Zaterdag 16/01/2021

'God zegene u, en doe zo voort'

De drijfveren van speciaal aanklager Kenneth Starr

Iedereen heeft zo zijn eigen theorie over Kenneth Starr, speciaal aanklager in de zaak-Monica Lewinsky. Sommigen zeggen dat zijn drijfveren politiek van aard zijn, anderen geloven dat hij gedreven wordt door een diepe religieuze overtuiging, of gewoonweg door rauwe haat. Wat hem er precies toe heeft aangezet om de machtigste man ter wereld te gaan vervolgen, zal nu, met de publicatie van zijn onderzoeksresultaten, eindelijk misschien een beetje duidelijker worden.

Wat drijft Ken Starr? Wie is die predikantszoon met zijn nooit aflatende achtervolgingsdrift die de president ertoe dwong om voor de nationale televisie zijn zonden op te biechten? De komende dagen en weken zal deze man, waar het grote publiek erg weinig over weet, de onverdeelde aandacht van de natie opeisen. Nadat hij meer dan vier jaar en naar schatting 40 miljoen dollar (1,4 miljard frank) besteedde aan onderzoek naar Whitewater, Filegate, Travelgate, de dood van Vincent Foster en de zaak-Lewinsky, leverde Starr eerder deze week zijn slotrapport binnen bij het Congres. Nu de inhoud van het rapport bekend raakt, krijgt het publiek eindelijk Starrs volledige visie op de presidentiële misstappen te zien ; terzelfder tijd zal het rapport ons ook heel wat leren over zijn auteur, en over de kwaliteit en de omvang van het gevoerde onderzoek.

En dus zullen we allemaal moeten beslissen: had de hele zaak jaren geleden al opgeborgen moeten worden? Heeft Starr elke zin voor proportie verloren? Of heeft hij inderdaad zoveel bewijzen voor een misdadige doofpotoperatie dat de president in staat van beschuldiging moet worden gesteld? Starr zelf heeft tot nu toe niets losgelaten, en heeft trouwens nooit veel in het openbaar over zichzelf gepraat. De journalisten die de afgelopen vier jaar een profiel van hem schreven, werden maar zelden on the record te woord gestaan. En zo komt het dat de cameraploegen elke ochtend bij dageraad weer postvatten voor zijn huis in McLean, Virginia, en telkens weer dezelfde beelden schieten van een man die, koffie in de hand, naar zijn auto stapt, en telkens weer proberen hem toch maar een paar woorden te ontfutselen.

Starr wilde ook geen toestemming geven voor een interview met zijn vrouw Alice, maar toch maakte zij de meest veelzeggende opmerking over hoe hun leven er tegenwoordig uitziet. Dat gebeurde tijdens een uitgebreid portret van Starr dat in juni door de televisiezender A&E werd uitgezonden. "Soms," zei ze daar, "lijkt het wel een nachtmerrie die nooit meer weg zal gaan, en ik denk altijd bij mezelf: erger dan dit kan het niet worden. Maar het wordt wel erger. Elke dag wordt het erger en erger."

Iedereen heeft zo zijn theorie over Starr. Toen de zaak-Lewinsky uitbrak, noemde Hillary Clinton Starr "een door politieke motieven gedreven aanklager die nauw verbonden is met de rechtse tegenstanders van mijn echtgenoot". Harold Ickes, een voormalige medewerker van Clinton, zegt dat Starr een gevaarlijke moralist is die de Clintons "als Sodom en Gomorra beschouwt en vastbesloten is ze uit Washington te verdrijven".

Zelfs Starrs beste vrienden weten eigenlijk niet wat ze van hem moeten denken. Ze vielen compleet uit de lucht toen hij in 1994 de baan van speciaal aanklager aanvaardde en weten niet zeker waarom hij die baan wilde. "Ik heb er geen flauw idee van," zegt Theodore Olson, een vooraanstaande advocaat uit Washington. "Hij heeft me er nooit iets over gevraagd. Ik was geschokt toen ik het nieuws hoorde."

