Zaterdag 15/08/2020

Granta ’s Werelds beste literaire tijdschrift

oen John Freeman in 1999 voor het eerst de Verenigde Staten verliet, was zijn bestemming Amsterdam. Als echte boekenwurm liet hij de coffeeshops links liggen en bracht hij uren door in boekhandel Athenaeum, die tot zijn verbazing een betere Engelstalige collectie in huis had dan de meeste boekwinkels in zijn thuisland. Elf jaar later is Freeman na een bliksemcarrière als criticus hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Granta, en staan we samen opnieuw voor de etalage van Athenaeum. Deze is volledig gevuld met alle 112 nummers die Granta uitbracht sinds de herlancering van het blad in 1979. Op de fraai vormgegeven covers springen de namen in het oog van beroemde medewerkers als Raymond Carver, Milan Kundera, Ian McEwan en Salman Rushdie. Ook zien we de legendarische edities uit 1983, 1993 en 2003, waarin Granta werk publiceerde van de twintig meest veelbelovende jonge schrijvers van dat moment, auteurs die nu vrijwel allemaal beroemd zijn. En er is uiteraard een prominente plek ingeruimd voor het Pakistannummer, dat Freeman hier vanavond komt voorstellen. “Schitterend toch”, zegt hij, zichtbaar geroerd. “Wist je dat je in Amerika tegenwoordig voor etalageruimte moet betalen?” Als we even later op een nabijgelegen terras direct een plekje aan het water vinden, is Freeman helemaal in zijn sas: “Man, ik hou van deze stad!”

Je bent twee jaar geleden begonnen als hoofdredacteur bij Granta in Londen, nadat je eerder de Amerikaanse poot had geleid. Werd je meteen geaccepteerd in Engeland?

Freeman: “Absoluut. Ik heb weinig aanpassingsproblemen gehad. De grootste verandering voor mij was eigenlijk dat ik in een kantoor moest werken. Als criticus was ik altijd gewend geweest om thuis te zitten. Uiteraard zijn er wel cultuurverschillen. Zo keek ik er wel van op dat iedereen in Londen om halfzeven als een raket richting pub schiet. In Amerika blijft iedereen tot acht uur op kantoor, ook al is er niets te doen... (lacht) Maar dat zijn natuurlijk kleinigheden. Vergeet ook niet dat er altijd een sterke Amerikaanse invloed is geweest bij Granta. Het blad is in 1889 begonnen als studentenmagazine aan de universiteit van Cambridge, maar de man die het eind jaren ’70 heeft geherlanceerd, Bill Buford, was een Amerikaan.”

Buford is een legendarische naam in de literaire wereld. Heb je nog last van zijn schaduw?

“Nee, dat gevoel heb ik niet. Hij was een briljante redacteur, en een man met visie. Zo iemand heb je nodig om een blad op te zetten. Ik ben misschien minder uitgesproken in mijn opvattingen dan hij, maar ik denk niet dat dat per se een nadeel is. Ik ben weer heel erg van het overleg, en ik heb een goed team om me heen.”

Zijn de omstandigheden waarin hij het blad maakte vergelijkbaar met die van nu?

“Nee, die omstandigheden zijn totaal onvergelijkbaar. Het internet heeft onze branche compleet veranderd. De jaren ’80 en ’90 waren een gouden tijd voor literaire tijdschriften. Ze hadden volop abonnees, er was geen online concurrentie, en lezers waren heel nieuwsgierig naar de buitenwereld. Het internet heeft de lezer veel meer opties gegeven, en de advertentiemarkt ingrijpend gewijzigd. Daar komt nog bij dat ook de kwaliteitsboekhandel, een belangrijk distributiekanaal, het moeilijk heeft. Alles bij elkaar heeft dat tot een behoorlijk slagveld geleid. Veel bladen, zoals The Paris Review, zijn non-profits geworden. Andere legden het loodje. De problemen beperken zich trouwens niet tot tijdschriften. Ook vrijwel alle boekenbijlagen in de Amerikaanse kranten zijn de laatste jaren wegbezuinigd.”

