Woensdag 26/01/2022

ReportageMidden-Oosten

'God heeft ons dit land gegeven': op reis door een tot op het bot verdeeld Israël

Toeristen genieten van een duik in het Meer van Galilea, in het noorden van Israël. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Toeristen genieten van een duik in het Meer van Galilea, in het noorden van Israël.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Wat betekent het om vandaag Israëli te zijn? We reisden met die vraag door het land. We troffen een brede waaier aan mensen, die allemaal op zoek zijn naar een groepsgevoel maar mijlenver van elkaar af staan. ‘Stop ermee de mensen op te delen!’

Patrick Kinsley

We treffen Shai Melamud net voor zonsondergang aan. Hij staat op zijn terras in de buurt van de noordelijke grens van Israël. De helling tegenover zijn huis is zwartgeblakerd door de inslag van een vanuit Libanon afgevuurde raket. De 86-jarige Melamud werd dertien jaar voor het ontstaan van de staat Israël geboren. Hij groeide op in deze heuvels als zoon van vroege zionisten die hielpen bij de bouw van een van de eerste kibboetsen – Joodse collectieve boerderijen – in de omgeving.

Tijdens het avondeten vertelt hij over het Arabische dorp dat ooit op de nu lege heuvel in het noorden prijkte. De bewoners trokken in 1948 weg, op de vlucht voor de oorlog die Israël deed ontstaan. Hij weet nog hoe hij op het paard van zijn vader de grens met Libanon passeerde, in de dagen toen Israël nog slechts een idee in zijn vaders hoofd was. En hij vraagt zich af wat zijn vader vandaag van het land zou denken.

“Als hij er nu naar zou kijken,” denkt Melamud, “dan zou hij één zin zeggen: ‘Dit is niet het kind waarvoor wij gebeden hebben.’”

De kibboets van Melamud, Kfar Giladi, was de eerste halte op een reis die ik onlangs met fotojournaliste Laetitia Vancon maakte, van het uiterste noorden in Israël naar het zuidelijkste punt. Israël is een klein land, amper 420 kilometer lang. In zes uur ben je erdoor. Wij deden er tien dagen over, om meer inzicht te krijgen in het kind waarvoor Melamuds vader had gebeden.

We troffen een land aan dat nog worstelt met de contradicties die niet werden opgelost bij zijn geboorte en met de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Gaza in 1967. We troffen mensen aan die geconfronteerd werden met complexe vragen over wat het betekent Israëli te zijn, of een Palestijnse burger van Israël. En we stootten op een strijd van narratieven – niet alleen tussen Joden en Arabieren, maar evengoed tussen Joden onderling.

De stichters van Israël hoopten een smeltkroes te creëren, een samenleving die verscheidene gemeenschappen tot één Joodse staat vermengde. Wij leerden een Israël kennen dat bijwijlen aanvoelde als een niet-legbare legpuzzel – een verzameling niet-compatibele facties, elk met zijn eigen prioriteiten, grieven en geschiedenis.

In bepaalde opzichten pasten de stukken. We begonnen eind augustus aan onze reis, een paar weken na de installatie van een nieuwe regering die meer dan alle vorige de politieke en etnische diversiteit van het land weerspiegelt. Het is een coalitie van linkse en rechtse partijen, voor het eerst in tien jaar zonder Benjamin Netanyahu, de leider met de langste staat van dienst in Israël, en de eerste ooit met een onafhankelijke Arabische partij.

Maar hoe grensverleggend dat ook was, de onderliggende spanningen en ongelijkheden bleven intact – de voortdurende bezetting, de blokkade van Gaza, de sociale verschillen die Israël al sinds zijn ontstaan verdelen: tussen Joden uit Europa en het Midden-Oosten, tussen seculieren en gelovigen, tussen de Joodse meerderheid en de Arabische minderheid.

Shai Melamud, zoon van vroege zionisten, op het kerkhof van Kfar Giladi. ‘Als mijn vader Israël vandaag zou zien, zou hij ontgoocheld zijn.’ Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Shai Melamud, zoon van vroege zionisten, op het kerkhof van Kfar Giladi. ‘Als mijn vader Israël vandaag zou zien, zou hij ontgoocheld zijn.’Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Na etnische oproer in mei onderstreepten alsmaar meer Arabische Israëli’s hun Palestijnse identiteit. En hoe divers ze ook was, de nieuwe regering was er één zonder ultraorthodoxe partijen, en die waren furieus. Het zijn die seculier-religieuze spanningen, denkt Melamud, die zijn vader het hardst zouden choqueren.

