Maandag 14/10/2019

Hongarije

“God zal Orbán straffen, nu hij mensen uithongert”

Gábor Iványi op bezoek bij een Roma-gezin in Hongarije. Beeld RV -

Door zijn hulp aan daklozen, Roma en migranten is Gábor Iványi de beroemdste dominee van Hongarije. De ultranationalistische premier Viktor Orbán heeft in de man die zijn huwelijk sloot een tegenstander van formaat. “Het is immoreel wat hij doet.”

Amok in het trappenhuis. Een dakloze van eind twintig heeft iemand in het gezicht getrapt. Tierend: “Kom niet in m’n buurt! Niemand praat zo tegen mij!” Eenmaal buiten in de avondlucht kijkt hij uitdagend om zich heen. “Wie is hier de directeur? Ik wil met de directeur praten.” Predikant Gábor Iványi (67) doet een stap naar voren. “Ik ben de directeur.”

In de regen van Boedapest brengt Iványi de man tot bedaren. Alleen al met zijn verschijning dwingt de predikant respect af: tweedelig zwart, zachte ogen, rijzige gestalte en een volle, witte baard die tot aan zijn borst reikt. Zijn sonore stem doet de rest.

De sfeer in deze daklozenopvang is gespannen, nu dakloosheid in Hongarije illegaal is. Sinds een grondwetswijziging van half oktober mogen Hongaren de straat niet als ‘regelmatig onderkomen’ gebruiken. Wie dat toch doet, krijgt de eerste drie keer een waarschuwing. Daarna riskeren daklozen een boete of een celstraf oplopend tot twee maanden. Leilani Farha, VN-rapporteur voor huisvesting, noemde de maatregelen “wreed en onverenigbaar met internationale mensenrechten”.

De ultranationalistische regering van premier Viktor Orbán draait het om: op straat slapen is voor niemand goed, vandaar een verbod. “We willen deze mensen niet bestraffen, maar helpen”, zei een staatssecretaris. Pro-Orbán-dagblad Ripost vulde de halve voorpagina met chocoladeletters: “Hoelang misbruiken de daklozen nog ons geduld?” In het hele land leven naar schatting 30.000 mensen op straat.

Lees ook: Stilzwijgen over Hongarije is het cynisme voorbij

In Gábor Iványi heeft de regering-Orbán een tegenstander van formaat. De predikant runt een netwerk van scholen, peuterspeelzalen, klinieken en daklozenopvangcentra met een jaarbudget van bijna 14 miljoen euro. Iványi is woedend over de maatregelen. “Daklozen worden behandeld als criminelen. En dat in een land dat Europa zogenaamd wil laten zien wat christendom is.”

Iedereen in Boedapest kent Iványi’s naam. Hij was het die eind jaren 90 het kerkelijk huwelijk sloot tussen twee jonge dertigers: Anikó en Viktor, die kort daarop voor het eerst premier werd. Iványi doet er luchtig over. “Vriendschap is te veel gezegd, we waren beleefd naar elkaar. Ik heb ook hun twee oudste kinderen gedoopt. Orbán had een beperkt netwerk binnen de kerken, dus kwam hij bij mij uit.”

Bijbel in kofferbak

De Iványi’s waren tot begin 20ste eeuw joden. Ze bekeerden zich tot het christendom van John Wesley, de 18de-eeuwse grondlegger van het evangelisch ‘methodisme’. Van zijn vader, die ook predikant was, leerde Iványi op te komen voor de verschoppelingen – de armen en de Roma. “Ik kom uit een gezin van elf. Dan leer je vanzelf wat solidariteit is.” De communisten arresteerden hem en verwoestten zijn kerk, waarna hij diensten leidde op straat. Uit protest liet hij zijn baard staan. “Ik heb mijn scheermesje in de Donau gegooid.”

