Vrijdag 23/07/2021

God, tsaar en volk

belgie in de russische propaganda tijdens de Eerste wereldOorlog

Een vergeten verhaal in de marge van Europalia Rusland: hoe het begin van de Eerste Wereldoorlog werd ervaren in Rusland en hoe het lot van België een nuttig wapen bleek voor de propaganda, ook in de literatuur.

Geen enkel volk werd door de twee wereldoorlogen zo getroffen als het Russische. De verhalen over de Tweede zijn legendarisch: de negenhonderddaagse belegering van Leningrad die zo dramatisch werd getoonzet in Sjostakovitsj' Zevende Symfonie; de 'winter van Stalingrad', waar Louis Paul Boon naar verwijst in Mijn kleine oorlog; de (afhankelijk van de bron) twintig tot dertig miljoen oorlogsdoden; de triomfantelijke rode vlag op de Berlijnse Rijksdag in 1945 - de Grote Patriottische Oorlog heeft als ijkpunt in de herinnering het communisme overleefd. Veel minder bekend is dat Rusland ook tijdens de Eerste Wereldoorlog het meeste slachtoffers te betreuren had (meer dan zes miljoen dode en gewonde soldaten). En geen detail in de geschiedenis: de alles ontwrichtende Eerste Wereldoorlog leidde in Rusland tot het einde van het tsarenrijk en het begin van de Sovjet-Unie.

In de opmerkelijk hete zomer van 1914 laat weinig in Rusland vermoeden dat het zo zal lopen. Een cynische historicus heeft weleens opgemerkt dat dezelfde joelende massa die in 1917 het paleis van de tsaar zou bestormen, diezelfde tsaar had staan toejuichen toen die drie jaar eerder Ruslands lot had verbonden met dat van de Serviërs die door de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie op 28 juli de oorlog was verklaard. Wanneer Duitsland in dat klimaat op 1 augustus Rusland de oorlog verklaart wordt het vaderlandslievende kookpunt snel bereikt. De welhaast hysterische sfeer in het Rusland van die dagen wordt onder meer opgeroepen in een collage van contemporaine krantenknipsels in Aleksander Solzjenitsyns docuroman Augustus Veertien (1971). In patriottische poëzie wordt in de kranten de eenheid met de Servische geloofsgenoten en mede-Slaven benadrukt. De Duitse agressor zal door God worden gestraft in wat zich aandient als de ultieme en laatste oorlog in de Europese geschiedenis. Vertegenwoordigers van elke etnische groep en religie binnen het Russische rijk komen samen in de Doema en verklaren zich solidair. Honderdduizend Russen verzamelen aan het Winterpaleis en knielen aldaar plechtig, vlaggen en iconen in de hand. God, tsaar en volk vormen een onoverwinnelijke drie-eenheid.

De stemming is tegelijk vastberaden en grimmig. Vier gietijzeren beelden die een stel paarden mennen, worden van het dak van de Duitse ambassade getrokken en verdronken in de Moika. Hoewel sommige schrijvers de oorlog meteen als een gruwelijke catastrofe duiden, sluiten de meeste vooraanstaande en opkomende artiesten zich enthousiast bij de officiële retoriek aan. Zowel symbolisten van de oude garde (Fjodor Sologoeb, Valeri Brjoesov) als hun tegenstanders (Sergej Gorodetski, Georgi Ivanov...) halen samen met hun rijmwoordenboek ook hun sabels boven en roemen de eervolle, heilige oorlog die de langverwachte regeneratie van de Russische geest zal bewerkstelligen. "God tegen de aanvaller!", roept Sologoeb, waarmee hij niet als laatste zal claimen de Almachtige aan zijn zijde te weten. Voor de dichter zelf is dit een grote stap: terwijl de symbolisten zich veelal op de achtergrond van het wereldgebeuren ophielden en zich wentelden in de satanische decadentie van het boudoir, ontpopt hij zich in deze dramatische omstandigheden plots als een godvrezende spreekbuis van de natie. Zijn collega Brjoesov vertolkt intussen in het gedicht 'De laatste oorlog' een stem die ook elders op het continent weerklinkt: deze oorlog betekent voor Europa het einde van een tijdperk en onwillekeurig dus ook het begin van een nieuwe beschaving. Meer nog: de broodnodige vernieuwing kan enkel door destructie worden bereikt. Een heel klein beetje oorlog maakt alles nieuw. Brjoesov verlaat onmiddellijk zijn ivoren toren en vertrekt als oorlogsjournalist naar Polen, klaar om de omwenteling van de wereldgeschiedenis op de eerste rij mee te maken.