Zijn kibboets is semi-geprivatiseerd. Zoals de staat zelf zijn veel kibboetsen weg geëvolueerd van hun socialistische grondvesten. Het land wordt vooral bewerkt door Thai, niet door Israëli’s. En het sobere pension is nu een boetiekhotel.

Maar wat Melamud vooral dwarszit, is de groeiende ultraorthodoxe bevolking van Israël, de charedim. Van ongeveer 40.000 in de jaren 1940 zijn ze gegroeid tot een populatie van meer dan 1 miljoen, en dat op een bevolking van 9 miljoen mensen. De charedim staan in zijn ogen voor een enge versie van het judaïsme die het land meer verdeelt dan verenigt, en die een bedreiging vormt voor de seculaire visie van de stichters van de staat. Tezelfdertijd kosten ze de staat veel geld met hun religieuze studie en hun jacht op subsidies en andere voordelen, terwijl ze geen legerdienst doen en niet tot de arbeidsmarkt toetreden. “Ze maken veel kapot”, vindt Melamud.

Alles in teken van God

Een uur rijden zuidelijker zigzaggen we de flanken van Tiberias op, een vervallen, vermoeide stad op de westelijke oever van het Meer van Galilea, waar we halt houden bij een charedisch restaurant. Het is donderdagavond, de start van het weekend in Israël, en charedische gezinnen staan in de rij voor cholent, een populaire Joodse stoofpot.

Het kleine restaurant van Yehoshua Blumenthal bestaat een jaar en was een nieuwkomer in een buurt die historisch grotendeels seculier was. Zoals veel van zijn klanten groeide Blumenthal op in Centraal-Israël, in een ultraorthodoxe enclave waar kroostrijke charedische families vanwege de beperkte huisvesting in alsmaar krappere woningen moesten hokken. In 2015 had hij er genoeg van. Voor de helft van de prijs van zijn oude appartement vond Blumenthal (25) hier een veel groter huis.

Al snel kregen de Blumenthals het gezelschap van duizenden anderen van hun chassidische gemeenschap. Veel van hen kochten een woning dankzij donaties die ze kregen van een charedische liefdadigheidsinstelling. Charedische onderzoekers schatten dat sinds 2006 het charedische deel van de stad van 13 procent tot 20 procent is toegenomen.

“Of we dat nu willen of niet, Tiberias zal uiteindelijk een charedische stad worden”, zegt Blumenthal, die Hebreeuws spreekt met Jiddische tongval. “Maar zolang we het leven van de seculiere mensen hier niet verstoren, zie ik daar het probleem niet van.”

De charedim van Tiberias stammen uit tal van ‘sekten’ (religieuze gemeenschappen), en vertonen afwijkende houdingen tegenover de Israëlische staat, de huidige regering en de Palestijnen. In het restaurant zeggen sommige klanten dat ze de zekerheid die de staat biedt op prijs stellen, en de kansen die ze zo krijgen om te leven op grond waarvan ze geloven dat God die voor hen heeft voorbestemd. Maar door zijn secularisme hebben ze moeite met de staat zelf en vinden ze het moeilijk zijn instellingen te erkennen. Voor één man heeft de zionistische staat niet meer legitimiteit dan het Ottomaanse Rijk dat tot 1918 de plak zwaaide.

Blumenthal bekijkt het anders. Hij aanvaardt de legitimiteit van de staat, maar fulmineert tegen de wijze waarop de nieuwe regering de charedische manier van leven verstoort. Ongeveer de helft van de charedische mannen werkt niet, zodat ze voltijds de religieuze teksten kunnen bestuderen. Bijna allemaal zijn ze om dezelfde reden vrijgesteld van militaire dienst.

‘Ons recht om hier te leven is gebaseerd op het feit dat God ons dit land gegeven heeft’, zegt Yehoshua Blumenthal, een charedi-jood in Tiberias. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
‘Ons recht om hier te leven is gebaseerd op het feit dat God ons dit land gegeven heeft’, zegt Yehoshua Blumenthal, een charedi-jood in Tiberias.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Toen er minder charedim waren, was dat geen groot probleem. Maar de aangroeiende charedi-bevolking – ongeveer 13 procent van het land – versterkt de eis van seculieren dat charedim meer betrokken worden bij de landsverdediging en de economie van Israël.

