Maandag 23/09/2019

Gesteld dat ik een timmerman was

Er zit een liedje in mijn hoofd en u weet hoe dat dan gaat: ik krijg het er niet meer uit. Het heet 'If I Were a Carpenter' deze keer en is een wonderlijk gevoelige song van de uit de verre maar mooie Amerikaanse staat Oregon afkomstige singer-songwriter Tim Hardin.

Het gaat over een man die tegen een vrouw zegt: "Gesteld dat ik een timmerman was, zou je dan nog van me houden? Zou je dan nog met me willen trouwen, sterker nog, wil je dan een kind van mij?" en het is duidelijk dat iemand met minder talent dan Hardin daar met het grootste gemak een smartlap mee had kunnen breien.

Maar dat deed hij niet.

Hardin was een en al subtiliteit en als je 'm met iemand zou kunnen vergelijken is het met zijn Britse bijna-tijdgenoot Nick Drake, die echter bepaald minder beklijvende melodieën schreef en als puntje bij paaltje komt eigenlijk ook minder diep snijdende teksten.

'If I Were a Carpenter' kwam in mijn leven in 1966. Toen was ik zeventien. Je hoorde destijds nog gewoon goede liedjes op de radio, zonder dat daar uitleg bij moest, of nostalgie. De eerste versie die mij bereikte was die van Bobby Darin, tot dan toe vooral bekend als een late crooner en een beoefenaar van allerlei beschaafd variété, maar tegen het midden van de jaren zestig gestoken door de folkmicrobe en een ware devotie voor Bob Dylan.

De versie van Darin is, samen met het origineel, ook meteen de beste. Neem dat gewoon van mij aan.

Later kwamen er nog vele lezingen van dat prachtige lied. Er zat zelfs opnieuw een hit in voor de legendarische The Four Tops, al was het niet hun beste. En in de francofonie ging Johnny Hallyday aan de haal met zijn versie, 'Si j'étais un charpentier', een song die hij werkelijk balkte als een gek, maar die toch indruk op de jonge mij maakte en die op een regenachtige kermis in Charleroi zeker ook enkele jonge harten sneller heeft doen slaan. Krachtige stemmen hebben zich gek genoeg altijd al geïnteresseerd voor Hardins zeldzaam zachte werk: denk aan Eric Burdon (van The Animals), denk aan Robert Plant (van Led Zeppelin), denk aan Steve Marriott (van Small Faces).

Maar wie zijn kunst echt naar de massa geleid heeft, is toch Rod Stewart, die van 'Reason to Believe' een van de eerste echte anthems van de jaren zeventig maakte en van Tim Hardin, zeker in kennerskringen, ook een kwaliteitslabel. Iets waar de nu jammerlijk vergeten The Nice feitelijk al voor gezorgd had met hun cover van 'How Can We Hang on to a Dream' en daarvoor, vooral niet vergeten, de grote Scott Walker en zijn subtiele cover van 'The Lady Came from Baltimore', op zijn eerste lp, Scott.

Hardin zijn we inmiddels allang verloren aan de heroïne. Niet zomaar een alledaagse rock-'n-rolldoodzonde, maar een lelijke habit die hij in Vietnam had opgedaan, waar hij zijn vaderland diende. Die slechte gewoonte heeft zijn hele leven verwoest en daarvoor ook zijn bankrekening. Want alhoewel de royalties van de honderden covers die van zijn songs gemaakt werden aardig moesten binnenstromen, is de zachtmoedige Hardin in 1980 doodarm gestorven in de straten van Los Angeles.

Dat hij een paar jaren eerder, voor een habbekrats, alle rechten op zijn songs verkocht had aan een of ander luizige leperd, zal daar ook wel mee te maken hebben, vrezen we.

Voor we de rubriek 'lichte muziek' verlaten, nog even dit. Het valt me weer eens op, dezer dagen, dat popjournalisten - een mensensoort die ik om een of andere reden altijd al vol wantrouwen bekeken heb en die in de journalistieke hiërarchie net onder de sportcommentatoren en iets boven de oorwormen zit - niet echt thuis zijn in de wereld van de andere kunsten. Zo las ik in de talrijke lovende commentaren op de nieuwe cd van de hierboven al vermelde Scott Walker, en die Bish Bosch heet, nauwelijks dat het hier om een veel meer dan impliciete verwijzing gaat naar de wondere wereld van Hieronymus Bosch.

Ook leek er bij het aanschouwen van de nieuwe videoclip voor 'Where Are We Now' van David Bowie maar weinig begrip te bestaan voor de vormentaal die de dunne witte hertog daarvoor gebezigd had. "Raar", hoorde ik ergens opperen, en ook "grappige ventjes" die "slecht gemonteerd waren", terwijl Bowie zijn verhaal over zijn Berlijnse periode helemaal in handen gegeven had van de gerenommeerde videokunstenaar Tony Oursler en die laatste had er overigens iets mee gedaan wat helemaal in de lijn ligt van zijn vaak grappige, soms schrijnende oeuvre.

Misschien doen poprecensenten wel alsof ze dat allemaal niet weten omdat ze niet geassocieerd willen worden met wat men tegenwoordig via een ergerlijk woord 'culturo's' is gaan noemen. Het is een woord waar ik nog slechter tegen kan dan tegen 'DansaertVlamingen' en het ergert me vooral wanneer het uit de stinkende bek komt vliegen van bepaalde rechtse politici.

Ik zou die mooie meneertjes er toch eens graag op wijzen dat indien ons gewest in de wereld nog íéts betekent, dat dan vooral komt omdat onze culturo's staan te dansen op de podia van die hele wereld, omdat in het Louvre, het Tate Modern of het MoMa werken van onze beeldende kunstenaars zoetjesaan vaste waarden geworden zijn, omdat aan het hoofd van grote schouwburgen in Amsterdam, Madrid en Hamburg briljante landgenoten staan, omdat onze beste schrijvers in zes, zeven talen vertaald worden en ook nog gelezen, omdat onze beste rockgroepen de halve planeet doen swingen, omdat onze acteurs en actrices het mooie weer maken op de meest prestigieuze theaterfestivals ter wereld, omdat onze films au sérieux worden genomen. Het zou goed zijn dat daar gewoon eens wat respect voor zou zijn, uit bepaalde hoek. Dat men er eens bij stil zou staan dat zulke resultaten niet toevallig zijn, maar het gevolg van lang en hard en weldoordacht werk.

Verder bedacht ik dat ik in dit stukje, om een beetje in de geest van de tijd te zijn, toch ook één keer het woord Claus en één keer het woord paus zou moeten laten vallen. Maar het wilde maar niet lukken, ook al omdat bijtende hoofdpijn me de afgelopen dagen danig uit mijn concentratie haalde.

Maar toen liep ik langs een paar terrassen aan de noordkant van de Antwerpse Groenplaats, waar een van die ruime horecaplekken kennelijk uitgebaat wordt door een dichter. Er stond een bordje waar ik, kleine culturo in bijberoep, mijn slotzin kant-en-klaar vond: "Even the paus, and Hugo Claus, are crazy about our mosselsaus!"

What can I say?, zoals Tim Hardin zong.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234