Zondag 25/08/2019

Interview Gilles de Kerchove

Gilles de Kerchove: ‘Als je geen politiestaat wilt, moet je aanvaarden dat er risico’s blijven bestaan’

De Kerchove: ‘Veel Syriëstrijders komen rond deze tijd vrij, het is dus nog te vroeg om te oordelen of onze aanpak werkt.’

Hout vasthouden: sinds de aanslagen in Zaventem en in metrostation Maalbeek in maart 2016 heeft ons land geen grote terroristische incidenten meer gekend. Dat is mede te danken aan Belgisch topambtenaar Gilles de Kerchove, de jurist die sinds 2007 de terrorismebestrijding van de Europese Unie coördineert. Maar, zegt hij, de dreiging is nog niet geweken. Terugkerende jihadstrijders, extreemrechtse lone actors, IS 2.0: ‘Jihaditerrorisme en extreemrechts delen dezelfde principes: xenofobie, racisme en misogynie.’

Gilles de Kerchove (62) heeft het druk: het internationale terrorisme neemt geen vrijaf tijdens de vakantie, en deze week wordt hij in Sri Lanka verwacht voor bijstand bij de coördinatie van de veiligheidsmaatregelen na de bloederige aanslagen op kerken en hotels van 21 april. Maar eerst mogen wij dankbaar gebruik maken van zijn expertise.

Vijf jaar geleden richtte Abu Bakr al-Baghdadi, voormalig leider van Al Qaida in Irak, het IS-kalifaat op. Vandaag lijkt dat eens zo schrikwekkende rijk overwonnen. Vormt IS nog steeds een gevaar voor Europa?

“Het fysieke kalifaat werd inderdaad vernietigd, maar dat betekent niet dat de organisatie verdwenen is. Ze telt nog altijd 15.000 à 20.000 strijders in Irak en Syrië, alleen controleren die het grondgebied niet langer. Ze zijn teruggedrongen naar plaatsen waarop de staat minder greep heeft. Maar de ontvoeringen en moorden op stammenleiders zijn niet opgehouden, en ze hebben gedurende het kalifaat de tijd gehad om geld te investeren en zo inkomsten te vergaren. Ze willen nog steeds het kalifaat herstellen.”

Zullen ze daarin slagen?

“In vergelijking met enkele jaren geleden is hun samenhang enorm verzwakt. Maar Al-Baghdadi heeft onlangs een strijdvaardige videoboodschap gepubliceerd – zijn tweede nog maar, de eerste was die van vijf jaar geleden, waarin hij de oprichting van het kalifaat verkondigde. Hij lijkt te willen bewijzen dat IS nog steeds relevant en machtig is.”

“Voorlopig zijn ze niet in staat om een aanslag op touw te zetten, maar ze inspireren nog steeds. Het virtuele kalifaat is nog actief, omdat ze wereldwijd nog steeds over heel veel sympathisanten beschikken die materiaal steeds opnieuw uploaden en het internet overspoelen met propaganda.”

Reikt hun invloed tot in Europa?

“Ja. Mensen naar hier sturen voor een aanslag zoals in de Parijse Bataclan destijds of in Zaventem en metrostation Maalbeek, dat kunnen ze niet meer. Maar via sociale netwerken kunnen ze hier wél veel aanrichten. De meeste aanslagen in Europa in de afgelopen twee, drie jaar zijn het werk van lone actors die geïnspireerd werden door de ideologie van IS of Al Qaida.”

Kinderen van IS

De voedingsbodem waarop IS kon gedijen, is niet verdwenen. Kijk naar de situatie in Irak: de soennitische bevolking leidt er een uitzichtloos bestaan.