Ook de jongste generatie dichters laat zich inmiddels niet onbetuigd. De futurist Vladimir Majakovski schrijft op 2 augustus het gedicht 'De oorlog is verklaard', waarin hij de oorlogszuchtige retoriek van de kranten naadloos vervlecht met zijn eigen opgefokte enthousiasme en de concrete blijken van strijdvaardigheid bij de bevolking. Hij werpt ook zijn andere artistieke talent in de strijd; samen met andere avant-gardekunstenaars als Kazimir Malevitsj en David Boerljoek maakt Majakovski anti-Duitse spotprenten, die de dichter in rijmende coupletten van bijtende onderschriften voorziet.

Wanneer op 4 augustus Duitsland het neutrale België binnenvalt en het zich bij de verovering van die kleine lap grond te buiten gaat aan ongekende wreedheden en oorlogsmisdaden, groeit brave little Belgium uit tot het centrum van de geallieerde propaganda. Ook vooraanstaande kunstenaars zetten zich in. Zo componeert Claude Debussy een 'Berceuse héroïque' waarin hij enkele maten uit de Brabançonne verwerkt. En ook in het verre Rusland bevindt België zich plots in het middelpunt van de politieke en artistieke belangstelling. Opnieuw laat Sologoeb als eerste van zich horen. In zijn poëem 'De Belg' laat hij een denkbeeldige ivoorhandelaar in Congo aan het woord die zich - onbedoeld en pijnlijk ironisch in deze koloniale context - streng uitspreekt tegen de minachting dat de Duitsers de Belgische soevereiniteit hadden betoond.

Enkele dagen later springt ook Valeri Brjoesov wat onhandig op de Belgische propagandakar. In 'Aan de Vlamingen' zegt hij - nota bene naar aanleiding van de val van Luik - het hele Belgische volk zijn steun toe. Een bewijs van de gigantische afstand tussen de beide landen, zou je denken. Tegelijk suggereert dit gedicht ook het tegendeel, want Brjoesovs vergissing had alles te maken met zijn liefde voor de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren die hij in het Russisch had vertaald en die hij in dit huldegedicht vermeldt.

Ook de bekendste Russische symbolist, Aleksander Blok, laat zich verleiden tot een pro-Belgisch vers. In een aparte België-bijlage van de krant Den' publiceert hij eind oktober - kort na de capitulatie van de havenstad - het gedicht 'Antwerpen'. In 1911 was hij daar zelf op bezoek geweest en de verzen die hij er nu over schrijft vertonen een opmerkelijke overeenkomst met zijn reisnotities van toen: de vergelijking van de Schelde met de Neva, de bedrijvigheid in de haven, zijn geliefde Quentin Matsys in het museum... mooie beelden die in de Antwerpse herfst van 1914 en in Bloks gedicht omineus doorbroken worden door een in het laatste vers opduikend vliegtuig - een alles verstorende storm is op komst. In de genoemde bijlage doet Sologoeb intussen een poging 'Troost voor België' te voorzien, terwijl hij zich tegelijkertijd een vertrouwensvol patriot betoont. In dit gedicht beroept hij zich op een Franse helderziende die een Russische overwinning in Berlijn voorspelde voor 1915. Elders in deze krant wordt België voorgesteld als het moderne Heilige Land, een land dat als Christus op het kruis wordt genageld omwille van de zonden van de wereld.

