Vrijdag 04/12/2020

‘Gewapende bloemen omsingelen me’

Het verhaal van voormalig kindsoldaat Arnold Aganze. Deel V

Omdat we niet ver van mijn geboortedorp Mushenyi zaten, had ik regelmatig contact met een van mijn broers. ‘In Bukavu is er een centrum voor gedemobiliseerde kindsoldaten’, vertelde hij me. ‘Als je ontsnapt, kunnen we daar meteen naartoe gaan en ben je veilig.’ Eerst wist ik niet of dat wel een goed idee was. Bukavu stond onder controle van de RCD-rebellen en ik was bang dat ze daar Mai-Maikrijgers zoals ik onmiddellijk zouden doodschieten. Een tijdje later kreeg mijn commandant Jemadari bezoek van mensen van Unicef die kwamen onderhandelen over onze vrijlating. Voor Jemadari lag dat heel moeilijk. Een groot deel van zijn strijders was minderjarig. Als hij ze allemaal zou vrijlaten, betekende dat het einde van zijn beweging. Uiteindelijk ging hij akkoord om een aantal kinderen vrij te laten. ‘Maar mijn medicijnman blijft hier’, zei hij voortdurend. Mij kon hij niet missen. ‘Jou heb ik nodig om aanvallen voor te bereiden. Jij bent onvervangbaar.’

Unicef bleef aandringen, maar er kwam geen schot in de zaak. Ik was blijkbaar een van de allermoeilijkste gevallen. Als ik zelf niets ondernam, besefte ik, zou ik over vijf jaar nog bij Jemadari zitten.

De dag dat ik zou ontsnappen, had ik voor alle zekerheid twee gris-gris klaargelegd: een flacon puissance en een mesje. Die nacht vluchtte ik uit het kamp. Op de weg naar Nyangezi had ik afgesproken met mijn oudste broer. We zouden samen naar Bukavu gaan, te voet, 40 kilometer. Toen we de volgende dag in de stad arriveerden, verliep alles vlot. We kwamen bij de ijzeren poort van het opvangcentrum, klopten een paar keer aan en na een twintigtal seconden deed een jongen van twaalf, dertien de poort open. ‘De nieuwe is er’, riep hij. Ze waren op de hoogte van mijn komst. Ik werd naar een kaal en donker kantoor geleid, waar alleen een oude kast en een bureau stonden. Achter het bureau zat een man met een klein brilletje. Hij stelde zich voor: Vincent, een van de maatschappelijk werkers. Als ik dat wilde, mocht ik eerst gaan douchen. Een jongen bracht me naar een houten barak met stapelbedden. Hij was net als ik bij de M40-rebellen geweest, Patience was zijn naam. Hij zei me dat het best oké was in het centrum en dat het er veilig was.

De eerste weken wist ik echt niet hoe ik me moest gedragen. Ik was verlegen, maar ook bang. Ik heb toen veel geslapen, maar heel onrustig. Ik was verbaasd dat ik nog in leven was. Praten deed ik bijna niet. Ook niet met Vincent, die me af en toe een vraag stelde over mijn leven als militair. Maar ik durfde niet te antwoorden. Stel je voor dat ik mijn hele verhaal doe, dacht ik, dan gaan ze natuurlijk zeggen dat ik een zware crimineel ben en niet in het centrum thuishoor.

Na een tijdje begon ik me wat beter te voelen in het centrum, un peu bien. Er waren ook ochtenden dat ik samen met de groep opstond. Ik begon wat lessen te volgen. Wat wel gek was, is dat de opvoeders me vragen stelden over de toekomst. Ik mocht nadenken over waar ik met mijn leven naartoe wilde. Ik wilde erg graag terug naar school. Maar omdat ik niet zomaar terug naar mijn dorp kon, wist ik dat het niet eenvoudig zou zijn. Vincent zei dat hij met de directeur van een middelbare school in Bukavu zou praten. Hij stelde voor dat ik bij een pleeggezin zou gaan wonen.

