Zondag 13/06/2021

Getroost worden, dat wil de mens

en noorden van Groningen in het dorp Nieuwolda staat op de kerktoren geen windhaan maar een zeemeermin. Het is een streek waar ze altijd al tegen het heersende gezag zijn geweest. De geploegde akkers liggen er vet en donker bij. Op die akkers kijken Jan Mulder en zijn vrouw Johanna uit. Hij, de “man met balverliefde voeten”, trok op zijn negentiende uit het iets verder gelegen Winschoten weg naar Anderlecht voor een carrière als profvoetballer. Hij zou er zeven jaar spelen. Hij werd omarmd door het Brussel van toen. Nachtclubeigenaars, collega’s, ploegmaats, fans. Jan Mulders intocht met een sportwagen, een MGB, werd een blijde intocht. Zijn jeugdliefde Johanna van der Wal, al sinds haar dertiende ‘zijn meisje’, reisde mee. In 1972 maakte hij bekend dat hij naar Ajax trok. Nu, zoveel jaren na een voetbalcarrière die stopte in 1975 door een knieblessure die hij bij Anderlecht opliep en waar hij fataal last van kreeg toen hij al bij Ajax speelde, wonen ze terug in het hoge Noorden. Intussen is er veel gebeurd: de kinderen zijn groot, hij werd schrijver, columnist, televisiecommentator, analist. Eenmaal in de week is hij te zien bij De wereld draait door.

Nu: een gesprek aan de keukentafel op de laatste vrijdagmiddag van de maand oktober 2010.

Hij: “Het is echt niet goed voor de spermavorming.”

Ze snijdt met een scherp mes mozzarella in plakjes, terwijl ze zegt: “Ach, welnee, wat wisten wij daarvan.”

Ze spiest de stukken mozzarella en tomaat op een stokje. Ze vieren straks de verjaardag van hun jongste zoon. Over de geboorte van zijn oudste, Youri, schrijft Mulder in zijn boek Chez Stans:

Zaterdagavond 22 maart 1969 brachten we zoals gewoonlijk door in Chez Stans. Johanna was negen maanden zwanger en in topvorm. Ze had die dag al twee pakjes Marlboro gerookt en was niet naar huis te krijgen. Halftwee in Chez Stans.

‘Leve de zuigelingen van den Anderlecht’, riep Pol en ik liet nog een feestelijk glaasje inschenken.

Johanna en Josianne (de bazin) dronken de likeur Mandarine Napoléon...

‘We gaan ’m Napoleon noemen’, riep Pol.

Twee, drie, vier Mandarines gingen er nog in de aanstaande moeder, en om halfdrie kwamen de weeën…

Terwijl man en vrouw meer dan veertig jaar later in de keuken in Noord-Nederland staan, denken ze aan toen.

Zij: “Wij dronken nooit iets in Brussel.”

Hij: “Jij wel.”

Zij: “Ja, als we gingen eten.”

Hij: “Dat deden we vaak, Johanna.”

Zij: “Josianne zei die nacht: ‘Oh, ça ne fait rien tu sais, il est déjà grandit.’ Ik zei: ‘Ik mag helemaal niet drinken.’ ‘Maar neen,’ zei ze, ‘hij is al groot, het maakt niets meer uit.’”

Hij: “We gingen behoorlijk dronken het ziekenhuis in.”

Zij: “Ik weet dat we thuis het koffertje nog gingen ophalen, maar dat ik niet meer zo goed wist waar het stond.”

Ze kijken samen in de boeken die net zijn toegekomen: een biografie met foto’s en een autobiografische roman Chez Stans.

Hij: “Zie mij daar, zo jong.”

Zij: “En ik met die permanent.”

‘Voor twee personen die zeer verliefd zijn’, luidt het motto van het ene boek. ‘Alles voor het meisje’, luidt het motto in het andere.

Hoe herinneren jullie je die tijd in Brussel?

Johanna: “Ik was liever in Brussel.”