Hongarijes beroemdste dominee trapt het gaspedaal in, we blazen met 140 kilometer per uur over de snelweg. In de kofferbak ligt een stapeltje liedboeken en een bijbel. Eigenlijk is Iványi’s verzet tegen de macht nooit gestopt. Vroeger de communisten, nu Orbán. Makkelijk is dat niet. Een wet van een paar jaar geleden regelt wie in Hongarije de status ‘kerk’ krijgt en wie niet. Vóór de wet waren er een paar 100, erna krap 30. Iványi zat er niet tussen, de overheid weigert hem te erkennen. Hij loopt miljoenen aan subsidies mis. “Het is pure politiek’” bast de predikant. “Orbán wil niks te maken hebben met de mensen die hem aan vroeger herinneren.”

Vroeger, dat was voordat Orbán scherp afsloeg naar rechts. Nadat het communisme in elkaar was gestort, werden Iványi en hij als liberaal in het parlement gekozen voor twee verschillende partijen. Orbáns Fidesz-partij was een club jonge honden met hipsterbaardjes. Ze waren atheïs­tisch en tegen inmenging van de kerk in de politiek. Pas na de verloren verkiezingen van 1994 begon Orbán over God, gezin en vaderland – zijn nieuwe kroonjuwelen. “Ik wist niet”, bekende Orbán een vertrouweling, “dat de kerk zo’n belangrijk deel van het Hongaarse leven was.” Tegenwoordig werpt hij zich in toespraken op als de laatste regeringsleider in Europa die nog opkomt voor het witte, christelijke Avondland.

Wie als kerk erkend wordt en wie niet, is afhankelijk van de grillen van de regering, bevestigt David Baer, hoogleraar theologie aan Texas Lutheran University en Hongarije-kenner. “Het is een autoritaire tactiek van de Fidesz-regering. Ze manipuleren de financiële speelruimte. Wie zich goed gedraagt, wordt daarvoor beloond.”

De predikant raast langs uitgestrekte akkers. De wijngaarden liggen er na de oogst kaal bij. Bij een spoorwegovergang komt een man uit een hokje tevoorschijn om de spoorboom met de hand omhoog te takelen.

Bij de daklozenopvang van Gábor Iványi. Sinds kort is het in Hongarije illegaal om dakloos te zijn. Beeld RV -

Vermicellisoep

Iványi parkeert in Gyöngyöspata, een Roma-dorp geurend naar hout­kacheltjes. Hij is hier gast aan huis. De familie Farkas serveert vermicellisoep met witte kool en bange verhalen. Rond de paasdagen van 2011 hielden neonazi’s en gewapende paramilitairen het dorp wekenlang in de greep. De politie keek toe, de mannen zouden het recht hebben op ‘vrije vergadering’. Bij een Roma-gezin ging een steen door het raam, er vielen klappen. “Ik ga hier een huis bouwen van jouw bloed”, kreeg een vrouw te horen.

In de opgehitste sfeer probeerde Iványi de Roma-kinderen op te vrolijken. Naar school konden ze niet. Uiteindelijk moesten alle gezinnen worden geëvacueerd. “Wat deze man voor de armen doet, doet niemand hem na”, weet gastheer János Farkas (58), die aan de komst van de extremisten suikerziekte heeft overgehouden. “We beschouwen hem als een familielid.”

Toen het dak van Farkas begon te lekken, schoot Iványi te hulp met geld voor de reparatie. Hij haalde vrijwilligers uit onder meer Nederland om de huizen in Roma-dorpen op te knappen. Zo’n 3.000 Roma-kinderen gaan naar scholen die zijn stichting runt.

In de woonkamer knoopt de predikant zijn zwarte toga vast en begint zachtjes te zingen. “Geloof je in Christus?”, begint hij de ceremonie. De hele kamer knikt. Iványi doopt een jongen en een meisje. Hij vraagt om Gods zegen en sluit af met een psalm over de herder en zijn 100 schapen, waarvan er één is weggelopen. “Hij liet de 99 achter en ging de ander zoeken.”

