Woensdag 08/12/2021

Godenslaap

Exclusieve voorpublicatie uit de nieuwe roman van Erwin Mortier

In Godenslaap, de vijfde roman van Erwin Mortier, worden de existentie van de dood, de vrouw en de oorlog op een verpletterende manier beschreven. Met als verteller een stokoude vrouw, en niet langer een preadolescente jongen, zoals in Mortiers vorige romans Marcel, Mijn tweede huid en Sluitertijd.

Die nacht baadde de vlakte in het albasten maanlicht. Mistbanken hingen als gewelven boven plaatsen waar vijvers lagen of beken stroomden, en omspoelden bospartijen of torenspitsen met dauw. Er heerste een onwezenlijke rust, het bijna continue gedreun van het oorlogstuig ontbrak - we wisten weer wat stilte was.

We werden naar de ingang van het casino geleid. Iemand vroeg ons stil te zijn: "The boys are well asleep."

Een deur ging open, van de speelzaal die ik me vaag herinnerde uit vroeger jaren. Het rook er beslapen. De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijn.

Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staal en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat surreëel boven de slapende gestalten hing.

"Voorzichtig, mademoiselle..." Hij nam me bij de arm toen ik bijna over een paar laarzen struikelde. Terwijl we verder liepen, ging een van de slapende soldaten overeind zitten en fluisterde luid: "Blimey, George. There's a fucking fairy hovering about..." Ik was ineens erg blij dat mijn moeder geen Engels verstond.

"Shut up, John. Get us some sleep, will ya", gromde een ander.

"If you say so, sweetheart." En de gestalte ging weer liggen, en kroop tegen de ander aan, want het was daarboven merkbaar koeler dan beneden in de stegen van de stad, waar de gevels de warmte van de dag vasthielden.

Een tweede deur ging open en gaf uit op een andere zaal, waar nog meer soldaten sliepen, maar minder uitgelicht door de maan, die hier niet rechtstreeks naar binnen scheen, maar in de boomkruinen speelde. Ik hoorde het gezelschap voor ons een trap bestijgen, een lange trappenpartij, naar het dak, zo bleek, nadat we even hadden moeten wachten tot de wachtpost ons toestond verder te gaan.

Toen we boven kwamen had de struise Amerikaanse al postgevat bij de borstwering, waar ze uitkeek over de donkere daken onder ons. Uitroepen als "Unimaginably peaceful!" schoten door de nacht en de man naast haar, die kennelijk nooit van haar zijde week, mompelde telkens vanonder zijn witte knevel iets bevestigends, maar zonder veel fut.

Mijn moeder liet zich door haar eigen compagnon naar de andere kant van het dakterras voeren en we volgden haar. Voor onze ogen strekte zich de vlakte van het noorden uit onder het waas van mist dat vanaf de kust het land in dreef, en dorpen en steden die we hier wel, daar niet in die deken van damp terugvonden kleiner maakte. Bospartijen en bomenrijen wekten de indruk dat we neerzagen op een maquette, met die kneuterige zin voor detail maquettes eigen.

"Almost picturesque, Walter dear, wouldn't you say?", schalde achter ons de Amerikaanse, en we gniffelden, en ik dacht aan wat mijn oom gezegd had. Prachtig, was het. Prachtig, maar jammer.

Mijn moeder bracht een zakdoekje naar haar neus en zei tegen de soldaat naast haar dat het verrassend fris was, hierboven.

"Quite so", antwoordde hij, zonder een idee te hebben van wat ze zei. Ik wist dat ze aan mijn vader dacht, en aan mijn broer.

Toen vlamde, in het uiterste noorden, tegen de kust aan, min of meer op de plek waar mijn vader ons als kind had aangewezen waar Nieuwpoort moest liggen, ineens een rode gloed op uit de nevel. De mistbanken weerkaatsten het geflakker, dat bijna meteen weer doofde.

Vervolgens schoten her en der, maar ruwweg in een kromme lijn van noordwest naar zuidoost, helderwitte lichtpunten naar het zenit, en daalden al uitdovend traag neer, voor ze ineens weer wegstierven - en nogmaals, nu eens dichter bij ons, dan weer meer naar de kust toe.

Mijn moeder bleef haar zakdoek onder haar neus houden, en ik hoorde haar zuchten: "Mon Dieu mon Dieu..."

"Lichtkogels", zei iemand. "Ze steken boven de linies lichtkogels af."

Iedereen zweeg. Zelfs de potige Amerikaanse was stilgevallen en stond vlak bij de reling door haar lorgnet naar het schouwspel te staren.