Jan: “Jij wou liever blijven dan ik, maar omdat ik dat voetbal in mijn hoofd had, wilde ik naar Ajax.”

Johanna: “Wij waren echte Brusselaars. Robbie Rensenbrink, die kwam toen nooit in de stad.”

Jan: “Ik heb nog bij die brand gestaan, van de Innovation.”

‘Soms sta ik in de badkamer voor de spiegel en weet niet naar wie ik kijk: de ware, oude Jan Mulder, ook wel in Anderlecht Yann Mudlèr genoemd, of het nieuwe surrogaat, de imker’, schrijft hij in zijn boek. Ik zie geen bijenkorven. “Die imker heb ik verzonnen. Ik wilde die tegenstelling tussen die schitterende jongen van vroeger en de man die ik nu ben. Ik liep een keer met een overall, laarzen en vuurvaste handschoenen in de tuin te klooien. Iets verderop zijn er wel van die korven met bijen. Ik denk: verrek, ik ben als een imker, wat is er van mij geworden?”

Nu jullie hier zo beiden vredig bij het aanrecht staan… Er zit wel een hele liefdesgeschiedenis in Chez Stans. Niet zomaar een lijn, maar een liefdesleven met alle vertakkingen, als ik het zo verbloemd mag zeggen, en alle twijfels die er zijn.

Jan: “Ik dacht: ik ga het een keer eerlijk opschrijven.”

Johanna: “Ik zeg het ook eerlijk, hoor.”

Jan: “Jij zegt altijd te veel.”

Johanna: “Ik zeg gewoon: het was niet altijd even makkelijk.”

Jan: “Voor mij niet, Johanna.”

Johanna: “Dan krijg ik de schuld. Och, het komt altijd weer goed. Maar laten we niet te hard roepen, straks begint het weer.”

Jan: “Begint het weer? Helemaal niet. Ik ben een oude gepensioneerde. Alhoewel.”

Johanna: “Ja, nu zeg ik weleens: Jan, je zou weer eens een vriendin in Amsterdam moeten hebben, al die hotelkosten. Maar neen… Ik zie het weleens bij vrienden. Man en vrouw vinden elkaar niet meer leuk en dan, tja, houdt het op. Maar dat was bij ons niet zo. Je kunt niemand verbieden om van iemand anders te houden.”

Jan: “Ik vond jou vaak aantrekkelijker dan die vriendinnen.”

Johanna: “En ik ben ook weleens verliefd geweest. Maar ik wilde geen verhoudingen. Dat is mij nooit overkomen.

“Toen Jan voetbalde, was ik het keurige voetbalvrouwtje dat iedere zaterdag naar de kapper ging. Maar ik keek en hield wel van het voetbal.”

Jan: “Jij had ook verstand van voetbal.”

Johanna: “Bij Anderlecht viel het nog mee. De vrouw van Paul Van Himst en Jean Cornelis waren ook echte voetballiefhebsters. Maar bij Ajax had ik soms ontzettende ruzie met die vrouwen. Die zaten op de tribune de hele tijd maar foto’s te bekijken en te kletsen. Dan hoorde je de ene tegen de andere zeggen: ‘Och, die bontjas heb ik net besteld.’ Wat dan helemaal niet zo was.”

Jan: “Ik speelde voor Johanna, voor de club, voor de wasvrouw van Anderlecht, voor de kantinejuffrouw, voor de terreinknecht. Ik was ziek als wij uitgeschakeld werden, en niet omdat we dan minder verdienden, maar door de vernedering: voor ons team, voor onze kleur. Ik had een grote clubliefde. Dat bestaat niet meer.”

Toen kwam die blessure en was het gedaan met de voetbalcarrière. Werd alles toen anders?

Jan: “Ik dacht van niet, maar achteraf gezien… Ik heb wel een half jaar thuis zitten kniezen. Het was aan de ene kant een opluchting, maar aan de andere kant dacht ik: wat nu? Ik had ook nog nooit aan schrijven gedacht, tot het me opeens werd voorgesteld. Maar jij hebt toen wel gezegd: ‘Dat ga je toch niet je hele leven doen?’”

