Woensdag 18/09/2019

Gevecht tegen de natuur

'In de Tour is elke renner elke dag een verhaal', het is een kleine overdrijving van de Nederlandse journalist Peter Ouwerkerk, die in Parijs is nog ver onder meer betoogt dat Tour-journalisten zich te veel laten betrappen op grote en kleine overdrijvingen. En waarom niet? Boeken over de Tour dienen om de mythe ervan in stand te houden.

Benjo Maso

Wij waren allemaal Goden

Atlas, Amsterdam, 304 p., 18,50 euro.

Philippe Brunel & Rik Van Walleghem

Merckx, mens en mythe

Lannoo, Tielt, 290 p., 49,50 euro.

Gérard Ejnès,

100 jaar Tour de France

Lannoo, Tielt, 360 p., 24,95 euro.

Peter Ouwerkerk

Parijs is nog ver

De Arbeiderspers, Amsterdam, 317 p.,

17,95 euro.

Lange tijd beschouwden de Vlaamse en Nederlandse uitgevers sport als een stiefkindje. Het was lectuur voor voetbal- of wielerfans, voor mensen zonder boekencultuur. Die reflex is er gelukkig niet meer. De slinger lijkt nu zelfs door te slaan. Honderd jaar Tour de France was als commercieel idee blijkbaar aanlokkelijk genoeg om in één maand tijd stapels boeken over wielrennen en de Tour uit te geven. Ze zijn er in alle genres, alle prijsklassen. Fotoboeken, biografieën, Tour-geschiedenissen, heldenverhalen, rennersportretten: de variatie is groot, de kwaliteit wisselend. Niet dat er veel kaf bij het koren zit, maar naast veel verdienstelijke middelmaat zijn er ook een paar hebbedingen, boeken waar het verschil tussen journalistiek en literatuur alleen maar met het elektronische oog van de fotofinish waar te nemen valt. Nu is wielrennen bij uitstek een sport die uitnodigt om 'verliteratuurd' te worden. Dat merk je als je boeken over voetbal en wielrennen vergelijkt. Hoewel het tweemaal om zogenaamde 'sportboeken' gaat, zijn ze eigenlijk nauwelijks te vergelijken, net zoals wielrennen en voetbal zelf niets met mekaar te maken hebben. Het belangrijkste verschil is dat wielrennen een mythische dimensie heeft, voetbal niet. (Of nauwelijks. Chris Willemsens schreef De Goddelijke Kanaries, een boek over de Braziliaanse nationale ploeg, een goed maar zeldzaam voorbeeld van geslaagde mythevorming in het voetbal.) Dat is geen negatieve beoordeling van die sport. Een voetbalwedstrijd heeft meer spankracht dan een koers. Bij een interland van de Rode Duivels die ertoe doet, zit je negentig minuten op het puntje van je stoel. Wie dat probeert bij de rechtstreekse uitzending van de Ronde van Vlaanderen, vier uur aan een stuk, heeft vooral pijn in zijn rug. Maar dat is niet het wezenlijke verschil. De fundamentele kloof tussen voetbal en wielrennen zit in het decor. Voetbal is decor-, of, zo je wil, contextloos. Of men nu speelt op Old Trafford of San Siro, is oneindig minder belangrijk dan dat Anderlecht speelt tegen Manchester United of AC Milan. Alleen dat laatste telt. Als kijker thuis is het haast onmogelijk om in de best wel aparte sfeer van het stadion te komen. Op de buis zie je de grasmat en concentreer je je op de wedstrijd zelf. Basket en volley hebben dat ook, net zoals judo of zwemmen. Tennis is een buitenbeentje, omdat in die sport de ondergrond erg bepalend is, en Roland Garros echt een ander type spelers aantrekt dan Wimbledon. Maar zelfs het tennis blijft, net zoals voetbal en volley, in essentie een kamp van ploeg tegen ploeg, mens tegen mens.

Bij wielrennen dringt dat decor zich wel prominent op. Decor, of beter: het landschap, de natuur. Wielrenners meten zich met de natuur. Op het eerste gezicht voeren ze een ongelijke strijd, maar sinds de mythe van Prometheus is er geen houden meer aan de mens. Wielrenners gaan dat mythische gevecht dagelijks aan, om den brode zelfs. Ze knokken zich een weg over de Vlaamse kasseien en de Noord-Franse modder. In deze Tour trotseren ze straks de loden hitte van Les Landes, hebben ze het weekend daarvoor op de Galibier al geflirt met de sneeuwgrens, en zich één dag later door het niemandsland van de beruchte Casse Déserte gewaagd, dicht bij de top van de Izoard. In die zin is wielrennen een zeer aardse sport en hoort de Tour bij het Franse terroir.

Maar vraag straks Hans De Clercq niet hoe het voelt in de voetsporen van Prometheus te treden: hij zal denken dat je je bespottelijk wil maken. Zo gaat dat: wielrenners maken de mythe, anderen tekenen die op. Wie over wielrennen boeken wil schrijven, moet dus die mythische dimensie vatten. Wie dat niet kan, zit ernaast. Wie overdrijft, trouwens ook. Een stevige windvlaag is nog geen 'stormweer', een stortregen geen 'apocalyps'. De overdrijving, vaak nog eens zeer clichématig gebruikt, heeft wielrennen zelfs zijn slechte naam gegeven, wielerjournalisten hun reputatie van fantasten.

