Donderdag 20/01/2022

Goed design heeft niets spectaculairs

Mensen doen vaak alsof het een erg recente uitvinding is, maar design bestaat al langer dan vandaag. En niet alleen meubeldesign. Neem bijvoorbeeld het metroplan van Londen. Die heldere tweedimensionale voorstelling in verschillende kleuren die je je moeiteloos in je geest kunt prenten, is in die mate een perfecte handleiding om ondergronds te circuleren dat je er zelfs bij vergeet dat het plan boven de grond niet meer klopt. De schaal en de rechte kleurlijnen, de hoeken van 45 graden, beantwoorden niet aan de realiteit. Het plannetje is een visuele abstractie van de opeenvolging van stations, geen betrouwbare plattegrond. De relatie tot de échte metropool is arbitrair en imaginair.

Christelle Méplon

et Londense metroplan is opgenomen in het onlangs verschenen Design. Icons of the 20th Century (Prestel, 2000), een selectie van mijlpalen in de geschiedenis van het design. Ooit telde de Londense metro 165 onafhankelijke maatschappijen. Elk met eigen uniformen, eigen bewegwijzering, eigen stations. Tot in 1931 de eerste algemene manager, Frank Pick, zich voornam om die chaos te rationaliseren. Kalligraaf Edward Johnston ontwierp de belettering en het logo, de rode cirkel met de balk die zeventig jaar later nog altijd een herkenningspunt in het Londense straatbeeld vormt. Een elektricien, Harry Beck, tekende op eigen initiatief het metroplan, dat hem was ingegeven door het diagram van een elektronisch circuit. Zo werd een efficiënte manier gevonden om een huisstijl of bedrijfsidentiteit te visualiseren, om optimaal met het publiek te communiceren. Op dat moment had design al niets meer te maken met de nobele aspiraties uit het verleden om het volk meer smaak en cultuur bij te brengen.

Voor mij ligt nu een ander metroplannetje. Het raster van drie horizontale en drie verticale banen in hippe technokleurtjes verbeeldt het grondplan van de Millennium-Biënnale in Kortrijk, Interieur 2000. Het plannetje zegt wellicht even veel of weinig over de werkelijke biënnale (13-22 oktober) als het metroplan van Londen over de werkelijke metropool. Om te beginnen brengt het alleen de nevenmanifestaties in kaart, niet de 220 exposanten die elk met een eigen stand in de Xpo-gebouwen zullen wedijveren om de aandacht van de bezoeker. Ook dit metroplannetje is een voorbeeld van intelligent design, het suggereert een samenhang en creëert bruikbare oriëntatiepunten in een schier onoverzichtelijke, onvoorspelbare chaos. "Zelfs wij kunnen vandaag slechts bij benadering bevroeden wat (de 220 exposanten) op Interieur zullen neerplanten", stelde Interieur-directeur Max Borka, de opvolger van Interieur-commissaris Marc Dubois, enkele weken voor de aanvang van de beurs in een perstekst. Het metroplan werd ontwikkeld door het architectenduo uapS, Anne Mie Depuydt en Erik Vandaele en is het opvallendste aspect van de restyling van Interieur Kortrijk. In de vorige edities tekende Christian Kieckens telkens het grondplan. Een brede, centrale rambla sneed toen dwars door de vijf hallen van het beurscomplex. Het gaf de beurs de structuur van een oude Europese stad met een duidelijk hiërarchisch centrum, zoals Barcelona.

Het nieuwe metroplan dat voor Interieur 2000 is uitgewerkt, doet die hiërarchie voor een stuk teniet. De culturele evenementen zijn niet langer geconcentreerd rond de kern. Ze vormen een netwerk en deinen uit over zeven hallen. Niemand hoeft zich op die manier nog tot de periferie verbannen voelen. In theorie bestaat die periferie immers niet meer. Max Borka formuleert het als volgt: "Interieur is de volmaakte metafoor voor de eigentijdse metropool", een stad "als een gigantische supermarkt", "een eindeloos grid, rechttoe rechtaan, van modulaire eenheden", "waarin het centrum zich overal en nergens bevindt". Die metafoor van het open netwerk, waaraan de voor de hand liggende thema's van mobiliteit en nomadisme worden gekoppeld, is zo breed toepasbaar dat elk willekeurig ontwerp er logischerwijze in zou moeten passen. Maar dat is niet de traditie op Interieur, waar strenge selectieregels van kracht zijn. Alleen maakt die metafoor van het gedecentraliseerde continuüm het zo goed als onmogelijk om te begrijpen welke intrinsieke criteria of kwaliteiten gehanteerd werden in de selectie. Zowel de oude, intellectuele generatie radicale Italiaanse theoretici als Andrea Branzi, Ettore Sottsass en Massimo Morozzi als de jonge generatie die zich veeleer afkeert van theorie en ideologie is in de nevenevenementen vertegenwoordigd. Zelfs Jan Hoet is van de partij. Wellicht om de stelling te illustreren dat "er geen sector meer denkbaar is, ook de kunst niet, waarvan de mechanismen niet door de wetmatigheden van het design worden gedicteerd - en door zijn vele spinn-offs (sic), of die nu mode, reclame, gentrification, consultancy of citymarketing mogen heten". Maar de moeilijkheid met die abstracte verklaring is dezelfde als die met de metafoor van de oneindige stad. Ze is veel te allesomvattend. Ze zegt daarom alles én niets. We vernemen niets over het onderscheid tussen design als een integrale, multidisciplinaire aanpak van een productie- én communicatieproces enerzijds en design als oppervlakkige styling, holle verpakking anderzijds. Niets over het min of meer wenselijke verband tussen de essentie van een product en de aard van de communicatie errond. Het verschil tussen een tweedimensionale en driedimensionale wereld, tussen beurs en plannetje zeg maar, schijnt bijkomstig te zijn. Wat Max Borka over de tentoonstellingen zegt, is in dat opzicht trouwens verhelderend. Die zullen op gigantische wanden van elk meer dan honderd meter lang en drie meter hoog langs de metrobanen uitgewerkt zijn. "In de taal van design zelf, de reclametaal, die culturele met commerciële argumentaties combineert, en de biënnale door haar street credibility nog meer het karakter van een metropool (kan) meegeven. De reclametaal wil overigens niet verhelderen of verklaren. Ze mystificeert."

Mystificatie! Het geeft me een beetje het gevoel dat we op Interieur blootgesteld zullen worden aan allerlei aura's, ongrijpbare machten en mysterieuze stralingen in plaats van aan nieuwe gebruiksproducten, meubelen, woon- en inrichtingsideeën. Wat niet wegneemt dat de thema's van de "spetterende billboards" op zich veelbelovend klinken. Wat trouwens evenzeer geldt voor de driedimensionale projecten in de vijf 'Hothouses' die tussen de standen over het biënnaleterrein verspreid staan. Het zijn transparante, glazen huizen (serres eigenlijk) die de Belgische ontwerper Casimir tekende voor Mini-Flat. Ook de toelichtingen van de ontwerpers die uitgenodigd werden om in de Hothouses een woonconcept te ontwikkelen, Casimir, Matali Crasset, Alfredo Häberli, Karim Rashid en Ilkka Suppanen, klinken geruststellend. Ze hebben het over functies, technische details, praktische en sensuele eigenschappen van meubelobjecten, veranderende leefgewoonten, veranderende typologieën, het industrieel proces, comfort en duurzaamheid. Kortom, dingen die met design te maken lijken te hebben, en niet met mystificatie en andere geëxalteerde vormen van wazigheid.

Eigenlijk toont Interieur 2000 twee gezichten. Enerzijds gaat het prat op zijn strenge selectie: de enige beurs die kandidaat-deelnemers durft te weren. Dat heet uniek in Europa te zijn en garant te staan voor het hoge niveau van de biënnale. Anderzijds drukt de curator zich uit in metaforen die hiërarchiserende criteria en dus selectie verwerpen. Als Borka het over een open grid heeft, bedoelt hij een netwerk waarin "de tentoonstellingen via onderhuidse patronen niet alleen voortdurend met elkaar maar ook met de stands van de exposanten zouden interfereren, elkaar zouden becommentariëren, loven of tegenspreken, roddels zouden uitwisselen of elkaar zouden ridiculiseren." Design definieert Borka als volgt: "Het verschil tussen design en het doordeweekse meubel ligt hem in het feit dat design een brandpunt is waarin het industriële spel van vraag en aanbod zich mengt met de allerlaatste evoluties binnen een reeks sectoren die meestal tot het culturele veld gerekend worden - kunst, architectuur, ruimtelijke ordening, filosofie, sociologie en psychologie, media, marketing, muziek en mode." Design is met andere woorden vooral heel cool of heel hot.

Maar hoe meet je zoiets eigenlijk? Meet je het aan de methode, zoals bij het Amsterdamse ontwerperscollectief Dumoffice, dat meubelen ontwerpt op een manier die met "samplen in de muziek" wordt vergeleken, "waarbij bits en bites van bestaande nummers, zeg maar musique trouvé, gemixt worden tot uit die collage een nieuwe song ontstaat. Echo's uit de Zeitgeist-mode, muziek, techniek en sport?" Meet je het aan de inspiratie? Zoals bij het duo Mo Becha en David Neirings, die een installatie bouwen waarin geluid zich met beeld mengt, met "verwijzingen naar skateboarding, clubculture, electrotechno, lightsigns, trademarks en barcodes?" Of is het eigenlijk gewoon maar een kwestie van een leuke cocktail samen te stellen uit zoveel mogelijk subculturen? Bij de vorige editie van Interieur Kortrijk verklaarde Rolf Fehlbaum, directeur van Vitra en toenmalig eregast, dat "een gevoel van noodzakelijkheid, stringente beperkingen of heel pertinente doelstellingen wezenlijk is voor de kwaliteit van design". Zo'n noodzakelijkheid is er vandaag niet echt. Een massa producten haalt een behoorlijk niveau qua functie, ergonomie, materiaalkeuze, uitzicht, afwerking, originaliteit en kostprijs. Ze worden gemaakt door een jonge generatie productontwikkelaars die goed is opgeleid en ook meer en meer werkt voor goedkope winkelketens. Die nieuwe lichting designers stelt zich er kennelijk tevreden mee om tamelijk anoniem goede oplossingen te vinden voor kleine, concrete problemen. De hoogdravende ideologieën, grote theorieën, flamboyante persoonlijkheden, de gewilde mystificatie komen er niet echt meer aan te pas.

Volgens criticus Marc Dubois, commissaris van de vorige biënnale, zijn de belangrijkste evoluties in de designwereld vandaag inderdaad niet erg spectaculair of opzichtig . "Enerzijds zijn de ontwikkelingen van de technologie en de materialen belangrijk, wat zich uit in dingen als stoffen of scharnieren. Anderzijds gaan we terug naar een soort vormgeving die tot de evidentie behoort: de kracht van de essentie, van de eenvoud, van iets wat uit het alledaagse wordt gepuurd. Dat is zo fascinerend aan de jonge eregast, Konstantin Grcic. Het bizarre is voorbij." Designcritica Moniek E. Bucquoye, op haar beurt de voorgangster van Marc Dubois, is enthousiast over de vernieuwde aanpak. "Er waait een heel nieuwe wind. De billboards en video's kan ik alleen maar toejuichen. Het publiek komt in de eerste plaats voor de exposanten. In de tweede plaats pas voor de culturele hype. Design heeft zijn eigen voorstellingstechnieken. Vroeger werd rond de nevenevenementen te veel de sfeer van een museum gecreëerd. Het is een goed idee om design te presenteren op de manier waarop we er dagelijks mee geconfronteerd worden. Via publiciteit. Directeur Max Borka durft nu te zeggen: design is commercie en marketing. De vorige commissarissen hebben dat nooit zo gezien. Ook al omdat de culturele status van design destijds nog geïntroduceerd moest worden. De strenge selectie, de status van de gastdesigners was erg belangrijk. Nu wordt design voorgesteld als iets voor iedereen. Er wordt gedacht in termen van massa en serie. Ik vind dat zeer goed. Al klopt het natuurlijk dat er nog altijd een merknaam, een statuskaartje blijft vastzitten aan wat op Interieur wordt getoond. In ieder geval hoop ik dat deze generatiewissel de beste biënnale van de twintigste eeuw oplevert."

Volgende week zullen we het weten.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234