Maandag 24/01/2022

Gewenst: een industriële revolutie

De economie moet weer vanaf de grond worden opgebouwd. Maar had Irak eigenlijk wel een economie? De landbouw verkeert nog in het sovjettijdperk en niemand in het land weet hoe je een bedrijf moet opstarten. Het weinige geld dat er de afgelopen decennia wél werd verdiend,werd direct versluisd naar het leger.

Brussel

Eigen berichtgeving

Lode Delputte

Laten we er geen doekjes om winden: de Iraakse economie zit helemaal aan de grond. Niet alleen het lopende conflict, vooral de eerste Golfoorlog en de keiharde sancties die erop volgden hebben Irak op de knieën gedwongen. Eind jaren negentig was het jaarlijkse inkomen per hoofd van de bevolking in Irak gezakt tot een zesde van wat het begin jaren tachtig bedroeg: zo'n 2.700 dollar - een stuk minder dan dat van Libanon en Syrië, maar, eerlijk is eerlijk, nog steeds het dubbele van dat van de Palestijnen.

De steile val van het Iraakse bruto nationaal product kan voor een groot deel op rekening van de VN-sancties worden geschreven. In 1996 pas kon het Tweestromenland weer petroleum uitvoeren, maar dan ook alleen maar tegen voedsel waarmee het zijn hongerende bevolking tegemoet kon komen.

Onder de Irakezen is dan ook jarenlang de mythe blijven leven van de tijd "toen het goed nog ging". Net zoals de nationalisering van de Iraanse petroleumbronnen door Mossadeq in 1951 een olie-boom in Irak teweeggebracht had, plukte Bagdad in 1979 de vruchten van de omverwerping van de Sjah. Al ging het snel bergaf, toen Saddam die inkomsten vooral in het leger investeerde, en ermee ten oorlog trok tegen de ayatollahs in het buurland.

Net als zovele ontwikkelingslanden kwam Irak daarop in de jaren tachtig in een buitenlandse-schuldspiraal terecht - het gevolg van al te gretige leenzucht. Op een bepaald moment lag de halve planeet aan Saddams voeten, in de hoop een graantje mee te pikken van diens kolossale investeringsprogramma's. Maar de economie lag toen al op apegapen: ze hield allesbehalve gelijke tred met de bevolkingsaanwas (van 13,2 miljoen in 1980 via 18,4 miljoen tien jaar later naar 24,1 miljoen nu). Meer nog, volgens een studie van de Wereldbank viel het landelijke inkomen door de Iraaks-Iraanse oorlog (1980-1988) terug met ruim 50 procent.

Het klopt dus verre van, zeggen economen op de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds, dat alléén de sancties de Iraakse economie de das hebben omgedaan.

Om zicht te krijgen op de kersverse economische perspectieven, is het nuttig een blik te werpen op het complexe panorama van 's lands traditionele ontwikkelingsmodel. In L'Irak, Paysanneries politiques, agraires et industrielles au XXe siècle beschrijft CNRS-socioloog Habib Ishow de agrarisch-industriële troeven van Irak. Dat het land, althans de omstreken van Mosoel, Kirkoek, Chanakin en Basra, een van de belangrijkste oliewingebieden ter wereld vormt, daar hoeft geen tekening bij. Dat een degelijk geïrrigeerd Mesopotamië een heuse Tuin van Eden is, weten we ook. Minder bekend is dat Irak behalve over olie en vruchtbaar land ook over enorme gas-, zwavel-, ijzer-, koper-, chroom-, zink- en fosfaatvoorraden beschikt.

Hoe het komt dat niemand ons daar ooit wat van vertelde? Het antwoord is simpel: op het petroleumbedrijf na wist Irak nagenoeg geen enkele andere sector deugdelijk te industrialiseren. In 1958, het laatste jaar van de aan Londen onderworpen marionnettenmonarchie, lagen de olie-inkomsten liefst dertien keer hoger dan die van alle andere exportproducten samen. De verwerkende industrie, ondergebracht in kleine familie- of eenmansbedrijven, maakte een luttele 6,5 procent van het bnp uit en werd totaal verwaarloosd.

Het was met de bedoeling de nationale soevereiniteit te herstellen, Irak te ontwikkelen, het land economisch minder afhankelijk te maken van het buitenland en dus van olie, dat generaal Al-Kassem in '58 zijn coup pleegde. De Iraq Petroleum Company, de Mossul Petroleum Company en de Basra Petroleum Company - bezit van de Amerikaanse Near East Development Company, de Compagnie Française des Pétroles, BP, Shell en de Armeense Portugees Calouste 'Mister 5 percent' Gulbenkian - kwamen in staatshanden terecht.

Zoals de meeste gedekoloniseerde new countries, dacht ook Irak dat het maar beter eerst zijn zware industrie kon ontwikkelen. Die zou vervolgens als een motor de rest van de economie op gang trekken. Dat laatste bleek echter relatief: met sovjethulp werden tussen 1959 en 1968, toen Saddam Hoessein aan de macht kwam, hoop en al één conservenfabriek gebouwd, twee textielfabrieken, één glasfabriek, één farmaceutische fabriek en eentje voor huishoudtoestellen. Op de markt heerste niet zelden schaarste.

Ook aan politiek-economische knowhow ontbrak het volslagen: tussen 1964 en 1968 telde Irak acht verschillende ministers van Industrie en zes van Planning. Elke minister bracht zijn eigen ambtenarenstoet mee en probeerde zich te profileren door zijn beleid haaks op dat van zijn voorganger te zetten.

In 1968 komt Saddam Hoessein dan aan de macht. Hij en zijn Baath-partij beloven beterschap, maar zetten, vijfjarenplan na vijfjarenplan, de nationaliseringen gewoon voort.

Ook het agrarische leven werd helemaal, en dit ondanks felle tegenstand van zowel grootgrondbezitters als traditionele boeren, op coöperatieve leest herschoeid. Er moest een eind gemaakt worden aan de feodaliteit, de grond zou herverdeeld worden, de kloof tussen arm en rijk moest dicht, de voedselproductie moest omhoog. Pas in het begin van de jaren tachtig zag Saddam dat de formule niet werkte, werd de socialistische doctrine mondjesmaat omgegooid en kwamen ook privé-investeerders aan zet. Maar toen was het al te laat.

Vandaag luidt de vraag hoe Irak zijn economie weer op het goede spoor krijgt. De obstakels zijn niet min: de buitenlandse schuld bedraagt 109 miljard dollar, de herstelbetalingen lopen op tot 200 miljard, niemand waagt zich aan schattingen over wat de wederopbouw moet gaan kosten. De droom van de Iraki's, dat hun land snel opnieuw de levensstandaard van 1980 zal halen, dreigt wel erg ijdel uit te vallen.

Het inkomen per hoofd van de bevolking bedraagt nog maar een zesde van wat het twintig jaar geleden was

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234