“Volgens een rapport van een Noorse ngo werden er tijdens het kalifaat 40.000 à 45.000 kinderen geboren. Die kinderen kregen een geboorteakte die werd opgesteld door IS, en daarom krijgen ze voorlopig geen identiteitskaart. Ze hebben dus geen toegang tot onderwijs, en waarschijnlijk ook niet tot gezondheidszorg. Dat is verontrustend: we hebben het hier over een hele nieuwe generatie. We hebben dat aangekaart bij de Iraakse regering, maar we moeten er ons bewust van zijn dat die heel wat werk voor de boeg heeft. Ze wordt geconfronteerd met duizenden mensen die actief hebben deelgenomen aan de strijd en die het land hebben verwoest, met buitenlandse strijders, met een groot aantal geradicaliseerde vrouwen. We moeten hen helpen om een manier te vinden om de overtuigingen bij te sturen van mensen die zich hebben schuldig gemaakt aan geweld, moord, onthoofding, verkrachting. En om tegelijk tot een soort van verzoening te komen.”

U vermeldde de buitenlandse strijders, veelal geradicaliseerde Europese moslims die de voorbije jaren naar Syrië en Irak zijn getrokken. Sommigen zijn gesneuveld, anderen zijn terug naar Europa gekomen, nog anderen zijn naar Afghanistan of Libië getrokken. Maar er zijn ook Europese jihadi’s in handen gevallen van het Syrische regime van president Bashar al-Assad. Daarover hoor je nooit iemand.

“Van de buitenlandse strijders die niet gedood zijn of naar een ander conflictgebied zijn vertrokken, wordt het merendeel vastgehouden door de Irakese regering, door de Syrische Democratische Strijdkrachten, of misschien door de Koerden. En er zijn wellicht ook enkele mensen in handen van het Assad-regime.”

Wat met de strijders die vastzitten in gevangenissen in Irak?

“In Irak worden ze vervolgd door een staat die over een rechtssysteem beschikt.”

Maar wel één dat de doodstraf toepast.

“Dat is een ander probleem. Uiteraard dringen we erop aan dat de doodstraf niet wordt uitgesproken, en al zeker niet wordt uitgevoerd. Dat is trouwens het standaardbeleid van de Europese Unie ten opzichte van landen waar de doodstraf in gebruik is, of het nu gaat om Sri Lanka of Irak, of zelfs Japan.”

“Maar de EU-lidstaten zijn wel van mening dat de strijders dienen te worden berecht in de regio waar ze hun misdaden hebben begaan. In Irak is men daar trouwens mee bezig, zo werden er twaalf of dertien Fransen ter dood veroordeeld na een proces. Frankrijk tekent verzet aan tegen hun straf.”

Wat moet er gebeuren met de Belgische kinderen die vastzitten in Koerdische kampen?

“Een zeer complexe zaak. Ten eerste zijn de Koerden daar niet erkend, en ten tweede woedt er een debat over de vraag of je samen met de kinderen ook hun moeders moet repatriëren. Vaak wordt het internationale kinderrechtenverdrag aangehaald om te betogen dat je kinderen niet van hun moeders mag scheiden, in het belang van het kind. Zelf weet ik het niet zo goed. Als de moeder bijvoorbeeld alcoholverslaafd is of extreem gewelddadig, geloof ik niet dat het in het belang van het kind is om bij haar te blijven. Hetzelfde zou je kunnen aanvoeren als ze sterk geradicaliseerd is.”

“Het was trouwens de strategie van IS om, op het moment dat ze wisten dat ze het kalifaat zouden verliezen, te investeren in de volgende generatie, de zonen en kleinzonen van de jihadi’s. Die welpen van het kalifaat zijn van groot strategisch belang voor IS, en de moeders worden gebruikt om hun ideologie door te geven. Daarom dienen we heel omzichtig te werk te gaan en de radicalisering van die moeders correct in te schatten.”

Denkt u dat hun terugkeer een gevaar betekent voor de Europese samenleving?

“Het is alleszins belangrijk dat teruggekeerde jihadi’s een disengagement-programma ondergaan. Ik ken geen enkele deradicaliseringsmethode die volledig succesvol is, die in staat is om iemand die sterk geradicaliseerd is te deprogrammeren. Maar er bestaan wel succesvolle initiatieven op het vlak van disengagement. Het verschil is dat je met een deradicaliseringsprogramma tracht iemands ideeën te veranderen, terwijl je bij disengagement probeert iemand ervan te overtuigen dat het onaanvaardbaar is om die ideeën met geweld uit te dragen. Je kunt radicaal zijn – dat is in onze democratische samenleving geen misdaad – maar je kunt geen geweld gebruiken om je ideeën aan anderen op te leggen. Wanneer mensen dat beseffen, is dat al een grote stap voorwaarts.”