Naarmate Starr carrière maakte, nam hij de gewoonte aan zijn beste vrienden om politiek advies te vragen. Die vrienden - Olson, Tex Lezar, Bob McConnell, John Roberts, Henry Habicht - hadden met Starr op het ministerie van Justitie gewerkt tijdens de eerste regering-Reagan. Het waren allemaal knappe, ambitieuze, jonge conservatieven die geregeld ontbijt- en lunchontmoetingen hadden met minister van Justitie Smith, en die elke dag met elkaar wedijverden om het eerst op kantoor te zijn. Maar Starr belde hen niet toen een driekoppig panel van rechters hem in de zomer van 1994 de baan van speciaal aanklager aanbood. "Het is de enige keer met van die moeilijke beslissingen dat hij dat niet deed," zegt Lezar.

Een aantal vrienden vond dat hij een vergissing beging, dat hij er politiek onmogelijk bij kon winnen: afhankelijk van wat hij wel of niet bovenhaalde, zou hij onvermijdelijk de helft van het land tegen zich in het harnas jagen. Onder Smith waren deze jongemannen verenigd in hun minachting voor de baan van speciaal aanklager, en Starr had zelf nog een een pleidooi helpen opstellen waarin geargumenteerd werd dat de baan ongrondwettelijk was omdat er te veel ongecontroleerde macht aan één persoon werd toegekend. "Toen ik hoorde dat Ken de baan aanvaard had," zegt McConnell, "stuurde ik hem een briefje: 'Ik veronderstel dat als er iemand een ongrondwettige daad moet stellen, het maar het beste is dat jij het bent."

Starrs vrienden hebben verschillende theorieën over de redenen waarom hij aanvaardde. Olson zag het als iets persoonlijks: "Ken kan maar moeilijk nee zeggen." Habicht dacht dat geloof een rol speelde: "Ik meende tussen de regels door te lezen dat Ken geloofde dat, aangezien God hem al die hoge posten bezorgd had, hij ook de plicht had om zijn ervaring te gebruiken als er een uitdaging van maatschappelijk belang opdook." Andere vrienden zeggen ook dat hij opnieuw in de publieke belangstelling wilde komen. Iedereen die Starr ooit al een zaal heeft zien bewerken, zou zweren dat hij ergens campagne voor voert. Op de conventie van de American Bar Association, vorige maand in Toronto, woonde hij een ontbijtgebed bij voor hij zijn speech gaf. Bij beide gelegenheden schuimde hij de hele zaal af, schudde hij honderden handen, deelde hij handtekeningen uit en poseerde hij voor foto's. Na het gebed stapten verschillende mensen op Starr toe die zeiden: "God zegene u, en doe zo voort."

Er zit waarschijnlijk een grond van waarheid in elk van die motivaties - dat Starr zeker geen liefde voelde voor Clinton, dat hij een burgerlijke en religieuze plicht voelde, dat hij zijn advocatenbaan beu was, dat hij de aandacht miste, dat hij moeite had om nee te zeggen. Maar geen verklaring lijkt op zich voldoende. Als hij een onderdeel was van een grootschalige rechtse samenzwering om de president uit het zadel te lichten, waarom probeerde hij in 1997 de baan van speciaal aanklager dan te ruilen voor die van decaan van Pepperdine University? En als hij zo rabiaat was, waarom deed hij het werk van aanklager dan slechts halftijds terwijl hij zijn eigen advocatenpraktijk voortzette?

Hardin, die voor hem de rol van speciaal aanklager vervulde, zegt dat Starr in 1994 geen benul had van waar hij aan begon. "Hij dacht dat hij er eventjes in kon vliegen, de klus in een of twee jaar klaren, er niet zijn hele leven aan opofferen en dan weer verder gaan. Hij dwaalde. Hij had nog nooit in de nationale schijnwerpers gestaan. Hij dacht nog altijd als een advocaat die voor beroepshoven pleit - dat rechtszaken op hun merites beoordeeld worden."

Kenneth Winston Starr werd geboren op 21 juli 1946 in Vernon, Texas, als de jongste van drie kinderen. Zijn vader, Willie Douglas Starr, een radicale predikant en barbier, werkte zich te pletter om zijn gezin te onderhouden. Vanaf het begin stond religie centraal in het leven van de jongen. Starrs kindervrienden herinneren zich hem als erg verstandig, leesgraag, gelovig, een beetje nerdy, totaal onatletisch maar populair, rijp en ambitieus.

