Woensdag 24/07/2019

Geprezen en verguisd: het genie Bob Dylan

Echte alter ego's zoals Bowie heeft Bob Dylan nooit ontwikkeld, maar evengoed kent zijn persoon een dozijn facetten: de folkie, de protestzanger, de verrader (horen we daar iemand 'Judas' roepen?), de herboren christen, de eeuwige troubadour. En toch altijd een eenvoudige song and dance man gebleven.

DOOR VINCENT BYLOO

Lang voor Dylans mythe een eigen leven ging leiden, droeg hij er zelf al een uit. Een veel bescheidener mythe, dat wel, maar niettemin, een mythe. Als beginnende folkzanger met verstrekkende ambities loog de jonge Dylan weleens over zijn leeftijd en diste hij tegenover vrienden en kennissen moeiteloos verhaaltjes en anekdotes op die hij eigenlijk louter van horen zeggen had maar die hij wel op zichzelf projecteerde.

Hij 'studeerde' in die dagen aan de universiteit van New York, maar zocht er veel meer het artistieke wereldje op dan het academische. Er werd een heuse folkrevival beleden in de coffeeshops en undergroundclubs van de stad, waar de vroegrijpe Dylan algauw bij het behang ging horen. De zeldzame keren dat hij nog naar zijn geboortedorp Hibbing pendelde, vertelde hij honderduit over het erg inspirerende milieu waarin hij vertoefde en hij vergat daarbij niet op te scheppen over de vriendschap die hij had opgebouwd met zijn held Woody Guthrie.

De adolescente grootspraak en het gevoel voor mythologisering dat de jonge bard aan de dag legde, zouden echter nog bescheiden blijken in vergelijking met de heroïsche proporties die zijn eigen persoon mettertijd ging aannemen. Zijn livereputatie leverde Dylan een platencontract (en zijn eerste elpee, Bob Dylan) op maar met name het milieu dat hij zelf zo nadrukkelijk had opgezocht, haalde hem in een haast verstikkende omhelzing aan, toen Dylan in toenemende mate protestsongs ging schrijven. Zelfs zijn grote voorbeeld Woody Guthrie, geroemd om de arbeidersliedjes die hij tijdens vakbondsstakingen speelde, had zijn engagement nooit weten te verwoorden in het soort scherpe protestsongs dat Dylan liet horen.

Burgerrechten- en vredesbewegingen, die in de vroege jaren zestig zowat samenvielen met de folkgemeenschap, zagen in Dylan de ideale spreekbuis voor hun links-intellectuele, antikapitalistische en pacifistische agenda. Maar de nieuwe held duldde betutteling noch recuperatie en legde aan niemand anders dan zichzelf verantwoording af. De eigenzinnige Dylan keerde zich af van zijn engagement en bracht het op het confessionele af persoonlijke album Another Side Of Bob Dylan uit.

Maar de grootste, of alleszins de opvallendste en meest spraakmakende omwenteling in Dylans muzikale loopbaan vond plaats in 1965, het jaar waarin hij met een snok zijn metamorfose voltrekt van een singer-songwriter in het traditionele akoestische idioom tot een elektrisch versterkte en rusteloos pulserende beatnik. Van een eerder bespiegelende troubadour tot een hippe, hyperkinetische belichaming van het moment, zinderend van vitaliteit en voorgestuwd door twee à drie hakkende bluesakkoorden en een rudimentaire uit-de-weg-rock-'n-rollbeat. Bringing It All Back Home was een scharnierplaat. De tweede kant was nog louter akoestisch (hoewel de nummers tekstueel al de nieuwe stempel droegen), maar de plaat opent met de intentieverklaring 'Subterranean Homesick Blues': uithalende Fenders, hevig ritmisch, en een Dylan die de blues in een stream of consciousness uitspuwt.