Johanna: “Zo heb ik dat niet gezegd. Voor mij werd je geen ander. Ik was blij dat je verlost was van die slepende blessures. Wat dat schrijven betreft, ik dacht: dat houdt hij nooit vol. Ooit zijn de anekdotes uitgeput en zit hij zonder stof. Tot ik ineens besefte: als Jan een grasspriet ziet, schrijft hij er ook een stukje over.”

Jan: “Maar je had me ooit zien gloriëren op een voetbalveld. Kreeg je dan geen mindere achting voor mij? Dacht je niet: ‘De glamour is eraf’?”

Johanna: “Neen, dat dacht ik niet. Want ik heb toch geen glamour met jou gekend. Ik bedoel: als ik nu midden in een glamourleven jou tegengekomen was. Maar wij kennen elkaar vanaf ons dertiende.”

Hoe komt het dat jullie verliefd op elkaar zijn geworden?

Johanna: “Hij had altijd zo’n leuke kleren aan.”

Jan: “Bij mij was het gewoon seks. Fysieke aantrekking. Ik hou van vrouwen met een goeie tred. Iemand die mooi loopt: hartelijk en fris. Jij had goede benen.”

Johanna: “Ik stap graag stevig door.”

Johanna, loste jij zijn worstelingen op?

Johanna: “Ja.”

Jan: “Ja, maar dat is ook wel eens andersom geweest. Nu, achteraf gezien, dat mijn haren recht overeind stonden, met wie jij dan weleens iets... Dat ik dacht: hoe is het mogelijk, zeg? Hoe heb je dat ooit gedurfd? Niet te geloven.”

Johanna: “Steeg ik in je achting of niet?”

Jan: “Ik heb tijdens mijn hele voetbalcarrière nooit een verhouding gehad. Het gebeurde pas erna. Ik was een ouderwetse sportman. Om 23 uur naar bed. Ik dronk niet, dat doe ik nog niet, ik leefde voor Anderlecht en ik ging niet de stad in, achter de vrouwen aan. Ik ben een laatbloeier, later werd ik leuker, vind ik zelf. Dat begon pas toen ik ging schrijven en andere mensen ontmoette. De kunstwereld en schrijvers, die bewonder ik. Ik bewonder Remco Campert en niet de directeur van Philips.

“Ik ben dankzij mijn blessures in die schrijverswereld terechtgekomen. Boven café Scheltema in Amsterdam zat een bodybuilder die trainingstoestellen had. Daar ging ik een paar dagen per week naartoe om mijn spieren te trainen. De eerste dag dat ik het café binnenkwam zaten Adriaan Morriën en Theun de Winter er. Zij waren Ajaxsupporters en riepen me bij hen. Een beetje verderop zaten Wim Schippers, en ook Kees van Kooten en Wim de Bie, die er hun televisiesketches schreven. Kees was een vriend van Remco. Even later vroeg het weekblad De Tijd me om een stukje te schrijven over Ajax. Toen had ik meteen door dat ik geen verslaggever ben, maar een waarnemer van dingetjes.”

Journalisten als Mick Michels noemden u een intellectueel.

Jan: “Hij verwisselde intellectualiteit met kritisch zijn. Als dingen niet goed georganiseerd waren in de club kon ik daar weleens opmerkingen over maken.”

U noemt zichzelf een brave jongen in die tijd.

“Ik was braaf, behalve op het veld. Dat was eigenaardig. Ik was niet verlegen op het veld, omdat ik wist dat ik daar goed was. Maar daarnaast. Als ik terugblik op wat ik dan in Brussel deed. Ik zat ’s zondags in hotel Metropole tussen al die oudere mensen naar een bigband te luisteren. Ik droomde van een open auto, kreeg die, reed ermee door de stad. Ik genoot van de oude gevels. Het had evengoed totaal verkeerd met me kunnen aflopen.”