Het andere aspect dat schoolvrienden als Gary O Smith zich herinneren was Starrs passie voor politiek. Op de middelbare school was Starr behalve lid van de toneelclub en van de schoolkrantredactie ook voorzitter van de leerlingenraad. In 1960 verspreidde hij al campagneliteratuur van Richard Nixon; als laatstejaars deed hij hetzelfde voor Barry Goldwater. Na zijn middelbare school bracht hij twee jaar door op Harding College, een school van de Church of Christ in Arkansas, waar hij van deur tot deur ging met bijbels om zijn studies te betalen.

Maar als er iets is wat de mensen die hem in Texas en in Washington goed gekend hebben, verbaasd heeft, dan is het zijn vermogen om te groeien. Starr wilde altijd zien hoe goed hij de vergelijking met anderen kon doorstaan. Hij wilde altijd zien hoe ver hij kon gaan. Na Arkansas trok hij naar George Washington University, en daar sprong hij toch een beetje uit de band; terwijl zijn klasgenoten in gebatikte kleren protesteerden tegen de oorlog in Vietnam, trok hij in pak en das naar de cursus. Maar net als de meeste van zijn klasgenoten ging hij toch niet naar Vietnam, in zijn geval omdat hij aan psoriasis leed. De zomer waarin hij afstudeerde, ontmoette hij Alice Mendell, een joods meisje uit Mamaroneck, New York. Ze legden de huwelijkseed af voor een predikant van de Church of Christ en zijn ondertussen al 28 jaar getrouwd. Het was Alice, zo vertellen vrienden, die de predikantenzoon leerde dansen.

Na het behalen van zijn rechtendiploma aan Duke University werd Starr midden jaren zeventig geselecteerd voor een betrekking als medewerker van de voorzitter van het Hooggerechtshof, Warren Burger. Het was de eerste van vele keren dat hij zijn carrière vooruit zou helpen door oudere conservatieve Republikeinen te dienen. In 1982, toen hij kabinetschef van justitieminister Smith was, werd Starr in een profiel in het tijdschrift American Lawyer omschreven als "de perfecte assistent, eerbiedig zonder kruiperig te zijn, intelligent zonder intimiderend te zijn... helemaal niet zoals al die arrogante medewerkers die door de gangen van Washington paraderen".

Hij is ook een workaholic van mythische proporties, zelfs naar Washingtoniaanse normen. "Ken is verstandig, maar hij is geen genie," zegt zijn vriend Texas Lezar. "Hij is niet een van die kerels met een IQ van 195. Hij is geraakt waar hij is door heel, heel hard te werken." Henry Habicht herinnert zich dat hij begin jaren tachtig vaak om halfnegen 's avonds nog in Starrs bureau op het ministerie zat om een zaak te bespreken, terwijl Starr zijn smoking aantrok voor een of andere sociale verplichting. "Nadien kwam Starr altijd nog een keer terug naar zijn kantoor," zegt Habicht, "pikte wat werk op voor thuis, en was de volgende ochtend om zeven uur alweer op post."

Als je het in Washington over 'de hardhorige' hebt, begrijpt iedereen onmiddellijk dat je Ken Starr bedoelt. Starrs vrienden kennen zijn vlagen van politieke verstandsverbijstering al sinds hij twintig jaar geleden zijn openbare leven aanvatte, maar het was toch pijnlijk voor hen om het zo open en bloot, voor het oog van de hele wereld, opnieuw te zien gebeuren. Na de knoeiboel met Pepperdine in februari 1997 - toen hij aankondigde dat hij het onderzoek zou inruilen voor een academische carrière, maar zich een paar dagen later bedacht vanwege het tumult in de pers en onder zijn medewerkers - stuurden verschillende vrienden brieven om hem een hart onder de riem te steken.