De stilte drong zich nog nadrukkelijker op. Er viel geen salvo of kanonschot te horen, er was alleen dat opgloeien van lijnen van licht, kromme naalden van licht boven het landschap, en hier en daar de kortstondige flits van wat explosies moesten zijn, maar zonder galm of echo, en we keken ernaar als naar een natuurverschijnsel, alsof daarbeneden in die vlakte de aardkorst openscheurde en twee stukken land tegen elkaar op knarsten of zich van elkaar wilden verwijderen.

Op een gegeven ogenblik stond ineens bijna de gehele linie in lichterlaaie. Rode en groene lichtflitsen flakkerden op van kust tot binnenland, nieuwe kogels trokken tentakels van licht door de nacht.

Iemand achter ons mompelde "Poor buggers", besefte dat er dames in het gezelschap waren en herstelde zich. "Poor chaps..." Het leek meer bedoeld om wat we wisten met ons verstand tegen het feeërieke van die poliepen van licht in het geweer te brengen, om ons aan de betovering te onttrekken.

"Mon Dieu mon Dieu", herhaalde mijn moeder.

We wachtten, hij en ik, terwijl de anderen de trap afdaalden. De wachtpost ontspande en stak, onverschillig voor het lichtspel dat zich bleef ontplooien in de diepte, een sigaret op, inhaleerde, blies een wolk rook uit.

Mijn moeder was al op weg naar beneden, te ontsteld om me in het oog te houden.

"Wat scheelt er met madame?", vroeg hij.

"Mijn broer is aan het front, monsieur. Daar ergens, misschien. Het laatste wat we hoorden is dat hij naar Le Havre moest. We krijgen weinig post. Mijn broer is geen briefschrijver..."

Hij knikte. "Le Havre?"

"We're Belgian, monsieur. En we kunnen niet naar huis, naar mijn vader...

"Sorry to hear that", zei hij, terwijl hij achter ons de deur sloot en de wachtpost aan de andere kant ze vergrendelde.

Ik trok de schouders op. "Alles went, monsieur."

De rest van het gezelschap stommelde een eind beneden ons de trap af. Het was donker in het trappenhuis, na de maanverlichte nacht op het terras.

Hij merkte dat ik me onzeker over de treden bewoog. Af en toe raakten onze handen elkaar. Ik gniffelde, en hij gniffelde terug, en ik was blij dat het donker was want ik vond mezelf onnozel.

Ergens op een overloop nam hij me bij de arm, ik dacht om me verder de trap af te leiden, maar hij drukte me onverwacht tegen de muur. Het ging te snel om te protesteren, of zelfs maar verbaasd te zijn. Ik voelde de knopen van zijn uniform door mijn bovenjasje tegen mijn borstkas drukken en zijn eigen ribbenkast zwellen en slinken op de maat van zijn ademhaling terwijl hij zijn hoofd naast het mijne bracht en met zijn wang over de mijne wreef, zijn adem blies warm in mijn oorschelp.

Ik had verbouwereerd mijn ene hand op zijn rug gelegd, de andere hield hij tegen de muur geklemd, met zijn handpalm op de mijne. De enige andere man die ik tot dan toe fysiek zo nabij was geweest, was mijn vader, toen ik nog kind was, tijdens de middagen aan zee, wanneer hij me voor de golven of een striemende bries wilde beschermen, maar mijn vader had me gekoesterd. Diens lichaam had nooit gehongerd of iets gezocht.

Het had iets kinderlijks. Ik bracht mijn hand van zijn rug naar zijn nek en streelde zijn achterhoofd. Hij probeerde niet te zoenen.

Stond daar maar.

Aaide met zijn wang over de mijne.

Ik rook zijn lucht, die op de wand achter ons en in het haar in mijn nek besloeg.

Toen liet hij me los en liep de trap af. "I'm sorry", fluisterde hij, en het klonk alsof hij een krop in de keel had.

Ik hoorde dat hij op de overloop halt hield. De rest van het gezelschap moest intussen weer op het gelijkvloers aangekomen zijn want het gestommel vervaagde.

"I'm sorry", stamelde hij nogmaals toen ik hem had ingehaald,

"So sorry. I didn't mean to, Miss, I mean madame... mademoiselle."

Ik zocht naar zijn hand in het donker. "It's all right", zei ik.

Yves Desmet praat uitvoerig met Erwin Mortier op 4 oktober in 'Zeno'.

'Godenslaap' verschijnt op 8 oktober.

De Bezige Bij, 204 p., 17,90 euro.

De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijnDe enige andere man die ik tot dan toe fysiek zo nabij was geweest, was mijn vader, toen ik nog kind was, tijdens de middagen aan zee, wanneer

hij me voor de golven of een striemende

bries wilde beschermen

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234