D.A. Pennebaker monteerde uit de lentetoer in Engeland de nog steeds toonaangevende muziekdocumentaire Don't Look Back, waarin te zien is hoe de gekte niet alleen rondom Dylan woedde, in de vorm van een overenthousiaste receptie en de mediaheisa, maar ook hoe Dylan zelf soms werd ingehaald door personage dat speed en slaaptekort uit een nis van zijn bewustzijn lokten en dat hij voordien misschien enkel in zijn teksten meende te herkennen. De documentaire toont ook een erg grappige Dylan, die bijvoorbeeld de draak steekt met het verzamelde, geilende journaille en die bovenal een ongenaakbare ongrijpbaarheid uitstraalt, soms ook voor zichzelf, een aspect dat zeker tot de mythologisering en iconisering heeft bijgedragen.

Een paar maand na de release van Bringing It All Back Home speelde Dylan op het Newport Folk Festival een legendarische, gedeeltelijk akoestische set, die het publiek in twee plaatkanten leek te verdelen. Maar de boe-roepers pijnigden hun stem en zenuwen tevergeefs: het nieuwe geluid had zich vastgezet in Dylan, de haardos ondertussen uitgegroeid tot een magnetisch aureool om zijn benige gezicht, en was nog grotendeels onontgonnen. In de zomer van 1965 spatte de single 'Like a Rolling Stone' uit de radio. De bijhorende plaat Highway 61 Revisited, en in 1966 ook Blonde On Blonde, hadden de nieuwe sound nog aanzienlijk aangescherpt.

Engeland had de elektrische Dylan nog niet live gehoord. In de lente van 1966 speelde Dylan in Manchester een concert dat een danig circulerende bootleg bleef tot 1998, toen het officieel werd uitgebracht als The Royal Albert Hall Concert, een titel die slaat op de hardnekkige fout dat het een opname uit die Londense zaal was. Dylan was op het toppunt van zijn kunnen en stond messcherp. Het eerste deel van de set was akoestisch, met delicate, haast transcendentale versies van 'Just Like a Woman', 'Visions Of Johanna', en het epische gedicht der troosteloosheid 'Desolation Row'. In het tweede deel werd Dylan geruggensteund door The Hawks, later (1968) hernoemd tot The Band. Tussen de stompende nummers door, inclusief nieuwe, geheel onvermoede versies van in oorsprong akoestisch materiaal, zoemde en ruiste het alweer verdeelde publiek. Vlak voor het einde riep een purist 'Judas' naar het podium, waarop een ijskoude Dylan: "Ik geloof je niet... Je bent een leugenaar." En tot zijn begeleidingsband: "Play fuckin' loud." De herboren jonge god sneerde in zijn 'Like a Rolling Stone': "How does it féééél?"

GOD ZIET U

En dan werd het plots heel stil rond Dylan. Het gerucht bereikte de in spanning verkerende wereld dat Dylan van een motorongeluk herstelde. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Het Motorongeluk wel een ongelukje was, maar vooral een excuus om zich met zijn gezin terug te trekken in de rustige kunstenaarskolonie Woodstock.

Maar Dylan kon natuurlijk niet niksdoen. Een paar maand later betrok hij met The Hawks een roze huis in Woodstock, Big Pink gedoopt. Ze namen tientallen nummers op, maar het was nooit de bedoeling die officieel uit te brengen. Dylans muziekuitgever echter hoopte op een commerciële vervolg, zoals eerder The Byrds en Peter, Paul & Mary uit respectievelijk 'Mr. Tambourine Man' en 'Blowin' In the Wind' hits distilleerden, en zorgde voor een officieuze verspreiding. In 1975 werd een selectie van die nummers als The Basement Tapes uitgebracht.

Dylans grote jaren zestig werden afgesloten met John Wesley Harding, een homogene, (toen al) tientallen malen naar de bijbel verwijzende countryplaat, en een meer rechttoe rechtaan Nashville-countrysessie met Johnny Cash, waaruit een klein deel werd geïsoleerd tot Nashville Skyline.

En dan was het wachten tot 1975 eer Dylan zich nog eens roerde met de kracht die je van hem kon verwachten. Zijn relatie met Sara was op de klippen gelopen en de wereld wreef zich in de handen. Zijn amoureuze calamiteiten maakten immers de duivel in hem los. Blood On the Tracks was het ongemeen scherpe resultaat en, samen met het haast even succulente Desire, de stijgbeugels waarmee de jonge god zich weer in het met bloed bespatte zadel hees.