Starr heeft nooit goed aangevoeld hoe hij bij anderen overkomt. Het is een van de hardste punten van kritiek over zijn werk als speciaal aanklager. In plaats van echt onafhankelijk op te treden heeft hij zich herhaaldelijk al te nadrukkelijk ingelaten met anti-Clinton-kringen, waardoor hij een erg partijdige indruk is gaan maken. Een van de vele voorbeelden: Starrs publieke optreden, een maand voor de presidentsverkiezingen van 1996, bij Pat Robertson, christelijk-rechts leider en rabiate Clinton-criticus, tijdens de viering van de tiende verjaardag van Robertsons law school. Waarom zag Starr zijn potentiële belangenvermenging niet? Zijn assistent-aanklagers zagen het wel. Verschillende van zijn medewerkers vertelden me dat ze wensten dat hij bij zijn aanstelling gestopt was met zijn eigen praktijk en met het vertegenwoordigen van cliënten zoals tabaksproducenten, die er belang bij kunnen hebben de president politiek te verzwakken. Maar Starrs medewerkers vertelden hem dat niet. "Hij kan niet zo goed tegen kritiek op zijn drijfveren," zegt een van zijn collega's.

Starr wilde niet zomaar rechter bij het Hooggerechtshof worden, zeggen zijn vrienden, hij wilde er voorzitter van worden. "Zelfs als jongeman gedroeg hij zich al als een echte rechter," zegt McConnell. "Ik plaagde hem er zelfs mee. Hij probeerde altijd bedachtzaam en diepzinnig te zijn."

In 1983 regelde Smith Starrs benoeming bij het federale hof van beroep van het District Columbia. Starr was toen 36, en omdat een aantal ambtenaren vreesde dat hij te jong zou lijken, wachtten ze een paar weken om zijn naam aan de Senaat voor te leggen, tot na zijn 37ste verjaardag.

Tijdens zijn zes jaar bij het hof van beroep was Starr gelukkiger dan zijn vrienden hem ooit gezien hebben. Hij genoot ervan om weg te zijn van de politiek en zich te kunnen verdiepen in gerechtelijke en grondwettelijke materies. Hoewel hij conservatief was en vaak meestemde met zijn collega-rechter Robert Bork (tegen positieve discriminatie, tegen federale interventie om minimale gevangenisnormen te garanderen), had hij toch iets onafhankelijks over zich dat de voorvechters van burgerrechten wel mochten. Hij oordeelde in het voordeel van de Washington Post in een belangrijke aanklacht wegens laster, voor een kunstenaar wiens metrografitti een karikatuur van Ronald Reagan voorstelden en voor een joodse militaire kapelaan die een keppeltje boven zijn uniform wilde dragen.

In januari 1989 vroeg president Bush Starr om solicitor general te worden, een functie die te vergelijken is met die van vice-minister van Justitie. Dat was een grote eer maar ook, voor iemand die rechter bij het Hooggerechtshof wilde worden, een politiek mijnenveld. Starr zat in de val. Als hij nee zei, dreigde hij net de president die de volgende rechter zou aanduiden tegen zich in het harnas te jagen. Door de baan te aanvaarden, zegt Lezar, hoopte hij nog altijd dat het telefoontje op een dag toch zou komen. "Ik denk niet dat hij het volledig opgaf. Het is zoals een senator die president wil worden. Op een bepaald ogenblik is je tijd voorbij, en besef je intellectueel dat het er niet meer van zal komen, maar in je hart geef je de hoop toch niet op."

Een goede solicitor general moet een delicaat evenwicht zien te vinden, en in de eerste plaats de agenda uitvoeren van de president die hem aanduidde, maar ook, als de wet dat vereist, nee durven zeggen tegen de president. Van Starrs voorganger als vice-minister, Charles Fried, wordt algemeen gesteld dat hij te veel een politieke lakei was van de regering-Reagan; van Starr wordt gezegd dat hij het evenwicht herstelde.