De nieuwe regering reageerde, onder meer door bepaalde kinderopvangsubsidies af te schaffen voor vaders die liever fulltime met religieuze studie bezig zijn dan een baan te zoeken. Ze bekijkt ook wat haar te doen staat na een uitspraak van het Hooggerechtshof die de vrijstelling van militaire dienst voor charedim ongrondwettelijk verklaarde.

Blumenthal vindt de kritiek op de manier van leven van de charedim oneerlijk. Velen betalen wel degelijk belastingen en dragen bij aan de economie, zegt hij, en er zouden meer charedim naar het leger gaan als dat rekening zou houden met de wensen van ultraorthodoxen, zoals door meer uitsluitend mannelijke eenheden in het leven te roepen.

Volgens hem ondermijnt de regering de joodsheid van Israël, waardoor de legitimiteit van Israël op de helling staat. “Als het geen Joodse staat is, dan hebben we niet het recht hier te leven”, zegt hij. “Ons recht om hier te leven is gebaseerd op het feit dat God ons dit land gegeven heeft.”

Tussen bezetting en samenleven

We rijden naar het centrum van Haifa, een stad aan de Middellandse Zee, langs brede wegen aangelegd op de ruïnes van een Arabische wijk die na de oorlog van 1948 afgebroken werd. Hier en daar staan restanten van wat was: een moskee, een kerk, een bouwvallige muur – vluchtige flarden van een Palestijns verleden tussen de moderne Israëlische kantoorgebouwen en parkings.

Voor velen symboliseert Haifa het Arabisch-Joodse samenleven. Het heeft een grotere Arabische populatie dan de meeste Israëlische steden. De viceburgemeester is een Arabier. In het kunstenmuseum loopt momenteel een tentoonstelling van Palestijnse schilders.

Maar voor Palestijnse inwoners zoals Asmaa Azaizeh, een dichteres die culturele evenementen in de stad organiseert, blijft Haifa net zo bezet als de Westelijke Jordaanoever. We hebben met haar afgesproken in Fattoush, een Palestijns café dat er een punt van maakt zowel Joden als Palestijnen te ontvangen, waar Azaizeh ooit een boekwinkel uitbaatte.

Vergis u niet, zegt ze: het café is een van de weinige echt gedeelde plekken in de stad.

Elke keer als ze de stad binnenrijdt, onderstrepen de kantoorgebouwen opgetrokken op de verwoeste Arabische wijk haar gevoel van vervreemding, zegt ze. Ze wijzen haar erop dat de Arabische inwoners de stad in 1948 ontvlucht zijn. “Ze zeggen me in mijn gezicht: dit is niet van jou.”

Pas als Israëlische Joden toegeven dat haar stad bezet gebied is, zegt ze, kan een betekenisvolle dialoog over de toekomst tot stand komen. Ze hoopt dat die toekomst een eengemaakte staat voor Israëli’s en Palestijnse behelst, met gelijke rechten voor iedereen – een idee dat de meeste Israëlische Joden verwerpen omdat het het einde zou betekenen van Israël als Joodse staat.

“Ik zeg niet: we werpen ze in de zee. Natuurlijk niet”, zegt ze. “Integendeel, ik vind echt dat we samen iets moeten doen. Maar doe niet van: ‘Oké, we hebben de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever bezet – en dit hier is Israël.’ Nee, het is niet Israël. Het is Palestina.”

Feest in de Palestijnse bar Fattoush in Haifa, waar ook Joodse Israëli’s welkom zijn. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Feest in de Palestijnse bar Fattoush in Haifa, waar ook Joodse Israëli’s welkom zijn.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Sloppenwijk voor Mizrachim

Voor de inwoners vormen de ongeplaveide straten van Givat Amal Bet, een kleine vervallen buurt in Tel Aviv, het bewijs van de aanhoudende discriminatie door Israël van Joden met wortels in het Midden-Oosten. Nadat de Arabieren het dorp dat zich hier in 1948 bevond ontvlucht waren, lokten de Joodse leiders massaal Joodse families uit het Midden-Oosten, de Mizrachim, naar de lege huizen om het moeilijker te maken voor Arabieren om terug te keren.