Hoezo: u was verlegen, behalve op het veld?

“Ik heb mijn verlegenheid bijgesteld. Ik was misschien meer bescheiden dan verlegen. Ik heb altijd een soort bezorgdheid over de toekomst gehad. Bij de meesten is dat financieel. Ik was bang dat het geluk mij zou ontglippen. Dat had ik al toen ik in Winschoten voetbalde. Dan dacht ik: ‘En nu? Hoe kom ik in Madrid? Hoe weet men dat ik een goed spelertje ben?’ Dat hield me bezig.

“Angst is een te groot woord. Eerder onzeker of het allemaal wel goed verloopt. Kijk, ik kan dan wel van goede wil zijn of een talent hebben, maar dat moet dan ook worden opgemerkt. Want er waren ook clubs, zoals Groningen, die het helemaal niet zo in mij zagen zitten. Anderlecht toevallig wel. Je moet ook geluk hebben. Anderlecht erkende me. Anderlecht stond bekend als een instituut en chique club, een grandeur. Welnee! Liefdevolle, brave kleinburgers, dat waren wij. De hele wereld kijkt tegen Anderlecht op. Maar het was zo’n menselijke club! Wij waren ongelooflijke leuke dorpelingen. Zo behandelden ze mij ook, als een jongen uit de buurt. Ik ben nooit in handen van voetbalmakelaarstrengheid gevallen. Ik werd er met liefde voor de persoon Jan Mulder omringd.”

Hoe kijkt u nu naar Anderlecht als club?

“De hele voetbalwereld is veranderd. Anderlecht is meegegaan in die enorme hausse van commercie en ambitie, stadion vergroten, restaurants erin, je kunt niet anders. Maar als ik een speler als Lukaku zie, die in Anderlecht woont, daar ook op school zit, herken ik me wel wat in hem. Ik voel aan Lukaku dat hij van Anderlecht houdt. Dat zie ik aan die jongen, en ook dat hij bescheiden is. Er is iets over hem heen gegaan. Zestien. Een fenomenale prestatie, dat is echt een talent. Hij heeft een tijdje geleden een terugval gehad, maar hij is in goede handen. Dat straalt ervan af. Dat is zowel de club, zijn vader als hijzelf. Hij heeft de goeie droom.”

De goeie droom?

“Dat is een van de belangrijkste dingen. Ik zag het ook bij mijn zoon Youri, van wie ik dacht: die heeft iets minder talent, toen hij bij Ajax afgekeurd werd. Hij heeft bij Schalke 04 gespeeld. Hij is een ster in Duitsland geworden. Hij heeft het puur op zijn droom gedaan. Je kunt in veel zaken veel bereiken door er alles voor over te hebben, op een zuivere manier, niet egoïstisch maar voor de sport.”

U haalt in het begin van uw boek de uitspraak van uw jeugdtrainer uit Winschoten aan: ‘Nooit op het gras liggen.’

“Ik ben een dramatisch ingestelde figuur, uit zwakte. Dat ben ik altijd gebleven. Terwijl ik bij Anderlecht bekendsta als iemand die vooropging in de strijd, die het kopje niet liet hangen. Als de anderen al verslagen waren, dan ging Jan nog voorop in de strijd. Ik was een beetje een robuuste speler, maar in werkelijkheid - en dat had ik als kind ook al - lag ik op een gegeven moment toch graag op de grond te snikken om een gemiste kans. Ook wel letterlijk. Ik viel te makkelijk. Je hebt spelers die dat idee uitstralen van: in de glorie van de dribbel wordt de ruiter geveld. Wel, ik kapseisde graag.”

Leg mij het genot van dat kapseizen eens uit.

“Dat is het drama van het falen. Dat is namelijk altijd mooier dan winnen. Ik hield van velden in de herfst. Vallen, de teloorgang, het blijven steken in de modder. Het is geen masochisme, het is bijna - ik wil niet zeggen dierlijk - sneuvelen in de strijd.”