Hoe onttrekken jullie je aan die malaise?

“Dat doen we niet. Ook wij hebben het moeilijk, maar we hebben het geluk dat we een rijke eigenaresse hebben. Granta is in 2007 overgenomen door de Zweedse filantrope Sigrid Rausing, een fantastische vrouw die echt van boeken houdt. Zonder haar zouden we heel hard moeten trappelen om het hoofd boven water te houden. Dat doen we nu trouwens ook. Door ons uit de naad te werken kunnen we net break-even draaien. (wrang lachje) Niemand verdient momenteel grof geld in deze business.”

Dus stel, ik ben een jonge Hemingway en ik wil met een paar gelijkgestemden een literair tijdschrift opzetten. Dan zeg jij: niet doen?

“Nee. Wel doen! Het kan best als je het klein houdt. Als je duizend enthousiaste lezers vindt die abonnee willen worden, kun je break-even draaien of zelfs enige winst maken. Pas als je groter wilt worden beginnen de problemen, want dan moet je marges afstaan aan distributeurs en boekhandels.

Het zijn juist de middelgrote bladen die het momenteel het moeilijkst hebben. Word je echt groot, dan ziet het plaatje er weer wat interessanter uit.”

Hoe proberen jullie je aan te passen aan het digitale tijdperk?

“We doen heel veel. We hebben een website, we werken aan toepassingen voor de iPad en de Kindle, en we zitten op Twitter en Facebook. Je kunt in deze tijd niet anders meer, ook niet als literair tijdschrift. Je kunt geen stenen tabletten meer uitdelen en zeggen: dit is goede literatuur. Lezers van nu verwachten dat ze bijna persoonlijk contact kunnen hebben met de publicatie of de auteur waarvan ze houden. Ze willen reageren, interactief zijn. Dat betekent niet dat we polls organiseren over welke thema’s we moeten behandelen, maar we beseffen wel dat we contact moeten onderhouden met onze lezers op een manier waarop dat nooit eerder hoefde.”

Is dat ook de reden dat je hier vandaag bent?

“Ja, ik geloof erg in persoonlijke ontmoetingen. Je kunt nog zulke mooie dingen doen op het internet, ze moeten ook altijd een levende component hebben. Dat zie je ook bij politieke organisaties: initiatieven die alleen digitaal zijn, sterven doorgaans snel uit. Vandaar dat we de laatste jaren zijn begonnen met het organiseren van manifestaties en bijeenkomsten rond onze nummers. Voor het Pakistannummer hebben we deze week vijf evenementen gehad in Londen, binnenkort volgen er drie in New York, en in oktober ga ik naar Pakistan voor bijeenkomsten in Lahore en Karachi.”

Wat moeten we ons voorstellen bij die evenementen?

“Dat varieert heel erg. Vooropstaat dat ze mensen de gelegenheid moeten geven om samen te komen en over het nummer te praten. Bijeenkomsten waarop schrijvers alleen voorlezen en hun boeken signeren zijn denk ik passé, behalve misschien voor de heel grote auteurs. In Londen hebben we deze week abonnees uitgenodigd voor een etentje met auteurs van het Pakistannummer. Daarnaast was er bijvoorbeeld een paneldiscussie in het Asia House en een dance-party in Oost-Londen, waar geld werd ingezameld voor de slachtoffers van de overstromingen. En in New York gaan we naar de Columbia Journalism School.”

Had de keuze voor Pakistan als thema iets met de overstromingen te maken?

“Nee, in het geheel niet. Het nummer lag zelfs al bij de drukker toen de ramp plaatsvond. Dat soort beslissingen worden bij ons meestal een jaar op voorhand genomen.”

Hoe komt zo’n keuze dan wel tot stand?