Het belangrijkste punt van kritiek op Starr als vice-minister sloeg op iets wat later bij zijn werk als speciaal aanklager opnieuw zou opduiken: dat hij te veel met andere zaken bezig was, dat het er te dun op lag, dat hij voortdurend het land afreisde om zijn eigen naam te promoten in gerechtelijke kringen. "Hij gaf dan een of andere droge juridische toespraak en ging vervolgens de hele zaal rond om zoveel advocaten te ontmoeten en te begroeten als hij maar kon. Ik weet niet waarom hij zich daarmee bezighield - misschien gaf het hem het gevoel dat hij toch een basis aan het opbouwen was voor het Hooggerechtshof."

In juli 1990 kondigde rechter William Brennan zijn pensionering aan. In tal van persartikelen werd toen gezegd dat Starr op de lijst van kandidaten stond, maar net als hij vreesde, had hij tegen die tijd een te groot deel van zijn achterban van zich vervreemd. Het Witte Huis was kwaad omdat hij in een zaak over militaire contracten tegen president Bush geoordeeld had. De progressieven in de Senaat vonden dan weer dat hij zich te agressief had opgesteld. Robert Shapiro, een van zijn plaatsvervangers, was in Starrs kantoor toen ze het nieuws hoorden. "Het nieuws dat Souter was benoemd, kwam het eerst op de televisie via CNN," vertelt Shapiro. "Ik keek hem aan, op zoek naar sporen van ontgoocheling. We wisten allemaal hoe hij zich voelde. Maar er was niets. Niets. Niet het minste spoor van om het even welke emotie."

Starrs sterkste punt als speciaal aanklager was zijn ervaring met beroepsprocedures. Tegen de tijd dat hij opstapte als solicitor general, na Bush' nederlaag in 1992, had zijn ervaring met pleidooien voor het Hooggerechtshof hem tot een van de meest gevraagde beroepspleiters van Washington gemaakt. Toen hij het beroep pleitte over de vraag of de geheime diensten zouden moeten getuigen in de zaak-Lewinsky, leidde hij het hof behendig weg van bijkomstigheden met opmerkingen als: "Ik geloof niet dat dit het hof nog langer moet ophouden." Ze volgden gedwee zijn aanwijzingen.

Starr was veranderd. Op een bepaald ogenblik besloot de gereserveerde beroepspleiter dat hij alles zou doen wat de wet toeliet om bepaalde mensen bij zijn onderzoek te betrekken. Hij was gaan inzien dat het Witte Huis zou doen wat advocaten van de verdediging bijna altijd proberen te doen bij strafonderzoeken: de zaak rekken, tijd winnen, treuzelen.

Wat was het keerpunt? Starrs assistenten kunnen het niet duiden, en waarschijnlijk kan Starr het zelf ook niet. Zoveel is duidelijk: tegen de tijd dat Monica Lewinsky ten tonele verscheen, was Starr klaar voor een frontale aanval. Of hij daarmee overijverig en onverantwoordelijk was of gewoonweg zijn plicht deed als aanklager, zal afhangen van wat in zijn definitieve rapport staat.

Wat we wel weten is dat Starr zich bereid toonde om verder te gaan waar alle andere aanklagers gestopt zouden zijn. Een deel van de reden daarvoor is Starrs juridische temperament. Zijn hele professionele leven al is hij hardnekkig op zoek gegaan naar elk allerlaatste feit. Zijn vrienden herhalen het telkens weer: "Ken is vastbesloten dat niemand hem ooit zal verslaan door harder te werken dan hijzelf." Starr koestert ook een wetenschappelijke, soms zelfs pedante liefde voor het recht, en hij is oprecht beledigd als om het even wie, en zeker de president van de Verenigd Staten, dat recht geweld probeert aan te doen.

Hoewel Starr graag aardig gevonden wil worden, en hoewel hij op advocatenbijeenkomsten nooit niemand zal overslaan bij het handjes schudden, is hij ook grootgebracht met het idee dat hij vertrouwen moet hebben in zijn eigen opvattingen, ook als de meeste andere mensen die niet delen. Ook een score van 19 procent in een opiniepeiling kon Starr niet afschrikken. En wat zijn carrière betreft: zoveel stond er niet meer op het spel. Toen hij naar Pepperdine probeerde te ontsnappen, kon hij niet. Zijn grote droom, het Hooggerechtshof, ligt al ver achter hem. De waarschijnlijkste volgende stap - de academische of de bedrijfswereld - zijn verzekerd, ongeacht de uitkomst van dit onderzoek.