Hebt u dat nog altijd?

“Ik hou niet zo van winnaars. Het gaat mij om de schoonheid, ook van het voetbalspel. Die schoonheid is verminderd. Het is te defensief. Ik ben voor de naïeve openheid in het spel. Niet van stringente maatregelen door trainers. Gewoon de jongens laten voetballen volgens hun talent. Individuele klasse, daar hou ik van, maar niet van berekening.”

Wat was dan de schoonheid van de onvolkomenheid?

“Hoewel ik wel een winnaar was en hield van kampioenschap, vond ik het heerlijk om met een kapot geschopte scheen ’s avonds thuis te zitten, doodop en de wedstrijd verloren. Dat accepteerde ik als een man en daar zocht ik dan ook wel weer iets goeds in. Ik had het erger moeten vinden, verliezen. Ik heb wat foto’s van mezelf na een nederlaag. Ik zit ook graag zo met de kop in mijn schoot. Tja, slachtoffer spelen, getroost worden door een schitterende vrouw. Dat zal er achter zitten. Getroost worden, dat wil de mens. De zwakkeling tenminste. Je krijgt meer aandacht als je geveld bent. Ik chargeer nu ontzettend, want ik hield van winnen. Maar ik heb het nooit zo’n smet op mijn carrière gevonden dat wij de Europacup nooit wonnen. Het ging mij vooral om de glorie van het spel en het fysiek genieten. Ik genoot altijd van mijn benen. Dat dat lichaam goed werkt, heerlijk.”

U stond ook bekend voor uw pas. Hugo Camps schreef ergens dat zelfs sommige sportjournalisten begonnen te lopen zoals u. ‘Met de knieën naar buiten, heupen klaar om te springen. Lopen zoals Jan Mulder.’

“Ik dacht altijd dat ik heel mooi liep, en snel. Het maakt ook niet uit, als je dat denkt dan is het goed. Maar als ik nu beelden zie van toen, is het toch iets trager dan ik zou willen, iets te lijzig in de wending.”

Ik vond u een snel geïmponeerde jongen met een zogenaamd doorzettingsvermogen weliswaar, maar als je dieper keek, zag je iets zwaks. U zegt het tegen uzelf in een tweegesprek in uw boek. Wat voor zwakheid was of is dat dan?

“Snel het bijltje erbij neerleggen, in alles. Bij wijze van spreken bij het indraaien van een lamp en het voor mekaar krijgen van een overwinning op het voetbalveld. Als je met 0-1 achterkomt, dan denk je: ‘Ach, het noodlot heeft weer toegeslagen.’ Ik was een spits, dan sta je op een bepaald moment op de middenlijn als de tegenpartij in de aanval gaat en dan zie je de bal in je eigen doel gaan. Daar werd ik altijd zo neerslachtig van. Vreselijk. Daar was ik bang voor. Onheil. Een tegendoelpunt.”

Was u bijgelovig?

“Niet echt. Ik at veel suikerklontjes, dat wel. En ik stapte altijd graag even op de middenstip. In een wedstrijd kon ik dat niet laten. Het was meer een tic. Als die stip een beetje mooi was, kon ik er niet van afblijven. Soms vervingen ze de middenstip door een kruisje. Verschrikkelijk. Dan was ik in staat om naar de voorzitter van de tegenpartij te gaan en klacht in te dienen. Het is de fascinatie van de familie Mulder voor hoe het hoort, voor traditie ook. De rust van de orde.”

Stelt u zichzelf soms de vraag: was ik wel echt goed?

