Donderdag 26/05/2022

AchtergrondBoeken

Godfried Bomans, een vergeten vedette

Bomans in 1971. 'Hij heeft het vuur in mij aangestoken', zegt Guy Mortier. Beeld Stokvis, Berry
Bomans in 1971. 'Hij heeft het vuur in mij aangestoken', zegt Guy Mortier.Beeld Stokvis, Berry

Vijftig jaar geleden overleed Godfried Bomans. Bij leven waanzinnig populair, lijkt zijn werk vandaag eerder stof te vergaren. Een ode aan de man van wie deze week een niet eerder gepubliceerd sprookje opdook.

Mark Coenen

Toen Godfried Bomans op 22 december 1971 op zijn 58ste geheel onverwacht stierf, trok er een golf van collectieve rouw over de Lage Landen. Het was alsof Sinterklaas – die hij vaak vertolkte – de Kerstman en de koningin-moeder allemaal tegelijk de pijp uit waren gegaan.

Lode Craeybeckx, de toenmalige burgemeester van Antwerpen die in de televisieserie Een Hollander ontdekt Vlaanderen figureerde, schreef in Herinneringen aan Godfried Bomans: ‘Voor hem zal het toch niet waar zijn dat de mens sterft, géén spoor nalaat, spoedig geheel vergeten zal zijn, alsof hij er nooit geweest was.’

Vijftig jaar later blijkt dit niet geheel te kloppen: hoe populair de Nederlandse schrijver in zijn tijd was, hoe schaars zijn z’n lezers nu. Het zeer actieve Godfried Bomans Genootschap houdt zijn nagedachtenis wel in ere, maar heeft niet veel meer dan 200 leden.

‘Het duurde even’, schrijft Joost Prinsen in het voorwoord van de bloemlezing In alle ernst die net verscheen, ‘voor Bomans in de twintigste eeuw was aanbeland’. Bomans was eigenlijk een negentiende-eeuwer: Goethe, Dickens en Beethoven waren zijn grote helden en hij had het moeilijk om zijn tijd, zeker de woelige jaren 1960, bij te benen.

‘Hij maakte zichzelf eenzaam door niet bij de tijd te blijven’, schreef Jeroen Brouwers. Hij moest het van het knusse hebben, streefde naar een overzichtelijke, duidelijke wereld, maar verdwaalde in het tweede deel van zijn leven in een wereld die hij steeds minder verstond. Hij leefde in het verleden, tot hij op een koude decemberdag zelf en veel te vroeg geschiedenis werd. En in de 21ste eeuw raakte hij volgens mij al helemaal niet meer.

Toch werd zijn Erik of het klein insectenboek in 2013, bij zijn honderdste verjaardag, door ‘Nederland Leest’ van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek weer in groten getale verspreid. Maar dan alleen in Nederland. En in 2019 verscheen in de prachtige dundrukreeks van Van Oorschot De brandmeester: een nieuwe best of, zeg maar.

Meteen staat hij in de rij van schrijvers waar hij verdient te staan: Campert, Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, Biesheuvel, Komrij, Van Kooten en Theo Thijssen. ‘Ik word gelukkig van proza als dit’, schrijft Christophe Vekeman geheel terecht. ‘Ik word hier warm van genoeglijkheid van’.

Ik ook.

Beste stand-upcomedian

‘Voor Mark, bij zijn veertiende verjaardag.’

Zo staat in Die vond men de beste, een verzameling columns van Bomans, meteen het eerste boek van Bomans dat ik ooit kreeg en las. Ik kreeg het van mijn moeder, die ook een gretige lezer van zijn stukjes was: een grappige katholiek, dat mocht toen van mijnheer pastoor.

Hij was waanzinnig populair. In het jaar waarin hij stierf alleen al verkocht hij 2,2 miljoen boeken. Hij won wel nooit een literaire prijs, behalve dan van een carnavalsvereniging: iets wat hem danig stoorde.

Hij was wél de echte literaire vedette van zijn tijd en dat kwam niet alleen door zijn enorme productie, maar ook dankzij de televisie. Het jonge medium omarmde hem, ook al was het voorlopig nog in zwart-wit, als de grappige, beetje verwarde allemansvriend. De plezante oom met wie iedereen graag aan tafel zit, smullend van zijn bon mots, terwijl hij een pijpje stopt. “Hij was”, zei Harry Mulisch ooit, “de beste stand-upcomedian maar hij wilde zo graag leuk gevonden worden dat het op het einde irritant werd.”

Hij was tegelijk ook, schreef Kees Fens, een sociale schrijver: iemand die net zoals Felix Timmermans voor hem en Kees van Kooten na hem, zijn eigen leven als uitgangspunt nam, maar van zichzelf een fictief karakter maakte, waardoor hij dankzij zijn ongebreidelde fantasie de werkelijkheid kon verbeteren. Hij fabuleerde er op los omdat hij eerlijkheid nogal saai vond. Een goed verteller, vond hij, “schept een nieuwe waarheid, waarnaast de feitelijke toedracht tot een erwt verschrompelt. De waarheid is wat ik ervan maak.”

Vele mensen die ik voor dit stuk contacteerde waren fan van hem, en onder hen zijn niet de minsten. Guy Mortier: “De waarheid is dat Godfried Bomans het vuur in mij heeft aangestoken. Wellicht heeft niemand me zo beïnvloed als hij – naast rock-’n-roll, natuurlijk. Ik was 13 of 14 toen ik kennismaakte met zijn Pieter Bas en ik was verkocht, helemaal ondersteboven van zijn humor en zijn taal, hoe hij met een pincet woorden uit het Nederlands plukte en zo achter elkaar zette dat je over de vloer rolde van het lachen.