“Gisteren nog zag ik de getuigenis van Ayoub El Khazzani, de man die een aanslag wilde plegen in de Thalys. Hij vertelde dat hij niet heeft geschoten omdat hij, toen hij uit het toilet kwam, iemand zag glimlachen. Daarom kon hij die persoon niet doden, zei hij. Met dat soort getuigenissen kun je weer menselijkheid brengen in onze relaties met anderen.”

“Hetzelfde geldt trouwens voor veroordeelde extremisten die in ons land in de gevangenis zitten. Hun herintegratie in de samenleving is vandaag één van de grote uitdagingen in Europa. Velen zijn nog steeds geradicaliseerd, of zijn het zelfs geworden tijdens hun verblijf in de gevangenis. Ook zij moeten disengagement- en herintegratieprogramma’s ondergaan, in de gevangenis én na hun vrijlating. Die zijn niet zo heel anders dan wat gangbaar is voor gewone criminelen en drugsverslaafden, om recidive tegen te gaan en re-integratie in de samenleving te bevorderen. Het is geen exacte wetenschap, geen enkele methode biedt honderd procent garantie. Anders zouden onze gevangenissen leeg zijn.”

Hebt u een plan om de kinderen van IS-strijders op te volgen die zich al in België bevinden?

“In Frankrijk was ik zeer onder de indruk van een programma dat werd ontwikkeld in Avicenne, het ziekenhuis dat het dichtst bij de luchthaven van Parijs ligt. Zodra een kind terugkeert uit het Midden-Oosten, wordt het in een speciale afdeling van het ziekenhuis behandeld door psychiaters die gespecialiseerd zijn in de verwerking van posttraumatisch syndroom. Die kinderen zijn zwaar getraumatiseerd. De boodschap van de dokters is: hoe vlugger, hoe beter. Het is veel gemakkelijker om een jong kind te deprogrammeren dan een adolescent, maar een adolescent is nog altijd veel makkelijker dan een volwassene. Het ziekenhuis werkt samen met scholen waar het kind wordt geherintegreerd, en waar niemand weet dat het is teruggekeerd van het slagveld. Als het kind geen familie heeft, wordt gezorgd voor een pleeggezin of alternatieve opvang. Het zit heel goed in elkaar.”

“Frankrijk is een zeer gecentraliseerde staat. Er zijn richtlijnen van de eerste minister waarin de procedures haarfijn worden uiteengezet: wie wat moet doen, hoe alles moet gebeuren. In België bestaan er ook gespecialiseerde organisaties die die kinderen kunnen helpen, maar het is moeilijker om een eenduidig beleid te voeren: de federale staat is bevoegd voor de gevangenissen, terwijl jeugdbescherming een bevoegdheid is van de gemeenschappen.”

Kunnen IS-strijders na een deradicaliserings- of disengagement-programma nog hervallen in hun oude ideologie?

“Net als bij gewone misdadigers is er altijd een bepaald percentage dat opnieuw naar geweld grijpt. Ik heb een paar keer deel uitgemaakt van een panel waarin ook ex-aanhangers van Al Qaida zaten, die er volledig geherintegreerd uitzagen en hun vroegere leven haatten. Hopelijk heb ik nooit naast iemand gezeten die nog steeds in Al Qaeda gelooft.” (lacht).

“Veel moslimextremisten zitten nog in de gevangenis. Maar veel Syriëstrijders zijn tussen 2013 en 2015 vertrokken, en degenen die werden gearresteerd bij hun terugkeer of nog vóór ze het land konden verlaten, kregen drie of vier jaar. Zij komen rond deze tijd vrij. Het is dus nog te vroeg om te oordelen of onze huidige aanpak werkt.”

Precies daarom waarschuwde Jürgen Stock, secretaris-generaal van Interpol, voor een nieuwe golf van terreur. Hij gebruikte de term ‘IS 2.0.’

“Welja, de ideologie die vanuit Irak en Syrië wordt verspreid, blijft lone actors inspireren, of ze nu in de gevangenis hebben gezeten of niet. Het lijdt dus geen twijfel dat we actie moeten ondernemen. We hebben de lidstaten aangemoedigd om actievere programma’s te ontwikkelen, we hebben geld vrijgemaakt, we hebben tal van workshops ondersteund.”


Zwart-wit

Begin juni werd in Duitsland de gematigde christendemocraat Walter Lübcke vermoord door een anti-islamitische extremist. Twee jaar geleden stak een extreemrechtse aanvaller de Britse politica Jo Cox dood. Vreest u meer aanslagen op politici die een gematigd standpunt innemen over vluchtelingen en immigratie?

“Die moord in Duitsland is werkelijk bedroevend. We hebben op Europees niveau steeds meer aandacht voor de toename van extreemrechts geweld, dat in zekere zin gevoed wordt door de immigratie. Ik zal dit jaar een beleidsnota uitvaardigen over extreemrechts, om te onderzoeken hoe we die radicalisering kunnen aanpakken. Jihaditerrorisme en extreemrechts lijken twee uitersten van het ideologische spectrum, maar ze delen dezelfde principes. Allebei hebben ze een zwart-witvisie op de wereld, ze delen dezelfde haat voor de ander, ze zijn xenofoob en racistisch, antisemitisch, misogyn, ze staan voor een botsing van beschavingen. We moeten ons dus afvragen in welke mate ze elkaar voeden. In hoeverre heeft de aanslag tegen moslims in het Nieuw-Zeelandse Christchurch in maart die tegen christenen in Sri Lanka een maand later getriggerd?”

“Ik ben bang dat het internet ook hier weer een grote rol speelt. Op enkele kleine georganiseerde groepen na – Blood & Honour, Génération Identitaire, veel kleiner dan IS en Al Qaida – zijn die extreemrechtse daders vaak lone actors die enkel met elkaar verbonden zijn via het internet. En het is moeilijk om dat aan te pakken, omdat er drie categorieën van gevaarlijke inhoud op het internet circuleren. Verwerpelijke theorieën zijn op zich niet illegaal: ze vallen onder de vrije meningsuiting, waaraan we in onze democratie veel belang hechten. Daarnaast heb je uitlatingen die wél illegaal zijn, omdat ze racistisch en haatdragend zijn: hate speech. En ten slotte is er het terroristische betoog, waarin expliciet wordt opgeroepen tot geweld. Het is niet altijd zo gemakkelijk om die drie categorieën van elkaar te onderscheiden.”

“De Europese Commissie heeft vorig jaar een voorstel ingediend om internetplatformen te verplichten alle terroristische inhoud binnen het uur te verwijderen, op straffe van een dwangsom van 4 procent van de omzet van het bedrijf, wat voor de grote spelers een stevig bedrag zou betekenen. Vanwege de verkiezingen is dat voorstel toen niet goedgekeurd, en er wordt nog steeds aan gesleuteld. Om hate speech aan banden te leggen, heeft de Commissie een gedragscode opgesteld die is ondertekend door de grote socialemediabedrijven – Facebook, Twitter, YouTube, Instagram – en die bepaalt dat racistische uitingen binnen de 24 uur dienen te worden verwijderd. De vraag is of dat volstaat, en of we niet nog verder moeten gaan.”

Werkt deradicalisering ook bij extreemrechtse overtuigingen?