“Ja, dat doe ik nu soms wel. Ik was vanaf mijn zesde een voetbalspeler. Nu kom ik heel veel mensen tegen die dat niet eens weten. Ik weet wel dat het mijn ware passie was, maar omdat ik ook zo van schrijven hou en van kunst - niet dat ik daardoor in de knoop zit - denk ik toch weleens: was het wel mijn ware passie en in hoeverre is dat door het toeval bepaald? Ik worstel daar ook niet mee, maar dat ik het voetbal minder aantrekkelijk vind en niet meer in dat milieu zou kunnen leven, vind ik bijna dubieus. Ik heb van mijn zesde tot mijn twintigste gedroomd van het stadion, van de sfeer van zestig- tot tachtigduizend mensen. Terwijl ik het nu soms een beetje plat gedoe vind. Dat komt ook doordat het spel veranderd is, en door die enorme financiële belangen. Ik zou geen trainer kunnen zijn en de hele tijd met voorzitters en geldschieters omgaan. De voetbalwereld is me nu te beperkt om me daar nog op dezelfde manier in te storten als toen. Terwijl ik daar toen totaal geen last van had.”

U bent onlangs in een column nog tekeergegaan tegen het onfatsoen op het veld en de manier van tackelen.

“Daar heb ik altijd moeite mee gehad. Ik vond het een tekortkoming van mij, maar ik walgde van bewuste fysieke aanslagen. Daar had ik onder te lijden. Ik was niet bang, maar ik werd wel gemangeld door Engelse voetballers. Die ordinaire praat ook. Ik ben opgevoed in een heel keurig middenstandsmilieu in het brave Winschoten. Voetbal kan heel vulgair, ordinair en ruig zijn. De minachting voor de mens, die zag je soms in de blikken van tegenspelers op het veld. Daar word je niet vrolijk van.”

Wanneer hebt u in uw voetbalcarrière het meest walging gevoeld op het veld?

“In Madrid. Omkoping. Op dat moment was dat nieuw voor mij. Daar had ik nooit rekening mee gehouden. Dat was zo’n omwenteling in mijn voetbal, in mijn sportleven, in mijn ware leven. Toen ben ik mijn naïviteit kwijtgeraakt. Vreselijk, maar langzaam maar zeker zie je wel dat de mens slecht is of op zijn minst dom. Ik zie het nu ook in de politiek. Dat nationalistische gedoe. Egoïsme, daar heb ik het niet voor. Ik haat buitenlanderhaat. Uit angst voor hun eigen hachje worden ze vijandig tegenover moslims of buitenlanders, vaak verweven met het idee dat onze cultuur beter is. Ik zou ook niet willen dat België splitst. Luik en de Ardennen, dat hoort erbij.”

Uw vader was schoenmaker, hij maakte uw voetbalschoenen zelf. In 1969 is hij gestorven na een plotse hartaanval.

“Wij gingen met Anderlecht naar Milaan, de halve finale van de Europacup. ’s Ochtends trainden we nog in Brussel. Ze hadden al gebeld naar Anderlecht dat mijn vader onwel geworden was. Ze hadden me niets gezegd. Toen ik al in het vliegtuig in Zaventem zat, kwam Johanna naar het vliegveld om te zeggen dat mijn vader overleden was. Dan die weg terug van Zaventem naar huis. De dokter die tegen mijn moeder gezegd had: ‘Gaat u om de tien minuten maar even naar hem kijken.’ De eerste keer dat ze gingen kijken, was hij dood. Hij had best nog kunnen leven eigenlijk.

“Je beleeft dat in een waas. Ik kan me niet herinneren dat ik gehuild heb toen ik naar huis reed. Ik heb toen met open bek naar mijn moeder gekeken en ik ben ook wel zo: wij laten ons niet kennen of worden niet boos op een dokter die daar bij zat alsof er niets aan de hand was. Wij zijn mensen die alles accepteren, het noodlot en de ander zijn dom gedrag. Ik zal nooit stennis trappen met een dokter die het verkeerd deed. Ik was toen al het huis uit. Voor mij was dat natuurlijk emotioneel wel erg, maar minder erg dan voor mijn broer of voor mijn moeder die dagelijks met hem samenwoonden. Ik heb er nu eigenlijk meer last van dan toen. Ik begrijp hem nu beter of ik zou hem beter willen begrijpen.”