Helaas had Dylan aan (fantastische) platen maken alleen niet genoeg en verpandde hij zijn hart aan God. In de jaren tachtig kwakkelde de herboren christen en volgde, de twijfelgevallen Infidels en Empire Burlesque daargelaten, de ene miskleun op de andere. Maar net wanneer het ooit zo dominante mannetje achter de strenge zonnebril uit de jaren zestig en zeventig voor eeuwig een in zichzelf gekeerde loner dreigde te worden, rechtte een nieuwe Dylan de rug: oud, cynisch en een tikje rauwer nog. Zijn nasale rokershoest had weer de allure van een Time Out Of Mind (1997).

THE NEVER ENDING TOUR

Dylans vernieuwing kwam niet uit het niets aanwaaien. De kern van zijn muzikantschap ligt 'm in de manier waarop hij zichzelf in de stroom van de muziekgeschiedenis gepositioneerd heeft. Dylan weet zich stevig geworteld in de muzikale tradities vóór hem, en gaat dan, tegelijk respectvol en beeldendstormend, eigenzinnig met die traditie om: no-one sings Dylan like Dylan. Ook zijn artistieke anarchisme maakt Dylan zo uniek: vaak doet de bard net dat wat niemand van hem verwacht. Op een drafje schreed hij altijd ver voor zijn volgers en adepten uit, de achteruitkijkspiegels van de gemakzucht negerend, don't look back. Bovendien heeft Dylan zijn plaatwerk steeds als momentopnames beschouwd, en hecht hij het grootste belang aan zijn muziek continu live spelen. Zijn Never Ending Tour kun je zo begrijpen als een pleidooi voor de essentie van zijn muzikantschap: zijn muziek leeft slechts bij gratie van de (altijd onvoorspelbare) live-uitvoeringen ervan. Daarin schuilt de kracht van een song and dance man.

Vijf cruciale platenThe Freewheelin' Bob Dylan (1963)

HHHH

Het standaardwerk over wat een mens zoal kan doen met een gitaar en een mondharmonica. Dylan geeft zijn protestsongs een verslavende ritmiek en melodie mee, zodat ze aan duurzaamheid winnen. 'Blowing In the Wind', 'A Hard Rain's A-Gonna Fall' en vooral 'Masters Of War' zijn nog steeds brandend actueel, met het laatste nummer al jaren een hit in het Witte Huis.

Highway 61 Revisited (1965)

HHHHH

De plaat opent met het jengelende 'Like a Rolling Stone': gedreven door een percussieve piano en een orgel, meer dan zes minuten de blues verbeeld door een muzikaal en tekstueel ontketende Dylan, toch veleer een poëet dan een profeet. 'Tombstone Blues', 'Ballad Of a Thin Man', het is een mer à boire voor wie de elektrische blues onder de leden heeft.

Blonde On Blonde (1966)

HHHH Dylan legt zijn "thin, wild mercury sound" vast: de gitaren en mondharmonica snijden als nooit tevoren en Dylan belijdt zijn teksten in hoge uithalen, een persoonlijke, bevreemdende en emotionele frasering. William S. Burroughs staat hem, in zijn gepunte schoenen en van bellen voorzien narrenpak, vanuit de coulissen van alles in te fluisteren. Wie het resultaat hoort, krijgt nauwelijks lucht.

Blood On the Tracks (1975)

HHHHH

Dylans fameuze breukplaat. Hij schreeuwt, tiert, scheldt en slaat maar zalven komt er niet echt aan te pas. Dylan spuwt zijn gal op het ritme van een gebroken hart en het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Haat toont zich een productieve inspiratiebron in prachtsongs als 'Tangled up In Blue', 'Simple Twist Of Fate' en het ijskoude, door merg en been snijdende 'Idiot Wind'.

Time Out Of Mind (1997)

HHHH

Een bittere Dylan ziet zijn vergankelijkheid onder ogen, maar weet onder auspiciën van producer Daniel Lanois nog schaamteloos over de liefde te zingen. Cynisch, zoals in 'Lovesick' of ronduit teleurgesteld, zoals op 'Standing in the Doorway'. Een erg ingetogen, sober maar hoorbaar gearrangeerd album waarop Dylan zich een nieuwe, passende stijl aanmeet. (VB)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden