dit moment voor intens blikkenspel naar haar overbuur. Ik reken af en ga naar buiten. Op straat staat de jongen, hij rookt een sigaret. Ik vraag of zij morgen optreden. "Ja, stimmt", ze dansen. Dus toch. En van waar komen jullie? "Aus Rumänien". Ik wens hem veel 'Erfolg', maar ben perplex. Helemaal uit de Banaat, denk ik, en het herinnert me eraan dat Ademschommel van Hertha Müller in mijn tas zit.

'Jetzt geht's los! Aufsteirern!' Ik ga de straat op, samen met tienduizenden anderen, richting oude stad. Ik loop tussen vrolijke families in traditionele, feestelijke klederdracht, veel mooie vrouwen met zwierige, kleurrijke dirndls, prachtig paars en groen. Trots op hun 'Tracht'. Mannen, de lederhosen in vele verschillende modellen, pijpen boven en onder de knie, slobberende kousen en hemden, die op schouderhoogte de stad met geruite katoenen vichystof lijken te overspannen. Ook vrouwen, vooral jonge, dragen de hertenleren broek. Ik kan me inbeelden dat mannen dat sexy vinden.

Een podium op de Tummerplatz. De zachte Dreivierteltakt van een kleine 'Blaskapelle'. Hun optreden zit er op. Er wordt een Tanzgruppe aangekondigd. Helemaal uit Hausmannstätten (!), een dorpje ten zuiden van Graz. Ze oefenen al maanden om vandaag hun gloednieuwe repertoire te tonen. Een verfrissende visie op de Schuhplattler, de dijenkletsvoetzooldans die wij, o zo verwaande West-Europeanen, eerder tot de karikatuur catalogeren dan tot het culturele erfgoed. Het is hoogst ongebruikelijk dat meisjes dit meedansen. Die traditie wordt vandaag doorbroken. Met z'n elf stappen ze prompt de Bühne op, de duimen achter de bretellen van de lederhosen die ze allen dragen, 'die Burschen und die Mädel'.

Enthousiast keelgeluid, indianenkreten, rondedansjes, huppelen, springen en terwijl kletsen, tussen en onder de ledematen, die daarbij even in de lucht zweven. Ik kijk naar het volksballet, naar lachende gezichten, kinderen die vooraan op de plavuizen zitten en alles gespannen gadeslaan. Een ander olijk rondedansje volgt, waarbij ze mekaars vilten hoed doorgeven, hem op het hoofd van hun voorganger zetten. Het lijkt ingewikkeld, maar oefening baart kunst!

Naast het podium, rechts, hoger tegen een statige Habsburgse gevel, hangt een wit doek met de merkwaardige regel: 'Der Nacht ist nicht schwarz und der Himmel kein Reich', een citaat van Gerhard Rühm. Avant-garde in de publieke ruimte. Opnieuw.

In het gedrum stoot een man me aan, hij heeft een hoed op met een geweldige gemsbaard, eerder een scheerkwast, die hij draagt met een waardigheid, alsof het een bijzonder ereteken geldt. Over zijn schouder hangt een jachthoorn. Jagersgroen overheerst. Ik blijf haken bij de tekst van Rühm, hoog boven deze vierende hoofden. Mijn man met de jachthoorn, heeft hij, al is het maar even, oog gehad voor de artistieke boodschap? En hoe ziet zijn hemel eruit? Heeft hij een Reich? Vindt hij dat, net als ik, een beladen woord? Is dit een geconditioneerde reflex mijnentwege? Zoals ook: 'Lange Nacht der Museen', een promotiecampagne op een billboard wat verder, met één toegangsticket kan je 660 musea over heel Oostenrijk bezoeken. Of zinspeelde het reclamebureau inderdaad op De Nacht van de Lange Messen?

De hele stad in klederdracht, van boreling tot hoogbejaarde. In mijn strakke zwarte jurk ben ik een buitenbeentje, samen met vier zwaar gesluierde meisjes, die nogal uitdagend, ostentatief met vier breeduit naast elkaar blijven lopen - zo het vlot passeren tussen de menigte belemmeren, terwijl ik achter hen vorderend de geuren opsnuif van de braadtentjes, Schwammerlgoulasch mit Knödel, Käferbohnensalat im Brotteigschüssel. Exotische klanken, ik slaag er niet in ze uit te spreken. Van overal weerklinkt muziek, flarden van liedjes. Ik ben omringd door bont gewriemel. Ik moet me hier niet cynisch doorploeteren, praat ik me aan. Geen besmuikt lachje, alsjeblieft geen opgetrokken wenkbrauw! Uiterlijke trekjes van ergernis, iets wat op verwaandheid van mijn kant zou kunnen duiden, ik berg het allemaal in mijn tasje. Vermaan me neutraal op te stellen, beter, om mee te zijn. Dit gebeuren, al wat ik rond me zie, is het verkennen van de eigen identiteit en is er de bevestiging van, houd ik me voor. Het zich afzetten tegen de mondiale eenheidsworst, tegen de globale afvlakking, tegen het platwalsen van het onderscheid. Wringt dit schijnbaar particularistische gedrag niet met de gedachte van Europese eenwording? Of is het juist de illustratie van wat de Gaulle bedoelde met 'l'Europe des Nations'? Eenheid in verscheidenheid.