Is Starr de president beginnen haten? Is dat ook een drijfveer geweest? Het antwoord is waarschijnlijk ja, maar niet in het begin, en niet tot hij het gevoel kreeg dat het Witte Huis het onderzoek probeerde te dwarsbomen. Ik vroeg aan John Bates, de voormalige vice-speciaal aanklager, of Starr Clinton haat. "Ik denk dat Ken erg ontdaan is over hoe persoonlijk en politiek de aanvallen op hem, zijn ambt en zijn medewerkers geworden zijn," zegt Bates.

Heeft morele verontwaardiging over Clintons seksuele escapades de onderzoeksdrift van Starr ook gevoed? Advocaten die aanwezig waren op zittingen waar die details besproken werden, zeggen dat Starr duidelijk geschokt was. Maar toen hen gevraagd werd naar een enkel voorbeeld, een enkele opmerking of ontboezeming, dan konden ze die niet geven. Ze antwoordden dat het heel subtiel was, in het fronsen van een wenkbrauw of een stille grimas. Ze hadden zijn medewerkers wel eens schunnige opmerkingen horen maken, maar Starr zelf niet; daar is hij te professioneel voor.

Dit alles gezegd zijnde, doen Starrs motieven er in feite niet echt meer toe. Dat is ook zijn overwinning, zijn vorm van rehabilitatie. Het doet er niet meer toe of rechtse krachten met kwade bedoelingen met zijn ambt samenspanden om een val te spannen voor de president, het doet er niet toe of het preutsheid, ambitie dan wel radiogolven uit de ruimte waren die Ken Starr dreven. De president heeft toegegeven dat hij het Amerikaanse volk misleid heeft. Hij heeft gelogen. Dankzij Starrs hardnekkigheid, zijn niet aflatende inspanningen om het laatste stukje bewijsmateriaal boven te halen, is hij erin geslaagd zijn onderzoek over Bill Clinton te doen gaan, en niet over Ken Starr.

Nu Starr zijn rapport voor de deur van het Congres heeft afgeleverd, zal de aandacht van de hele natie op Clinton gericht zijn. Het zullen gewoon de feiten zijn. Bij de keuze over wat er verder moet gebeuren met Bill Clinton - de hele zaak laten vallen? berispen? afzetten? - zullen sommige congresleden stemmen uit partijpolitieke overwegingen, enkelen zullen even aan hun privé-leven denken, maar de meesten zullen een natte vinger in de wind houden en de opiniepeilingen in de gaten houden. Het volk zal beslissen. Ken Starr heeft de Amerikanen ertoe gedwongen om kennis te nemen van elk tuchtig en ontuchtig detail, tot en met presidentiële DNA toe.

Er zijn mensen die zullen stellen dat de helft van de huwelijken in de Verenigde Staten op een echtscheiding uitloopt; dat als elke echtgenoot die ooit loog over seks op de televisie zou moeten getuigen, de getuigenissen vijfhonderd jaar lang vijfhonderd televisiekanalen zouden vullen; dat dit een zaak is tussen de Clintons zelf en dat de publieke bekentenis van Bill Clinton al meer is dan we van elk ander mens zouden eisen. En daarnaast zijn er mensen die zullen zeggen dat het schandelijk is dat een president met Clintons voorgeschiedenis zo arrogant is om midden in het Witte Huis een seksuele relatie te hebben met een 21-jarige, erover te liegen en vervolgens al zijn goede vrienden en medewerkers in te schakelen om zijn rotzooi op te ruimen en de sporen uit te wissen. Beide conclusies zijn juist, uiteraard, en dankzij Starr zullen in dit tijdperk van relatieve vrede en welvaart enkele erg pijnlijke twistpunten de politieke lichamen van het land een tijd diep verdelen voor de hele zaak weer vergeten kan worden. Dit raakt gevoelens die men normaal niet bespreekt in beschaafd gezelschap, uit vrees dat men zich te zeer zal opwinden en goede vrienden zal verliezen.

© New York Times Magazine Vertaling Wim Coessens

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234