In het Roma-dorp een uur buiten Boedapest. De belangrijkste reden waarom Roma-gezinnen op Orbán stemmen, is omdat de regering een rudimentair banenprogramma heeft opgestart. Beeld RV -

Iványi plukt de iPhone uit zijn borstzak, stelt de gps in en start de auto. ­Buiten is het aardedonker. Van Roma-gezinnen als deze weet hij dat ze op ­Orbán stemmen. Belangrijkste reden: de regering heeft een rudimentair ­banenprogramma waarbij dorpelingen tegen een kleine vergoeding tijdelijk kunnen werken. Veel levert dat niet op, maar het is meer dan vóór Orbán, toen er helemaal geen werk was.

“Ze zijn door angst bevangen”, reageert Iványi. “In het dorp komt iedereen te weten op wie je stemt. Dus doe je wat er van je verwacht wordt.” Echte kansen in het leven krijgen de Roma niet. “Het gaat me er niet om dat Orbán ultrarechts is en ik liberaal. Het is immoreel wat hij doet. Hij valt de zwakken en de armen aan.”

Als voorbeeld noemt hij de migratiecrisis. Eind jaren 90, toen de Balkan-oorlog een stoet aan vluchtelingen op gang bracht, nam Hongarije hele dorpen op. “Het had nauwelijks impact, ze werden gewoon verwelkomd. Nu maakt de regering er een show van. Ze verspreidt haat, angst en jaloezie. Mensen zijn van nature beïnvloedbaar, ten goede en ten kwade.”

In Hongarije blinkt de oppositie uit in onderling gekissebis. Steeds meer mensen kijken daarom bewonderend naar de man die ooit de Orbánnetjes trouwde. Afgelopen zomer bijvoorbeeld, toen de Hongaarse grenswachten in de ‘transitzones’ stopten met het uitdelen van voedsel aan asielzoekers. Iványi propte zijn kofferbak vol met witbrood, appels en paté. Een cameraploeg keek mee terwijl Iványi aan het grenshek probeerde te onderhandelen. De beambten stuurden hem weg.

“God zal Orbán straffen, nu hij mensen uithongert”, zegt Iványi zonder op te kijken van het stuur. Hij slaat af naar Lucas 4, het nieuwe testament, waarin de duivel Jezus meeneemt naar een hoge berg. “De duivel overziet de omgeving en zegt: dit kan allemaal van jou zijn. Het geld, de roem. Als je voor me knielt. Christus weigert, hij houdt uitsluitend van God. Gesteld voor die keuze heeft Orbán gefaald. Hij koos voor de macht en het geld.”

Te weinig bedden

Even verderop, in Iványi’s daklozenopvang, doopt een man met wild haar zijn stokbrood in een bekertje mayonaise. Er staat een rij voor de shampoo en zeep. De nacht ervoor, vertellen hulpverleners, is een vrouw zonder papieren op straat overleden, waarschijnlijk aan een leverinfectie. Er zijn in Boedapest niet genoeg bedden voor alle daklozen.

Onder het stapelbed van Róbert Hegedüs (52) schiet een kakkerlak weg. Als een van de weinigen hier heeft Hegedüs een parttimebaantje, als stratenmaker. “Jaaaaaja, we weten dat je het Rode Plein betegeld hebt”, brult een kameraad. Een ander begint sarcastisch te klappen. “Hij staat op om 4 uur! Eerst een biertje en een likeur, daarna gaat hij keihard werken.” Over de nieuwe wet zijn de mannen opvallend mild. “Het houdt de straten schoon. Op straat vries je dood en word je bestolen.”

Hulpverleners zien het anders. “De daklozen die we nu binnenkrijgen, zijn er psychisch vaak slecht aan toe”, zegt de 42-jarige coördinator Miklós Molnár. “Als organisatie kunnen we ze niet aan.” Het echte probleem, vult een collega aan, is “dat deze mensen geen vangnet hebben. Voor een psychiatrisch patiënt die op straat leeft, is er geen andere plek dan hier. De volgende halte is de dood.”