“Ik denk dat een nummer over Pakistan prima past in onze internationale profilering. Granta begon ooit met een sterke focus op Angelsaksische literatuur, en op het ontdekken van jong literair talent. Met die formule zijn we het beste literaire tijdschrift ter wereld geworden. Maar als we dat willen blijven, moeten we onze missie uitbreiden naar de rest van de wereld. We zullen literair talent moeten vinden waar het zich ook bevindt. Of dat nu in Amerika is, in Australië of in Pakistan.”

Vandaar ook de internationale edities die jullie uitbrengen?

“Inderdaad. We hebben er nu drie, in Brazilië, Spanje en Italië. De Spaanse editie loopt al acht jaar, en is heel succesvol voor ons en onze Spaanse partners. Zij nemen gewoonlijk vijftig procent van hun inhoud over van ons, en de rest bestaat uit werk van jonge Spaanse auteurs. Dat blijkt voor hen commercieel een aantrekkelijke formule. Voor ons is het ook heel interessant, want zo komen wij weer in aanraking met veelbelovende Spaanse schrijvers. Binnenkort brengen we een editie uit met Young Spanish Novelists.”

Bestaat er een kans dat er ooit een Nederlandstalige Granta komt?

“Die kans bestaat zeker. Sterker nog, ik hoop daar vandaag nog een aantal mensen over te spreken. Ik loop al een tijdje met het idee rond omdat ik als criticus altijd veel Nederlandstalig werk heb gerecenseerd: Oscar van den Boogaard, Arthur Japin, Cees Nooteboom, Arnon Grunberg. De laatste woonde trouwens bij mij in de buurt in New York. Ook in Vlaanderen zit veel talent weet ik. Ik heb laatst nog een tip gekregen over een verhalenbundel van Joost Vandecasteele. Een obstakel voor een Nederlandstalige editie is dat zoveel mensen hier Engels lezen. Maar daar zullen we ons niet door laten tegenhouden.”

Exclusief

speciaal aan de lezers van ‘De Morgen’ biedt ‘Granta’ een korting op zijn magazine, surf naar

www.granta.com/demorgen10

Van zieltogend studentenblaadje tot legendarisch magazine

lWie Granta zegt, zegt Bill Buford. De legendarische Amerikaan, die tegenwoordig bij The New Yorker werkt, greep in 1979 de macht bij Granta, en vormde het zieltogende blaadje om tot een tijdschrift van internationale allure.

lDe eerste nummers knipte en plakte hij nog zelf in elkaar op zijn studentenkamer in Cambridge, maar met zijn verhaalgerichte aanpak boekte hij al spoedig succes aan beide kanten van de Oceaan.

lFinancieel had Buford aanvankelijk weinig te bieden, maar met zijn bravoure wist hij zowel gevestigde auteurs als jong talent aan zich te binden. Voor het laatste had hij een neusje, zo bleek.

lIn Granta nummer drie publiceerde hij een tekst van de tot dan toe volslagen onbekende Salman Rushdie. Twee jaar later pakte hij voor het eerst uit met een lijst met veelbelovende jonge Britse auteurs. Daarop prijkten de namen van Martin Amis, Ian McEwan, Julian Barnes, Kazuo Ishiguro en Pat Barker.

lGevoel voor marketing had Buford eveneens, zo bleek uit het nummer Dirty Realism uit 1983. Onder die op zich vrij vage term bracht hij een aantal schrijvers samen die niemand eerder aan elkaar had gelinkt, zoals Richard Ford, Raymond Carver en Tobias Wolff.

lOver Bufords drinkgedrag en rokkenjagerij doen vele fantastische verhalen de ronde, net als over zijn voortdurende geworstel met deadlines, en de genadeloze manier waarop hij in stukken knipte. Auteur Ed White zei ooit dat hij nooit beseft had dat hij een minimalist was tot hij Buford ontmoette.

lIn 1995 werd Buford opgevolgd door Ian Jack.

lHij droeg het stokje in 2007 over aan Jason Cowley, die een jaar later werd opgevolgd door John Freeman.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234