Ik denk aan wat Cees Nooteboom bijna twintig jaar geleden schreef in De filosoof zonder ogen: '"Volkseigen", een woord dat naar schurft wees, maar tegelijkertijd naar traditie, behoud in de zin van bewaren, niet weggooien, nog een tijd in de tijd laten bestaan'.

In mijn thuisstad trekken duizenden jongeren naar festivals om de typische klanken van stokoude Cubanen te aanhoren, de volksrituelen uit Burkina Faso worden aangegaapt, ze veren op bij percussie uit het Rif-gebergte. En ik loop hier door de Altstadt van Graz, het is volksfeest, ik plaats overal vraagtekens en bemerkingen, want mijn cultureel correcte reflex verplicht me daartoe. Ik zie allerlei verdachts. Vermoed retrograad denken. Nostalgie naar duistere tijden. Die mensen zijn toch in hun 'Heimat'?

Ik wil een fris hoofd. Bezoek het Kunsthaus, dat lijkt aangespoeld als een gepolijste zwerfkei uit de kolkende rivier, de Mur, of als een walvis, of een octopus met zuignappen. Of een reusachtige apennoot. Geen enkele verwijzing naar de omringende geklasseerde architectuur van de binnenstad. Ik zag het voor mijn vertrek op foto's, gefotografeerd vanaf de Schloßberg. Een alles overheersende mastodont, een enorme ingreep in wat de grootste middeleeuwse binnenstad in Midden-Europa is, opgenomen in de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Kan dit, dacht ik. Maar hoe discreet ingeplant is dit prachtige gebouw in werkelijkheid. Aan de rivierkant door een bomenrij verborgen en aan de straatkant verdwijnt het deels achter een neoklassiek pand met ijzeren constructie, waar het dan ook weer mee verbonden is. Een onopvallende meerwaarde voor de omgeving. De Chinese kunstenaar Ai Weiwei exposeert er. Je komt hem in de hele stad tegen, op affiches, terwijl een vaas hem ontglipt. Een urne uit de Han-dynastie. Het is de middelste foto van een triptiek, waar op de eerste de vaas nog basculeert tussen zijn vingers, en op de derde de potscherven aan zijn voeten liggen. Weer de tijd. In mootjes, demonstratief gefaseerd.

Ik zie foto's van Weiweis New Yorkse tijd. 1988, protest omheen Tompkins Square Park tegen sociale verdringing door de yuppies van de real estate. Ik was daar ook. Ik luisterde naar Allen Ginsberg, tekende argeloos een petitie, waardoor ik twee jaar lang gratis het partijorgaan van de Amerikaanse communistische partij in mijn brievenbus in Antwerpen vond. Mijn vervlogen tijd.

Op een avond brengt een shuttle me van het Kunsthaus naar het theater. Ik taxeer het gezelschap op zijn vestimentaire aspect. In de bus geen 'Trachten', maar bestudeerde nonchalance in jeans van een merk. Zwart met wit, Jil Sander. Dure rafels of vintage. De dresscode van de liefhebbers van alles wat het adjectief hedendaags of eigentijds krijgt opgespeld.

In de schouwburg de routine van de vlotte amicale begroeting, de praatjes en het voorcommentaar in kleine, elegante groepjes, prosecco bij de hand. Het is een beproefd ceremonieel, een rollenspel. Een andere ritueel dan bij het 'Aufsteirern', maar evengoed een ritueel. Naar de voorstelling wordt met een ernst toegeleefd, men wil ze ervaren als een hoogmis in een sfeer van gewichtigheid en het wij-onder-elkaar-samenhorigheidsgevoel. Ik behoor ook tot die categorie, maar hier ken ik niemand, dus ik observeer. De deuren gaan open, de zaal slokt het publiek op. Ik zit op de tribune in een grote zwarte doos, wachtend op de eigentijdse balletvoorstelling. Met zang. De dansers zullen zingen, de zangers dansen.

Ik kijk in de zwarte diepte, ik pier, ik ontrafel de duisternis. Geschuifel. Slechts een vermoeden van beweging. Schelle en zoetgevooisde keelgeluiden wisselen af. Ontwaar ik een lichaam? Is de zanger-danser naakt? Ik pijnig mijn ogen. Zoals Goethe, 'Mehr Licht!', wil ik roepen.

Ik gok, mogelijk tien, vijftien mensen die zingend naderen. Ik veronderstel arm-en-beenbewegingen. In de schimmigheid komen ze me voor als de dijenkletsvoetzooldans. Een halfuur later, nog steeds dat zwart. Ik voel ongedurigheid en wrevel op de tribune. Langzaam, heel langzaam wordt het publiek een beetje meer zichtbaarheid vergund. Even langzaam als Graz zijn talloze aspecten aan mij openbaart en ik mondjesmaat mezelf tegenkom.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234