Het plan werkte. Maar in de daaropvolgende decennia werden de Mizrachi-families nooit volledig eigenaar van hun huis en kregen ze ook niet de toestemming om te bouwen. Ook al groeide de invloed van de Mizrachim op nationaal vlak – ze vormen meer dan de helft van de Joodse bevolking –, toch bleef het stadsbestuur de buurt elementaire voorzieningen ontzeggen.

Givat Amal Bet oogt nog altijd als een sloppenwijk, zijn steegjes zijn niet aangegeven op Google Maps. Om de buurt te vinden moeten we een nabijgelegen straat ten einde rijden, links aan een eucalyptusboom afdraaien, en dan een inwoner opbellen om ons te komen halen.

Voor Levana Ratzabi (77), sinds 1948 inwoner van Givat Amal Bet, komt dat allemaal doordat zij en haar buren Mizrachim zijn. Buurten in de omgeving met een meerderheid van Oost-Europeanen, of Asjkenazim, hadden veel minder problemen met ruimtelijke planning, ook al kwamen ze er in gelijksoortige omstandigheden terecht.

De discrepantie weerspiegelt een ruimer patroon van discriminatie die ontstond in de vroege jaren van de staat, toen de Asjkenazi-leiders nieuwe Mizrachi-immigranten – vaak niet lang tevoren uitgewezen uit Arabische buurlanden – vooral in afgelegen steden en slecht uitgeruste kampen vestigden. Decennialang kampten de Mizrachim met vooroordelen als ze solliciteerden voor banen, een huis zochten of naar de universiteit wilden gaan.

“Mijn hele leven lang heb ik te maken gehad met discriminatie”, zegt Ratzabi, een gepensioneerde traiteur. “Als mensen mijn familienaam hoorden, kenden ze mijn origine.”

Als kind werd ze geconfronteerd met etnisch geïnspireerd geweld op de bus. Een lokale school weigerde haar kinderen in te schrijven. In 1989 stapte haar 15-jarige zoon Keren uit het leven, volgens haar omdat de vader van zijn Ashkenazi-vriendin haar verbood om te gaan met een Mizrachi-jongen.

Al tientallen jaren proberen de autoriteiten de inwoners van Givat Amal Bet weg te krijgen. De grond is verkocht aan projectontwikkelaars, die verscheidene woontorens voor de business-elite van Tel Aviv aan het bouwen zijn. Sommige mensen zijn al onteigend en hebben compensatie ontvangen.

Wie blijft, zoals Ratzabi, zegt dat ze niet vertrekken voor ze een eerlijker financiële compensatie krijgen. Ze vrezen uit hun huis gezet te worden, mogelijk zelfs binnen een paar dagen.

Wodka en andere Rusland-clichés

Aan de muur boven haar bureau in haar appartement in Tel Aviv heeft Xenia Sova een tekening van het huis uit haar kindertijd gehangen. Dat bevond zich in Voronezh, in het westen van Rusland.

Sova, een 35-jarige illustrator, speelgoedmaker en YouTube-influencer, had nog nooit van het judaïsme gehoord tot een klasgenoot op een dag een antisemitisch scheldwoord naar een andere scholier slingerde. “Wat is een Jood?”, vroeg Sova aan haar grootmoeder van moederszijde. “Ik en je grootvader”, antwoordde haar grootmoeder.

Volgens de Israëlische wet gaf die afstamming Sova, toen 15, en haar moeder het recht om in 2001 te immigreren. Ze vormden de achterhoede van een migratiegolf die meer dan een miljoen mensen van oude Sovjet-staten naar Israël voerde. Die groep staat vandaag bekend als de Russische Israëli’s, ongeacht of ze daadwerkelijk uit Rusland kwamen.

Zoals veel mensen uit de oude Sovjet-Unie had Sova moeite om haar plek te vinden. Ze vond het Hebreeuws een moeilijke taal en spreekt het nog altijd met een accent. De directeur van haar school gaf haar een standje omdat ze Novi God vierde, het Russische Nieuwjaar. De mensen maakten grapjes over Russen die te veel wodka dronken en het nooit koud hadden.

“Ik hoorde zo veel clichés”, zegt ze. “Er was een muur tussen de Russen en de niet-Russen.”

Haar traject naar een gevoel voor Israël verliep via de Mizrachi-cultuur die ze overal tegenkwam. Ze hoorde het vaakst Mizrachi-pop op de radio, ze at het vaakst Mizrachi-gerechten op restaurant. Haar leven werd een allegaartje van de cultuur waarin ze geboren was en haar nieuwe cultuur.

Ze hoopt dat die synthese, Russisch-Mizrachi fusion, kan helpen om van de Israëlische samenleving opnieuw een smeltkroes te maken, in plaats van een mozaïek van wedijverende stammen. “We zijn Israëli’s, en jouw cultuur is mijn cultuur”, zegt ze. “Stop ermee de mensen op te delen in Russen, Amerikanen, Fransen, Mizrachim – stop! We zijn Israëli’s.”

Palestijnse mannen wachten aan een checkpoint op de bezette Westelijke Jordaanoever. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Palestijnse mannen wachten aan een checkpoint op de bezette Westelijke Jordaanoever.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Kunstzinnige kolonisten

Palestijnen moeten soms uren aanschuiven aan de controleposten van de Westelijke Jordaanoever. Maar met onze Israëlische nummerplaat worden we amper opgemerkt als we het territorium betreden. Zoals meestal slaat de grenswacht nauwelijks acht op het Israëlische verkeer dat door de controlepost raast die Israël met het zuiden van de Westelijke Jordaanoever verbindt.

Daar aangekomen zie je nog altijd patrouilles van Israëlische politie op de grote wegen, verkeersborden met Israëlische opschriften, Israëlische tankstations waar je betaalt met Israëlische sjekel. Tot we passeren door een Palestijnse stad bestuurd door de Palestijnse Autoriteit – waar de Hebreeuwse bewegwijzering verdwijnt en de gps, die niet goed werkt in door Palestijnen bestuurd gebied, begint op te spelen – lijkt het wel alsof we de staat Israël nooit verlaten hebben.

We arriveren in de Israëlische nederzetting Tekoa ten oosten van Bethlehem, waar het jaarlijkse kunstfestival volop bezig is. Twee hedendaagse dansers van wereldformaat geven een speciaal optreden en wervelen over de vloer van een galerie. Je waant je in Tel Aviv.

Ongeveer 700.000 Israëli’s, een tiende van de Joods-Israëlische bevolking, leven in meer dan 130 nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, alsook in Oost-Jeruzalem, dat Israël annexeerde nadat het het in 1967 op Jordanië veroverd had. Israël beschouwt de nederzettingen als legaal, het grootste deel van de wereld niet (volgens internationaal recht), en de plek waar vele ervan zich bevinden maakt de mogelijkheid van een aaneengesloten Palestijnse staat hoogst onwaarschijnlijk.

Sommige kolonisten zijn daar omdat ze geloven dat het land door God aan de joden beloofd is. Sommigen vinden dat Israël de Westelijke Jordaanoever moet controleren voor zijn eigen veiligheid. Anderen verhuisden naar de nederzettingen omdat grond er goedkoper is.

En dan zijn er de 4.000 inwoners van Tekoa, onder wie kunstenaars en politiek gematigde mensen, die zeggen dat ze voor gelijkheid van Palestijnen zijn, althans in theorie.

Daniella Levy, een 34-jarige schrijfster, is een van hen – en een zelfverklaarde ‘ambivalente kolonist’. Ze verhuisde vooral naar de Westelijke Jordaanoever vanwege haar echtgenoot, die er al woonde voor hun huwelijk. Ze bleven ook gedeeltelijk omdat ze zo in de nabijheid van Jeruzalem konden wonen, waar huisvesting bijzonder duur is. En ze houden van de creativiteit die in Tekoa heerst.

Disengegament, haar roman uit 2020, beschrijft de terugtrekking van Israël uit de nederzettingen in Gaza in 2005, verteld via de stemmen van rechtse kolonisten en linkse vredesduiven. Zou ze ooit weggaan uit de Westelijke Jordaanoever? “Ik zou wat graag weggaan als dat vrede zou brengen”, zegt Levy. “Maar ik denk niet dat dat het geval zal zijn. Ik denk niet dat er vrede gaat komen door bevolkingen te scheiden en weg te voeren.”