Wat ik je nu ga vertellen, weet alleen Vincent. Het was de laatste keer dat ik een joint heb gerookt. Niet één joint, maar vijf. Ik verbleef toen al enkele maanden in het opvangcentrum. Natuurlijk ging het beter met me, maar ik was nog lang niet oké. Wat er die dag dan fout zat? Ik had weer een nachtmerrie gehad. Ik liep met mijn wapen door het bos en schoot op alles wat bewoog. Soldaten vielen neer. Overal lijken. Alles kwam terug. Ook dat hoofd dat ze op een stok hadden gespietst. Elke nacht kwamen ze terug. Al die dode mensen. Hun lijken omsingelden me. Alsof ze wraak wilden nemen. Die dromen gaven me het gevoel dat ik niet vooruitkwam. Overdag begon ik opnieuw een normaal leven te leiden, maar ’s nachts was ik nog steeds soldaat.

Die dag wilde ik mijn hoofd even rust gunnen, ontsnappen. Ik wou een joint. Net als in de oorlog wilde ik roken tot ik erbij neerviel. Ik had geen geld, maar zonder erbij na te denken ging ik naar een café waarvan ik had gehoord dat ze er chanvre verkochten. Ik ging naar binnen, deed mijn broek uit en legde die op de toog. ‘Hoeveel joints voor deze broek?’, vroeg ik. Volgens mij had de cafébaas zoiets al eerder meegemaakt, want hij was nauwelijks verbaasd. ‘Vijf’, zei hij, ‘voor die broek krijg je vijf joints.’ Het was elf uur ’s ochtends. Ik heb toen twee sigaretten na elkaar gerookt. In mijn onderbroek. J’ai fumé, fumé, fumé. Al snel voelde ik dat het beter met me ging. Wel had ik honger. Van cannabis krijg je ongelofelijke honger. Ik ben toen naar het opvangcentrum teruggegaan, het was twaalf uur, de andere kinderen zaten net aan tafel. Man, ik heb toen gegeten. Gegeten! Vincent stelde geen vragen en gaf me een andere broek. Daarna ben ik naar het café teruggegaan en heb ik mijn drie resterende joints opgerookt.

Tegen de avond zat het spul pas goed in mijn hoofd. Zo stoned als wat en met halfgesloten ogen liep ik door de hoofdstraat van Bukavu. Ik zag de auto’s en de vrachtwagens amper naderen, het is een wonder dat ik die avond niet omver ben gereden. Het blije gevoel van die middag was helemaal verdwenen. In mijn hoofd brak weer de oorlog uit. Ik hoorde schoten, de lichten van koplampen leken wel flitsen van een nachtelijke mortieraanval, de bloemen in de berm waren vijanden die me aanvielen. Zo snel als ik kon, ging ik naar het centrum. Het moet toen al tien uur ’s avonds geweest zijn. Bij de ingang wilden ze me eerst niet binnenlaten. Maar ik heb toen zo lang op de ijzeren poort gebonkt tot iemand kwam opendoen. Ik strompelde naar de keuken en begon opnieuw te vreten. Telkens als ik naar buiten keek, zag ik gewapende bloemen en bomen. In paniek ben ik toen het kantoor van Vincent in gerend. Die zat aan zijn bureau te werken en schrok zich rot. Ik pakte hem vast en riep dat er overal militairen in het centrum zaten. ‘We worden aangevallen! Pas op, ze zullen ons dadelijk vinden.’ Vincent zei dat er helemaal geen militairen waren en wilde dat ik ging slapen. ‘Maar jawel, we worden wel aangevallen!’, hield ik vol. ‘Hoor je de kogels niet!’ Ik dook op de grond en zocht dekking onder het bureau. Toen ik zag dat Vincent gewoon bleef staan, greep ik hem bij zijn benen en sleurde hem onder het bureau. Enkele momenten later liet ik hem los en rende als een razende de deur uit. Die nacht heb ik het hele centrum wakker gegild. Pas rond twee uur ’s morgens was de cannabis uitgewerkt en ben ik beginnen huilen. Ik was gek geworden. Uitgeput viel ik in slaap.

De ochtend daarna schaamde ik me dood. Ik heb Vincent mijn excuses aangeboden en smeekte hem of hij alsjeblieft niets aan de directeur zou doorvertellen. Bij mijn weten heeft hij dat nooit gedaan. Het was de laatste maal dat ik shit heb gerookt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234