Elders in Boedapest runt Máté Erös (43) een school voor moeilijk lerende Roma-kinderen. Enigszins wrang is het wel. “Als ik slaag met mijn werk, help ik de Fidesz-regering.” Financieel verkeert de school volgens Erös ‘in survivalmodus’. Hadden ze het etiket ‘kerkelijk’ gekregen, rekent hij voor, dan zou de subsidie vier keer zo hoog zijn. Een collega: “Ze willen ons laten doodbloeden.”

Na een gewonnen rechtszaak bij het Europees Hof in Straatsburg kregen Iványi en zijn mensen deze herfst 3 miljoen euro compensatie van de regering. Of het genoeg is, weet Iványi niet. Hij staat diep in het rood. “Het is een wonder dat we de elektriciteitsrekening kunnen betalen.”

Opnieuw gedoopt

Tussen de premier en de predikant zijn alle banden doorgeknipt. Orbáns oudste kinderen zijn – na hun eerste doop door Iványi – opnieuw gedoopt in twee andere kerken (Orbán is hervormd, zijn vrouw katholiek). Binnen de regering vinden ze het logisch dat Iványi’s stichting niet erkend wordt als kerk. “Je moet kiezen of je je liever bezighoudt met geloof of met politiek”, schamperde een parlementslid van de coalitie. Het bevoegde ministerie ging niet in op onze vragen.

Iványi roert in zijn vissoep. Als hij glimlacht, vernauwen zijn ogen zich tot spleetjes. In zijn hoofd ziet hij Orbán rondwandelen in bijbelboek Genesis. “De slang is de slimste der dieren. Hij zaait twijfel bij Adam en Eva – weten ze zeker dat ze niet van de verboden appel mogen eten? Dat is hoe populisten te werk gaan. Ze doen mensen overhellen naar hun versie van de waarheid.”

Gábor Iványi in de daklozenopvang in het centrum van Boekarest. Beeld RV -

Zondagmorgen, Iványi gaat voor in een bakstenen kerk aan de Donau. Een vrouw wil bidden voor de daklozen. Ze heeft gezien hoe mensen begonnen te klappen, toen de politie een dakloze op straat aansprak. Iványi schudt het hoofd. De macht, doceert hij, denkt dat ze alles controleert. “Maar sommige dingen controleren ze niet, zoals dat de zon opkomt in de morgen.” Dan zet het orgel in voor een psalm. Iványi schuift zijn machtige handen in elkaar. Ze vormen haast een dakje.

Steeds meer protest tegen overwerkwet in Hongarije

De protesten in Hongarije tegen een omstreden ‘overwerkwet’ zwellen steeds verder aan. Zondagavond gingen zeker 15.000 Hongaren de straat op en drong een groep parlementsleden van de oppositie het hoofdgebouw van de staatstelevisie binnen.

De actievoerders wilden uitzendtijd om live een aantal eisen aan de regering voor te lezen, maar hebben die niet gekregen. Vervolgens weigerden ze te vertrekken. Twee parlementariërs werden gisterenochtend met geweld naar buiten gewerkt, maar de anderen zijn gebleven.

Even later wisten nog meer ­leden van de oppositie het gebouw binnen te dringen door over het hek te springen. Gisterenavond zaten zij nog in het gebouw en werd er weer gedemonstreerd, al was de opkomst veel kleiner. De ­demonstraties tegen de nieuwe wet, die vorige week woensdag door het parlement is aangenomen, worden steeds groter.

Volgens vakbonden en oppositiepartijen gaat het om ‘een slavenwet’. Werkgevers mogen hun mensen vanaf volgend jaar 400 uur per jaar laten overwerken, wat neerkomt op een extra werkdag per week. Die overuren hoeven ze pas na drie jaar aan de werknemer uit te betalen. Nu mogen werknemers nog maximaal 250 extra uur per jaar overwerken. (VK)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234