“Daarvoor geldt hetzelfde als voor jihadistisch extremisme: disengagement heeft de grootste kans op succes, omdat je iemand met radicale ideeën alvast kunt overtuigen om geen geweld te gebruiken. Eerlijk gezegd ben ik meer geïnteresseerd in het werken op de ideologie zelf. Dat komt erop neer dat je ijvert tegen álle extremistische ideeën die een haatdragende zwart-witvisie op de wereld promoten: van extreemrechts tot salafisme. We moeten een positieve aanpak uitdragen: inclusie, verdraagzaamheid, respect voor elkaar. Die moeten we ontwikkelen via onderwijs, cultuur, sport, sociale beleidsmaatregelen tegen discriminatie en racisme, enzovoort. Zo geef je van jongs af mee dat zelfs indien mensen verschillende ideeën hebben, een andere godsdienst of géén, of een andere seksuele voorkeur, je die verschillen moet accepteren. Respect voor elkaars anders-zijn moet je opbouwen in scholen, jeugdbewegingen, in de media. Die preventieve aanpak is even belangrijk als deradicalisering.”

Welke rol kan de moslimgemeenschap spelen in de strijd tegen gewelddadig radicalisme?

“Ook zij moeten hun stem laten horen en pleiten voor diversiteit, verdraagzaamheid, respect voor elkaars ideeën. Als de meest conservatieven onder hen zelfs niet de hand van een niet-moslim willen schudden, dan moet de diversiteit ook binnen de Europese islam worden gepromoot. Het is heel belangrijk dat die ene stroming, het salafisme, niet alles gaat overheersen. Dat was in de geschiedenis nooit het geval: het salafisme is altijd een minderheid geweest binnen de islam. We hebben mensen nodig met verschillende interpretaties van de teksten, de Koran, de Hadith. Zo wordt het geloof gecontextualiseerd en leer je diversiteit te aanvaarden.”


Onberekenbaar

Salah Abdeslam kon vier maanden lang ondergedoken blijven in Brussel. Is het dan niet aangewezen dat de Europese inlichtingendiensten meer mensen met een moslimachtergrond rekruteren?

“Dat moet u aan iemand vragen die aan het hoofd van een veiligheidsdienst staat. Maar zo’n dienst moet per definitie over veel bronnen kunnen beschikken, dus het zou mij verbazen als ze géén agenten met een moslimachtergrond hadden.”

Hoeveel geradicaliseerde moslims in Europa zijn bereid om over te gaan tot geweld?

“Precieze cijfers heb ik niet. Maar belangrijker dan de identificatie en opvolging van alle potentiële daders is het vermogen van een veiligheidsdienst om het tipping point te herkennen, het kantelmoment waarop iemand met radicale ideeën zijn toevlucht neemt tot geweld en een aanslag begint voor te bereiden. Bij de meeste aanslagen van de voorbije jaren stonden de daders voordien al bekend als radicaal. Het probleem was dus niet dat de veiligheidsdiensten hen niet geïdentificeerd hadden, maar ze zijn er niet in geslaagd om het tipping point vast te stellen. En dat is ook bijzonder moeilijk, omdat je mensen nu eenmaal niet de klok rond kunt volgen, laat staan honderden tegelijk.”

'Jihaditerrorisme en extreemrechts delen dezelfde principes: xenofobie, racisme en misogynie'

“Er zijn wellicht manieren om dat te doen via grootschalige data-analyse, maar dat zouden de mensen niet accepteren. Zo kan Facebook bijvoorbeeld detecteren wanneer je met zelfmoordneigingen worstelt, aan de hand van de foto’s die je op Instagram plaatst en de toon van je berichten. Wil je dat de veiligheidsdiensten gaan handelen? Dat ze alles volgen wat je op het internet uitspookt om te detecteren of je gemoedsgesteldheid is veranderd? Het zou onze beste kans zijn om de meest onvoorspelbare dreiging vóór te zijn: iemand die ’s morgens opstaat, een mes neemt en op straat aan het moorden gaat. Maar voor de meeste mensen gaat dat te ver: ze ervaren het als een inbreuk op hun privacy, hun persoonlijke levenssfeer. En daar moeten we ons bij neerleggen. Dat is de grote uitdaging van onze democratie. We wíllen geen politiestaat, we wíllen geen Big Brother-maatschappij, maar dan moet je wel aanvaarden dat er risico’s blijven bestaan. Je kunt niet verwachten dat de veiligheidsdiensten alles kunnen detecteren.”