Ze twijfelt echter of de Palestijnen en de Joden bereid zijn samen te leven in een eengemaakte, egalitaire staat. “Ik vind dat de Palestijnen rechten moeten krijgen, en dat ze in staat moeten zijn een goed leven te leiden zoals ik”, zegt ze. “Maar om dat te doen werken, moet er een basis van vertrouwen zijn die er niet is.”

De nieuwe Israëlische regering kan volgens haar helpen om dat vertrouwen op te bouwen, want de samenstelling biedt een model voor Arabisch-Joodse samenwerking. “Misschien kunnen we via kleinere afspraken langzaam ook de grotere kwesties aanpakken.”

In Tekoa zelf zijn de kansen om het wederzijdse vertrouwen te versterken echter klein. Levy heeft weinig contact met lokale Palestijnen, de vluchtige ontmoetingen met Palestijnse winkeluitbaters en de bouwvakkers die huizen zetten niet te na gesproken.

Voor de Palestijnen aan de andere kant van de vallei, die we die dag ook spreken, vormt de nederzetting zelf een obstakel voor vertrouwen, als voorbeeld van een tweeledig juridisch systeem dat ze vergelijken met apartheid. Tekoa werd gebouwd in de jaren 1970 en 1980, nadat Israël de site had omgevormd tot een afgesloten militaire zone, verboden voor Palestijnen, die, ook al maakten ze formeel geen aanspraak op de grond, het land al generaties lang als boeren verbouwd hadden.

Ethiopi­sche Israëli’s voelen zich vaak vervreemd in hun land. Bazzi B beschrijft dit gevoel in zijn raps. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Ethiopi­sche Israëli’s voelen zich vaak vervreemd in hun land. Bazzi B beschrijft dit gevoel in zijn raps.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Black Lives matter

Op onze reis zien we talloze shikunim, goedkope huisvestingsprojecten die overal in Israël in de jaren na de stichting van de staat werden opgezet. Ze werden in zeven haasten opgetrokken om onderdak te bieden aan de golf van nieuwe immigranten, en bestaan uit franjeloze gebouwen met kleine vensters, vaak nog met dezelfde standaardbenaming – Shikun A, Shikun B – als toen ze voor het eerst in gebruik genomen werden.

Moshe Tateka Tasama, een Ethiopisch-Israëlische rapper, groeide op in een shikun in Kiryat Gat, een kleine, onopvallende stad ten noorden van de Negev-woestijn die in 1954 gesticht werd. We arriveren op een woensdag bij zonsondergang.

Tasama (31) toont ons het pleintje waar hij en zijn vrienden uithingen als ze spijbelden, en de straten waar hij tegengehouden en vaak gearresteerd werd door de politie voor onder meer drugsgerelateerde misdrijven, het bezit van een mes of bedreiging van politieagenten. Een regeringscommissie stelde onlangs vast dat Ethiopische Israëli’s buitenproportioneel vaak vervolgd worden door het gerechtelijk systeem, en Tasama was geen uitzondering.

Beter bekend onder het pseudoniem Bazzi B heeft Tasama enige bekendheid opgebouwd door over het harde leven in de shikun te rappen. Als tiener liep hij verloren – en vroeg hij zich af hoe hij paste in het Israëlische verhaal als kind dat opgroeide in een geïsoleerd immigrantenstadje in de marge van de Israëlische samenleving. De geschiedenislessen op school gingen over Israëli’s van Europese en Midden-Oosterse origine, en niet over de kleine Joodse gemeenschap die al eeuwen overleefde in Oost-Afrika.

“Ik vond mezelf hier niet thuishoren”, zegt hij. “Het leek alsof een pad voor me was uitgetekend, maar dat iemand anders er gebruik van maakte.”

Dat gevoel van vervreemding leeft sterk bij de 150.000 Israëli’s van Ethiopische origine, van wie velen in de jaren 1980 en 1990 vanuit Ethiopië werden ingevlogen. Sommige rabbijnen betwistten de legitimiteit van hun tak van het judaïsme. Slechts een vijfde van de volwassenen heeft een universiteitsdiploma, de helft van de nationale ratio. Het gemiddelde gezinsinkomen bedraagt een derde van het nationale gemiddelde. Een overheidsonderzoek stelde in 2015 vast dat het aantal jongeren van Ethiopische origine in de gevangenissen verhoudingsgewijs tien keer hoger lag.

Tasama zat vaker vast dan hij zich kan herinneren, en hij verstijft nog altijd als hij een politiesirene hoort. Ethiopiërs van de eerste generatie hielden zich gedeisd als het daarover ging. Maar de generatie van Tasama verzet zich, protesteert tegen politiegeweld en haalt daarvoor inspiratie bij de Black Lives Matter-beweging.

Tasama behandelt het thema ook in zijn muziek. Zijn song ‘It’s Time’ opent met de namen van tien recente Ethiopische slachtoffers van politiegeweld, en sluit af met een waarschuwing: “A system that doesn’t value me will fall like David before King David.”

Ook Palestijnen vinden inspiratie bij Black Lives Matter. Ik vraag hem of hij daardoor ooit gelijkenissen is gaan zoeken tussen hun strijd en de zijne. Hij zegt dat hij daar nooit over nagedacht heeft. Eigenlijk heeft zijn strijd om erbij te horen hem veeleer in de tegenovergestelde richting gestuurd: wat hem finaal moed geeft, zegt hij, is zijn verbondenheid, als Jood, met dit land. “Het is ons recht hier te zijn”, zegt hij. “Dit is de plek die God ons gegeven heeft.”

Nomaden zonder land

We misten de afslag naar Araqib, een bedoeïenengehucht in de Negev-woestijn. Araqib staat niet op officiële landkaarten, en er staat ook geen wegwijzer naartoe op de snelweg. Om het te vinden, moet je weten waar te kijken.

De politie weet dat duidelijk. Ze arriveren een uur na ons, in een konvooi van vijf politiewagens en een truck met daarop twee bulldozers, die de paarden van de dorpelingen op hol doet slaan in de woestijn. De oudere overste van het dorp ligt op het zand onder een boom, in de weer met zijn gebedssnoer. Hij springt recht en roept tegen zijn zoon dat hij achter de politie aan moet gaan. “Neem foto’s”, beveelt hij.

Een zinloze operatie. De politie heeft sinds 2010 191 delen van het dorp vernield, stelt een mensenrechtenwaakhond. Een camera heeft hen nooit tegengehouden. Deze keer slaan de bulldozers twee tenten neer, waarna ze even snel weer verdwijnen als ze gekomen zijn. “Dat was nummer 192”, zegt Aziz al-Turi, de zoon van de sjeik.

De familie Al-Turi stamt af van Arabische bedoeïenennomaden die eeuwenlang in de regio rondtrokken en zich vervolgens in de Negev vestigden toen Israël gesticht werd.

Kinderen pompen water op in bedoeïenendorp Araqib, in de Negev-woestijn. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Kinderen pompen water op in bedoeïenendorp Araqib, in de Negev-woestijn.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Israël zegt dat de meeste bedoeïenen geen recht hebben op de grond, omdat hun aanspraken tijdens het Ottomaanse tijdvak nooit in de landregisters opgetekend werden. Decennialang al probeert de overheid de meer dan dertig bedoeïenengemeenschappen van hun graasgronden in de Negev te verdrijven, naar zeven speciaal gebouwde sites.

De voornaamste rebel is Araqib. Inwoners toonden ons kopieën van aankoopdocumenten die volgens hen bewijzen dat ze het land in 1905 van een andere stam kochten. De staat beweert dat de Ottomanen de transactie nooit officieel geregistreerd hebben.

Het dispuut heeft geleid tot een wanhopige patstelling. De overheid weigert het dorp te voorzien van water en elektriciteit, en maakt om de zoveel weken minstens een paar tenten met de grond gelijk. Wie blijft, leeft vooral binnen de perimeter van de dorpsbegraafplaats, in kapotte bestelwagens. Het is moeilijker om een gerechtelijk bevelschrift te krijgen om een bestelwagen te vernielen, aangezien het technisch bekeken een voertuig is, en geen verblijfplaats.

Van alle groepen die we ontmoet hebben, lijken de dorpelingen van Arabiq het meest verdeeld over wie ze zijn. “Ik ben een bedoeïen”, zegt Sabah al-Turi, de vrouw van Aziz. “Ik heb een Israëlische identiteitskaart, ik kan dus niet zeggen dat ik Palestijns ben.”

Haar buur, Hakmah Abu Mudeghim, zegt dat ze het daar vroeger mee eens was. Als kind had ze geen benul van Palestijns nationalisme. “Maar nu voel ik me een bedoeïen en een Palestijn”, zegt ze. “Het verschil nu is de verdrukking. Die heeft ons een Palestijnse identiteit opgedrongen.”

Aziz al-Turi heeft nog een andere kijk. Wat hij het meest op prijs stelt, is niet een nationale identiteit, maar de identiteit die hij ontleent door te leven op grond waarin zijn voorouders begraven zijn. “Ik ben hier geboren – ik voel en proef mijn land”, zegt hij. “Ik wil op mijn land leven in gelijk welk nationaal kader. Het speelt geen rol welk land het is.”

Kitsch en toerisme

Van een afstand bekeken zien de kusthotels van Eilat eruit als het centrum van Las Vegas dat naar de Rode Zee overgeheveld is. Eilat, kitscherig en excentriek, is totaal anders dan alles wat we tot dusver zijn tegengekomen in Israël. Het lijkt ook in niets op wat Shmulik Taggar, een van de eerste inwoners, zag toen hij hier in 1959 arriveerde.

“Ben je gek?”, zegt Taggar (80) als we hem ontmoeten op de dijk. Hij draagt een cowboyhoed over zijn lange witte haren, zijn hemd is tot aan het middel opengeknoopt. “We hadden hier toen geen hotels nodig.”

Hij vertelt dat hij naar Eilat verhuisde op aanraden van David Ben-Gurion, de voormalige premier van Israël, van wie hij tijdens zijn legerdienst in de jaren 1950 bodyguard was. In die tijd was de stad een ruwe plek met niet meer dan een paar honderd inwoners, een dorre, smalle kuststrook geprangd tussen het noordoosten van Egypte en het zuidwesten van Jordanië. Ben-Gurion hoopte dat Taggar en andere jonge Israëli’s het tot een grote haven en een hub voor de kopermijnindustrie zouden ontwikkelen. Als hij Eilat vandaag zou bezoeken, dan zou de voormalige eerste minister “een beetje ontgoocheld zijn”, denkt Taggar.

De mijn ging in de jaren 1980 dicht, en de haven werd nooit een belangrijke knooppunt. Eilat is wel het belangrijkste vakantieoord van het land – ook dankzij Taggars bewind als hoofd van de toeristische dienst van de stad. Het is ook de verblijfplaats van honderden vluchtelingen uit Eritrea, die vanuit Egypte Israël binnenkwamen en al jaren op de behandeling van hun asielaanvraag wachten.

Eilat, in het uiterste zuiden van Israël, is het belangrijkste vakantieoord van het land. Beeld Laetitita Vancon/New York Times
Eilat, in het uiterste zuiden van Israël, is het belangrijkste vakantieoord van het land.Beeld Laetitita Vancon/New York Times

Net zoals de kibboetsen waar onze reis van start ging, is Eilat verworden tot iets waar de stichters van Israël nooit rekening mee hadden gehouden. Maar Taggar kan daar perfect mee leven.

Van Tekoa tot Tel Aviv, van Araqib tot Kiryat Gat, zijn noties van waardigheid en er thuishoren verweven geraakt met de verbondenheid van de mensen met het land – vaak met erg specifieke aspecten ervan. Alles wat die verbondenheid bedreigt, raakt aan hun zelfbeeld. Maar ver weg in Eilat heeft Taggar een andere houding tegenover het land en wie er bezit van heeft. Twee keer per jaar ziet hij miljoenen vogels migreren over Eilat, op weg naar en van Europa en Afrika, zich niet bewust van nationale grenzen. Als hij aan de kust van de Rode Zee staat, ziet hij een smalle strook water die gedeeld wordt door Jordanië, Egypte en Saudi-Arabië. En als voormalige stadsambtenaar heeft hij praktische ervaring met het overleg met de autoriteiten van die landen.

Dat alles geeft hem een minder rigide gevoel over de relatie tussen het nationale en het persoonlijke, tussen territorium en identiteit. “We kunnen van elk land deel uitmaken”, zegt Taggar. “We kunnen deel uitmaken van Israël. We kunnen deel uitmaken van Israël-Palestina. We houden vast aan onze identiteit, niet door onze nationaliteit, maar door ons geloof.”

“Wie maalt erom of het jouw land was, of mijn land? Je kunt overal leven waar je maar wilt.”

© The New York Times

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234