Zo geliefd blijkt België als thema in de Russische propagandapoëzie dat de scherpzinnige pacifiste Zinaida Hippioes haar collega's-dichters in een gedicht oproept niet langer het droeve lot van dat kleine land te exploiteren. Enkel stilte getuigt volgens haar van een respectvolle omgang met de horror. Alvast de futuristen geven geen gehoor aan haar oproep. Majakovski (die zelf koning Albert vermeldt in zijn gedicht 'De ruggegraatsfluit') zet zelfs verzen over België in een literaire polemiek in, wanneer hij de maat neemt van zijn rivaal Igor Severjanin. In een gedicht over "het verzengde België, het lijdende Oostende"; dat hij vaak, begeleid door muziek, in een bekend Petrograds cabaret voordraagt maar ook op officiële concerten, komt Severjanin niet verder dan gelamenteer over oesters. Volgens Majakovski getuigt dit, gezien de ontberingen van België, van slechte smaak.

Severjanins kitschvers geeft al aan dat België niet alleen als propagandamiddel maar ook om escapistische redenen in de smaak valt bij de Russen. Ook in het circus groeit het uit tot een geliefd thema. Het Moskouse Nikitin Circus boekt grote successen met de pantomime 'De Grote Oorlog van 1914 ter land, ter zee en in de lucht: de overstroming van België', waarbij een luchtgevecht tussen een vliegtuig en een zeppelin wordt geënsceneerd en de ring - naar analogie met de Belgische heldendaad aan de IJzervlakte - onder water wordt gezet. Ook het theater en de film in Rusland variëren op het Belgische thema, waarbij vooraanstaande dramaturgen en beginnende animatiefilmers dankbaar gebruikmaken van de verhalen over Duitse wreedheden om het horrorgenre verder te ontwikkelen. Ook hier spelen Belgische culturele iconen een rol, want het hoofdpersonage in een van de stukken wordt gemodelleerd naar de in Rusland erg populaire Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck.

"Voor de Groote Oorlog, toen Europa nog bestond...", schreef Benno Barnard onlangs in een van die nostalgische burgerboutades waarin hij zo kan excelleren. Als je kijkt naar de vanzelfsprekende culturele contacten tussen Franse, Belgische, Duitse, Italiaanse én Russische kunstenaars voor de Eerste Wereldoorlog kun je hem enkel gelijk geven. Vandaag kan CSKA Moskou nog wel de UEFA-cup winnen, maar wordt gesuggereerd dat Rusland in Europalia niets te zoeken heeft. Wordt het als ondenkbaar voorgesteld dat Rusland bij de Europese Unie zou komen. Voor die noodlottige zomer van 1914 en de Revolutie van 1917 hoorde Rusland er echter bij, als een weliswaar vreemde oom, met aparte religieuze gewoonten en een onleesbaar schrift, maar toch: een deel van Europa, die cultuur die op nooit geziene wijze zichzelf aan flarden heeft geschoten.

Geert Buelens

Geert Buelens werkt aan een boek over de Europese dichters van de Eerste Wereldoorlog: Europa, Europa verschijnt in 2006. Voor dit artikel maakte hij onder meer dankbaar gebruik van Ben Hellman, Poets of Hope and Despair. The Russian Symbolists in War and Revolution (1914-1918), Helsinki, 1995 & Hubertus F. Jahn, Patriotic Culture in Russia during World War I, Cornell University Press, 1995.

De Europalia-tentoonstelling Avant-garde in Rusland (1900-1935); loopt nog tot 22 januari in Bozar/Paleis voor Schone Kunsten, Brussel. Info: 02/507 82 00

Wanneer op 4 augustus Duitsland het neutrale België binnenvalt, groeit brave little Belgium uit tot het centrum van de geallieerde propaganda

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234