Over angst gesproken. In uw boek zegt de ene Jan tegen de andere: ‘Je denkt over alles te veel na en besluit in je twijfel en angst voor het ouder worden mij onderuit te halen.’

“Het is ook wel een beetje literatuur natuurlijk. Maar ik kan mezelf niet meer goed plaatsen in die tijd waarin ik speelde.”

Denkt u soms weleens: hoelang kan ik teren op die noemer ‘ex-voetballer’?

“Ik heb dat juist niet. Ik heb de neiging om die hele voetbalcarrière het huis uit te vegen. Het is al zo lang geleden. Als jonge mensen me niet meer kennen als voetballer, vind ik dat ergens wel verfrissend en goed. Het bewijst dat ik nu ook iets kan, los van het feit dat ik een voetbalster ben geweest.”

De geschiedenis van het heldendom is altijd kort.

“Ja, enorm. Dat heb je zelfs met iemand als Cruijff. Er zijn nu kinderen van vijftien of zestien jaar die vragen waar dat over gaat, dat is ook te lang geleden. Dat heb je met schrijvers ook. Adriaan Morriën vind ik een van de allerbeste stilisten die ooit in de Nederlandse literatuur een pen op papier hebben gezet. Ik lees zijn boeken vaak. Niemand die die man, een groot dichter, nog kent. Je bent vergeten voor je je kopje in de schoot gelegd hebt, dat is toch wel een besef dat ik in de gaten hou. Je moet niks voor de eeuwigheid doen, maar dan doemt het probleem op dat het absolute nu ook niet bestaat. En zo kakelt dat maar door in mijn hoofd.”

Aan aandacht geen gebrek. Is televisie ook een spel?

“Neen, dat is geen spel. Ik weet wel dat het voor de televisie is en ik hou ook van de - hoe zal ik het zeggen - triviale actualiteit. Ik ben geïnteresseerd in politiek en sport, en ook in het nieuws van alledag. Ik snap wel dat het vluchtig is. Het is ook een soort in de running zijn. Het is optreden. Maar het allermooiste zou zijn... Het allerliefste... (Hij buigt zijn hoofd en doet alsof hij gitaar speelt.) Tachtigduizend man, de Stones, Robbie Williams. Ah ja, dat zou ik natuurlijk willen. Mensen in extase brengen. Wat een genot. Opzwepen, in een roes brengen. Dat had ik met het voetbal ook een beetje. Ik geloof in de roes.”

Bent u nog naar het etablissement Chez Stans gegaan?

“Zelfs de trouwe liefde speelt zich af in mijn hoofd. Het is allemaal een beetje droevig geëindigd. De patron, Pol, ging dood. Josianne kreeg huidkanker. Het contact vervaagde. We hebben het allemaal wat laten verslodderen. De versloddering slaat toe, erg is dat. Ik heb Johanna, en Johanna heeft mij. Ik leef op Johanna. O wee als zij wegvalt, of als ik wegval, dan heb je die mensen aan wie je nu niet genoeg aandacht besteedt nodig hoor. Dan wil je opeens wel weer even bellen. Maar goed, dat is er niet uit te rammen, die sleur van alles is goed. En wij zullen later wel... Ja, ik ben een uitsteller. Het grijpt me naar de keel. Ik ben bang voor een confrontatie of zo. Bang om iemand uit het verleden op te bellen.”

Is er een dichter waarin u zichzelf herkent?

“Carlos Drummond de Andrade. Toen ik die Braziliaanse dichter las, dacht ik: ‘Dat ben ik.’ (Hij haalt het boek en leest voor.) ‘Ik zal niet de dichter zijn van een vervallen wereld. Liever zal ik zingen van een toekomende wereld. Ik ben gebonden aan het leven, kameraden.’ En even verder: ‘Het heden is zo groot, laten we elkaar niet verliezen. Laten we elkaar niet te zeer verliezen, laten we hand in hand gaan.’

“Niet in nostalgie zwijmelen, neen. Nu!”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234