“Pas op, ik ben absoluut niet pessimistisch. We hebben al vooruitgang geboekt. Sinds de aanslagen in Zaventem en Maalbeek zijn er hier geen incidenten meer geweest. Tenzij misschien die man die probeerde de Amerikaanse ambassade aan te vallen, maar die werd tegengehouden. Ik ken het dossier niet, ik weet niet of die man echt iets plande, het onderzoek loopt nog. Maar de veiligheidsdienst is er wel in geslaagd te detecteren dat er iets problematisch aan de gang was. Proficiat, goed gewerkt.”

U bent hier destijds begonnen met weinig middelen. Is dat intussen veranderd?

“Mijn team bestond bij de start uit één persoon en is ondertussen vermenigvuldigd met 600 procent. (glimlacht) Ik beschik nu over zeven adviseurs en een aantal secretarissen, wat al heel wat beter is. Het is een klein maar zeer goed team, heel gevarieerd ook: een Franse diplomaat, bijvoorbeeld, die Arabisch spreekt, geboren is in Irak en het Midden-Oosten kent als zijn broekzak. En een Franse inspecteur van financiën, een Duitse magistraat, een Oostenrijkse ambtenaar... Ik klaag helemaal niet, ik word zeer goed ondersteund door de Raad van de Europese Unie, en ik werk ook zeer nauw samen met de Commissie. Net voor uw komst hadden we een briefing met de European External Action Service en de Europese Dienst voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, over Sri Lanka en de Malediven, omdat ik daarnaartoe ga.”

Hebben zij om uw steun gevraagd?

“Ja, na de aanslagen in Sri Lanka op 21 april hebben ze om hulp gevraagd bij de veiligheidsmaatregelen om nieuwe aanslagen te voorkomen. Mijn taak is die hulp te coördineren. Maar het gaat er vooral om de dreiging telkens twee stappen voor te blijven.”

Bent u tevreden met uw functie als coördinator?

“Ik zou geen dertien jaar zijn gebleven als ik dat niet was. Ik werk samen met mensen over de hele wereld – mijn ecologische voetafdruk is niet optimaal, vrees ik. En ik ben vrij tevreden met de ondersteuning die ik krijg. Alleen jammer dat ik maar 24 uur per dag heb, 48 zou beter zijn. Maar het blijft interessant en uitdagend, en de dag dat ik me verveel, ga ik iets anders doen. Of ga ik met pensioen.”

U bent ook professor. Valt dat te combineren?

“Ja, ik geef meestal ’s avonds les.”

“Dertien jaar in functie blijven is vrij ongebruikelijk in de EU-instellingen, de meesten vertrekken na vier of vijf jaar. Het voordeel is dat ik in mijn functie een soort geheugen heb opgebouwd, een historisch perspectief, en zeer brede netwerken van collega’s met wie ik wereldwijd kan samenwerken.”

Bent u van plan er een boek over te schrijven?

“Als ik met pensioen ben, misschien. Nu ligt er nog veel werk op de plank.”

Verloopt de uitwisseling van informatie vandaag beter dan vroeger?

“Dat is volgens mij niet langer het grootste probleem. Vóór je informatie kunt delen, moet je ze eerst verzamelen en analyseren. Wat het verzamelen van gegevens betreft, zijn er naast het al vermelde privacyprobleem de regels over gegevensbescherming die beperken welke data je mág verzamelen. En het is een probleem dat steeds meer sociale media hun boodschappen versleutelen, zodat het moeilijker wordt om er toegang toe te krijgen. Bovendien wordt steeds meer informatie digitaal opgeslagen in cloudservers buiten de Europese Unie, wat juridische moeilijkheden oplevert.”

“Maar het grootste probleem is niet dat we te weinig gegevens hebben, het zijn er net te véél. Onze inlichtingendiensten worden overspoeld door een tsunami aan verzamelde en gedeelde informatie, die ze allemaal moeten verwerken, filteren en analyseren. En dat blijft een uitdaging.”