“Ik begon meteen zelf bomansiaanse onzin te schrijven, ook als freelancer waren mijn inleidingen voor ‘Humo sprak met...’ van Bomans vergéven. Mijn eerste gepubliceerde interview was er trouwens een met hem. Toen ik, na een voorleesavond in de aula in Leuven, over het podium in de coulissen op hem afstapte, bood hij aan om hem op kroegentocht te vergezellen. Ik was 17 en in de hemel.”

Rick de Leeuw is gematigder: “Het is een jaar of tien geleden dat ik zijn werk heb herlezen. Bomans was veel meer een Haarlemmer dan ik, ofschoon hij daar niet en ik daar wel geboren ben. Erik of het klein insectenboek was op mijn lagere school in Haarlem verplichte kost. Ik houd nog altijd wel van zijn inmiddels wat belegen humor en zijn soms wat al te dik aangezette eloquentie. Een Hollander ontdekt Vlaanderen staat vanzelfsprekend bij mij in de kast. Zijn dood was een schok in Nederland, en zeker in Haarlem. Een week later overleed mijn moeder; die twee gebeurtenissen horen voor altijd bij elkaar.”

Ook Hugo Matthysen nuanceert: “Ik ben opgegroeid met de kinderboeken van Daan Zonderland, en die gingen qua absurditeit en fantasie toch een paar planeten verder dan Bomans. Ik heb wel veel van hem gelezen. Ik hoorde hem wel eens op de radio, en het geschater leek mij soms niet in verhouding tot de grappen, hoe briljant die ook waren. Als hij als antwoord op een vraag bijvoorbeeld begon met ‘Wel, ik had een oom Geert, en die woonde in Hengelo…’, hoorde je al het warme geklater van dames die in hun broek deden van het lachen.”

Pat Donnez, die rond Bomans een podcast maakte die nu opnieuw via Klara te beluisteren valt, vat een en ander gevat samen: “Bomans: voor mij zijn er dat velen. De gezellige, witty causeur. Het naar applaus jengelende media-evenement. De stukjesschrijver. Enkele van die Bomansen hebben hun houdbaarheidsdatum overschreden, vanwege te bedaagd en bejaard. Maar de columnist Bomans in zijn topmomenten speelt met gemak het overgrote deel van zijn hedendaagse navolgers naar huis.”

Bedreigende boom

Godfried Bomans kwam uit een groot gezin, met een onzichtbare moeder en een strenge vader die als een machtige arend boven zijn grote gezin uit vloog: de zes kinderen moesten van hun ouders voor het gemak hun verjaardag allemaal op de tweede van de maand vieren en niet op de exacte dag waarop ze geboren werden. Het is een detail, maar het zegt iets.

Johannes Bernardus Bomans was wethouder van Financiën van de stad Haarlem en lid van de Nederlandse Tweede Kamer, voor de katholieke Staats­partij. Een man van aanzien, een reus, in de woorden van Godfried zelf: “Ik kon in de schaduw van die reusachtige en bedreigende boom niet groeien.” Heel zijn leven heeft hij de afwezigheid van de liefde van zijn ouders proberen te compenseren, op zoek naar geborgenheid.

De verhouding met zijn ouders en met name zijn vader bleef problematisch: Bomans schrijft daar zijn beste en navrantste regels over in De man met de witte das. Hij beschrijft hun laatste, korte, zwijgzame ontmoeting: ‘Toen knoopte hij zijn jas dicht en verliet de kamer. Ik hoorde het portier dichtslaan en de auto wegrijden. Enkele dagen later kreeg ik een telegram. Hij was gestorven.’ Zijn moeder, die mee in de auto zat, was niet eens uitgestapt.

Men moet slechts het bijvak psychologie in het laatste jaar van de humaniora hebben gevolgd om te weten dat een mens daar iets ernstigs aan overhoudt. Gebukt onder zijn loodzware naam vluchtte hij in een sprookjeswereld: velen vinden die sprookjes zijn beste werk. En het is alsof de duvel er mee speelt: op 2 maart volgend jaar, op zijn verjaardag, verschijnt er een nog niet eerder gepubliceerd sprookje van Godfried Bomans, geïllustreerd door de grote Thé Tjong-Khing.

Zijn reusachtige productie beslaat zeven bijzonder kloeke delen van elk meer dan 600 bladzijden en daarnaast was hij haast permanent op tv te zien, op tocht door de wereld, in gesprek met de Vlamingen of met zijn broer en zus die ingetreden waren en met wie hij een veelbekeken triptiek maakte. Hij kon geen nee zeggen en deed dat ook niet: hij heeft zich doodgewerkt, zegt Joost Prinsen.

In de zomer van 1971 ging hij in op de vraag van de radio en Willem Ruis om een week in afzondering door te brengen op waddeneiland Rottumerplaat, alleen in een tentje. Hij haatte het harts­grondig, was bang van de meeuwen en kwam ziek terug.

Op 20 december 1971 bezoekt Bomans het kerstdiner van zijn geliefde Dickens Fellowship. Na afloop gaat hij bij een vriend slapen. Ze luisterden nog wat naar klassieke muziek: hij koos twee requiems. Hij hield het meest van dat van Mozart. Vierentwintig uur later was de sprookjesverteller dood.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234