Benjo Maso is helemaal geen fantast. Van deze Nederlandse auteur verscheen Wij waren allemaal Goden, een relaas van, jawel, de Ronde van Frankrijk van... 1948. Ga met zo'n onderwerp naar een gemiddelde uitgever, en hij kijkt je net zo beaat aan als Hans De Clercq daarnet. Maar Maso kan niet alleen schrijven, hij kent ook iets van wielrennen. Wie de kaft van zijn boek bekijkt, weet dat binnenin een episch verhaal wacht. Dat zie je aan die prachtige zwartwitfoto, een beeld van de jonge Louison Bobet die op de verschrikkelijke Col de la Croix de Fer de oude, sterke Gino Bartali uit zijn wiel wil rijden. Achterin doemen geen achtervolgers maar wel auto's op, oldtimers natuurlijk, maar het is vooral de weg die beklijft. Letterlijk: de modder zuigt de rennerswielen tegen de Alpenflanken aan. Maar Bartali en Bobet rijden als halfgoden. Misschien zijn ze niet onkwetsbaar, maar onsterfelijk wel, zeker zolang deze foto bestaat. In het boek legt Maso in een meeslepend relaas uit hoe Bobet die dag in de zorgvuldig gespannen val van Bartali trapt, hoe hij al zijn krachten verspeelt aan wat hij zelf beschouwt als een aanval, maar wat eigenlijk de voorbereiding is van de grote sprong van de Italiaan zelf. Maso's boek is van het beste, het allerbeste, van wat ooit over sport is geschreven in het Nederlands. Wie vandaag nog de standaardopmerking maakt dat er behalve De Renner van Tim Krabbé niet veel bijzonders geschreven is over sport, getuigt definitief van zijn of haar gebrek aan kennis van dit onderwerp.

Er ligt ook vertaald werk in de rekken dat van meesterschap getuigt. Er is de prachtige Nederlandstalige uitgave van de Merckx-biografie van Philippe Brunel. Brunel is journalist van L'Equipe. Bij die toonaangevende Franse sportkrant is hij de stilist, een dichter en verteller die zijn thema's haalt uit de rennersrealiteit die hij beroepshalve aanschouwt. In het uitgebreide team van L'Equipe is hij de man die de mythische dimensie evoceert. Als er in de Franse pers dus iemand geschikt was om de prestaties van Eddy Merckx in taal te vatten, dan Philippe Brunel. Goed, hij schrijft met Franse slag en de zwier van Parijs. Voorstanders van zakelijke taalbeheersing zullen er wel van gruwen. Maar Brunel slaagt er wonderwel in Merckx te vatten in zijn grootheid. Er is namelijk een verschil tussen op indrukwekkende wijze een klassieker winnen, en dat doen op 'Merckxiaanse' manier. Daarom dat men beter spaarzaam omspringt met dat adjectief. Merckxiaans betekent eigenlijk: een hoogst uitzonderlijke prestatie leveren, en dat uitzonderlijk vaak herhalen, zodat er een uitzonderlijk diepe kloof gaapt tussen de 'Merckxiaanse' figuur en de anderen, zelfs in die mate dat iedere vergelijking tussen een Merckxiaanse man en anderen ongepast lijkt. Zo gedefinieerd, is het natuurlijk moeilijk om na Eddy Merckx nog iemand te vinden die 'Merckxiaans' is.

Brunel heeft ook uiterste zorg besteed aan de foto's. Prachtige kunstfoto's lijken het, duur uitgegeven ook, op goed papier, en vaak over twee pagina's. Het fascinerende eraan is dat het gewone persfoto's uit de jaren zestig en zeventig zijn, meestal van fotografen van L'Equipe zelf. Wie die Franse sportkrant ter hand neemt, weet dat de doorsnee-kwaliteit van het beeld erin erg gewoontjes is. Maar Brunel herkende het uitzonderlijke in het banale. De teamgeest van Merckx' Molteni-ploeg, zijn woede, zijn twijfel, zijn zegehouder, zijn aftakeling, Brunel tekent het op als een meeslepend drama.

Het is interessant om Brunels visie te vergelijken met het collectieve werk over Honderd Jaar Tour de France 1903-2003 van de redactie van L'Equipe. Ook hier zijn de foto's excellent, maar het speciale aan deze editie is toch dat de lezer de geschiedenis van de Tour kan volgen aan de hand van het relaas van L'Equipe uit die tijd. De dood van Tom Simpson wordt begeleid door de tekst die Jacques Goddet de dag erna afdrukte in L'Equipe, de bergritten uit de heroïsche, vooroorlogse periode kun je volgen via de lyriek van Tour-stichter Henri Desgrange. Zoals bijna alle sportjournalisten durven de Fransen best chauvinistisch te doen. Vergelijk maar eens hoe bewonderend L'Equipe schreef over de soms heel gewone tourzeges van Jacques Anquetil, of hoe diezelfde redactie behoorlijk indrukwekkende overwinningen van Eddy Merckx een beetje neerbuigend duidde: "de tegenstand was toch niet je dat dit jaar..." En voor wie de voeten op de grond wil houden, voor wie toch eens wil lezen hoe het er écht toegaat in de Tour, bij renners en volgers, is Peter Ouwerkerk de aangewezen man. Ouwerkerk lijkt no-nonsense, maar is het niet. Hij vertrekt wel van de realiteit. Legt precies uit wat eigen is aan rennersdiarree, welke soorten erin bestaan, en hoe verzorgers aan de vloeibaarheid van die ontlasting herkennen hoe hard hun renner heeft afgezien. En toch schreef hij geen ranzig boekje vol stinkende verhaaltjes. Ook geen mythe om de mythe. Geen foto's bij Ouwerkerk, met het zwart-wit als kunstzinnige pateen om een afstand te scheppen. Wel voelt Ouwerkerk zich geroepen om eens uit te leggen wat dat eigenlijk is, 'afzien'. En durf dan nog eens te beweren dat renners geen helden zijn, of hele halfgoden.

Walter Pauli

Wie over wielrennen boeken wil schrijven, moet de mythische dimensie vatten.

Wie dat niet kan,

zit ernaast'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234