Wat zijn uw belangrijkste verwezenlijkingen in de afgelopen dertien jaar?

“Misschien moet u me die vraag opnieuw stellen bij mijn vertrek, dan zal ik u het lijstje bezorgen. (lacht) Nu kan ik nog niet genoeg afstand nemen. Ik wil mezelf ook niet bewieroken: ik maak deel uit van een groep, die nauw samenwerkt met de Europese Commissie en andere diensten: het zijn dus geen persoonlijke, maar collectieve verwezenlijkingen. Maar het zijn er veel. Zo heb ik president Obama geholpen om het kamp van Guantánamo te sluiten, door een nieuw mechanisme te ontwerpen om de gevangenen te monitoren die in Europa werden opgevangen. De lidstaten namen elk tussen de 20 en 25 gevangenen op. Ik heb geijverd om de samenwerking inzake terrorismebestrijding met landen als Tunesië en Irak uit te bouwen. Ik was ook zowat de eerste die aan de alarmbel trok over het enorme aantal moslimstrijders dat naar Syrië, Irak en Turkije vertrok, waarna het beleid reageerde.”

'De EU ligt steeds meer onder vuur. Dat stemt me optimistisch: een zwakke instelling zou nooit zoveel agressie opwekken.'

Hebt u het gevoel dat uw waarschuwingen ernstig werden genomen?

“Ja. In de maanden daarna heeft de Raad heel wat doeltreffende beslissingen genomen.”

Hebt u zich ooit slecht gevoeld in uw job?

“Uiteraard, telkens als er een terroristische actie plaatsvond in Europa.”

Wat voelt u dan?

“Ik voel me dan zeer bedroefd. We doen wel ons best om de kwetsbaarheid van Europa te verkleinen en het probleem aan te pakken, maar als er iets ergs gebeurt, is dat een collectieve mislukking. Van de frontlijn tot op het meta-beleidsvlak.”

Wat doet u het allereerst bij een aanslag zoals die in Maalbeek en Zaventem?

“Eerst en vooral moeten we een goed zicht krijgen op wat er gebeurd is, en met de juiste mensen praten. Terwijl de aanval op de Bataclan in Parijs aan de gang was, heb ik mijn Franse collega opgebeld om te bespreken hoe we konden helpen. Maar we schieten tijdens of vlak na zo’n aanslag niet meteen in actie, wij kunnen zelf geen mensen sturen.”

“Tijdens de gebeurtenissen in Maalbeek was de eerste die mij probeerde te bereiken Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de Commissie, met de vraag hoe we ons nuttig konden maken. Ik beschik over een netwerk van mensen die ik kan opbellen, waaronder de veiligheidsdiensten en de directeur van Europol, zodat ik een overzicht krijg van wat er aan het gebeuren is. Daarna neem ik contact op met de beleidsmakers. We zijn er om de lidstaten te helpen. Die zijn zelf verantwoordelijk voor hun binnenlandse veiligheid, maar wij bieden ondersteuning.”

Bent u optimistisch of pessimistisch gestemd?

“Zeer optimistisch. We leven in een wereld met alsmaar meer onberekenbaar gedrag, zowel van staten als van ideologische groepen en individuen. Terrorisme, georganiseerde misdaad, technologische gevaren: dat alles vereist dat de EU nog actiever gaat werken aan veiligheid en defensie. Maar ik geloof dat we dat aankunnen, en dat we zelfs nog heel wat méér zullen doen.”

“Het stemt me ook optimistisch dat de Europese Unie steeds meer onder vuur ligt. Dat is een goed teken, want een zwakke instelling zou nooit zoveel agressie opwekken. Het bewijst dat mensen geloven dat de EU een machtige organisatie is. Al is het natuurlijk ook verontrustend dat zovelen het systeem willen destabiliseren. Daarom moeten we verder gaan op dezelfde weg. We moeten onze waarden, onze manier om problemen op te lossen, nog meer uitdragen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden