Zaterdag 22/02/2020

Gent Terminus

Zaterdag, 14 februari, is het twintig jaar geleden dat de schrijver Jan Emiel Daele een einde aan zijn leven maakte. In 1994 bezocht Stefan Brijs zijn graf op Campo Santo in Gent. Wat hij daar zag en beleefde, inspireerde hem tot zijn Kruistochten, een serie essays over leven en dood van verwaarloosde Vlaamse schrijvers: 'Deze aanblik trof mij in het hart. Hoe kon zoiets gebeuren?'

Stefan Brijs

Ik leerde Jan Emiel Daele kennen in 1994. Hij was toen al zestien jaar dood. Tekenend was dat zijn naam niet in mijn leven kwam via één van zíjn boeken, maar via De laatste deur, een meesterwerk van Jeroen Brouwers over leven en dood van Nederlandstalige schrijver-zelfmoordenaars, waarin hij een hoofdstuk heeft gewijd aan zijn vriend Jan Emiel Daele.

Onder het lezen van dat hoofdstuk groeide mijn verbondenheid met Daele, niet alleen doordat het verslag van zijn leven zo aangrijpend was neergeschreven, maar vooral omdat ik mezelf op dat moment sterk herkende in deze schrijver, getroffen als hij was in zijn schrijverschap en in zijn relatie. Toen ik vernam hoe Daele tot zijn teleurstelling had vastgesteld dat zijn geschriften in al die jaren niet de roem hadden gebracht die hij had verwacht, zat ook ik in een diepe put omdat de roman waaraan ik al meer dan vier jaar werkte niet wilde lukken, en toen bleek dat hij, net als ik, maar dan zoveel jaren eerder, te horen had gekregen dat zijn vrouw hem zou verlaten voor een andere man, wist ik wat de band tussen ons was: de wanhoop om het mislukken van de belangrijkste dingen in ons leven, genaamd liefde en literatuur. Maar wat Daele toen deed, kon ik niet, lag niet in mijn aard. Brouwers beschreef het zo: "Vier dagen geleden heeft Daele met het vuurwapen zijn vrouw gedood: - daar zij hem angst inboezemde, van welke angst hij haar de schuld zou blijven geven terwijl het berouw daarover hem het verderdenken en het ademen zou beletten. (...) Toen heeft Daele niet staan stuntelen omdat hij zich nog niet zou hebben afgevraagd waar tegen zijn lichaam hij de vuurmond van het wapen zou drukken teneinde vóór te blijven op zijn achtervolgers: Daele drukte de vuurmond van het wapen tegen het weke gedeelte tussen kin en strottehoofd. (...) Toen schoot Daele zichzelf het firmament in (...)."

Daags nadat ik bovenstaande regels had gelezen, bracht de VPRO een heruitzending van De verzonkenen, een reportage gemaakt door Cherry Duyns na het verschijnen van De laatste deur. Hierin is onder meer te zien hoe Brouwers en Duyns de begraafplaats van Sint-Amandsberg te Gent bezoeken, waar Daeles stoffelijke resten liggen. Al zoekend naar zijn graf in het heuvelachtige Campo Santo, waar de kunstenaars op een hoopje bij elkaar zijn gelegd, verstrekt Brouwers uitleg bij de graven van 'bekende schrijvers' die zij passeren, zoals Ledeganck, Van Duyse en De Pillecyn. Wanneer zij uiteindelijk het graf van Daele vinden, schetst Brouwers met zichtbare pijn in het hart Jans levensverhaal, waarna hij, gezeten op een nabijgelegen grafsteen, de rug gebogen, de handen rustend op de knieën, als om een zware last op de schouders te kunnen blijven torsen, zijn blik over het kerkhof laat dwalen. Wat ik toen voelde, op dat ogenblik, was wat Brouwers ook gevoeld moest hebben: de beroering door een kille wind van de herfstdraad waarmee wij met Daele verbonden waren. En van toen af stond mijn besluit vast dat ook ik Daeles laatste rustplaats moest gaan bezoeken, die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij was begonnen uit te oefenen.

Nu wilde het gebeuren dat ik die zelfde week in een kroeg K. ontmoette, een vriendin die ik al jaren niet meer had gezien. Wij praatten vooral over onszelf - K. over hoe goed het haar ging in leven en liefde, ik over hoe slecht het mij verging in dezelfde disciplines - waardoor ik al spoedig te weten kwam dat zij door de week in Gent bleek te wonen. Nadat ik haar over mijn drang had verteld het graf van Daele te bezoeken, bood zij mij aan mij daarbij te vergezellen. Zo geschiedde.

Die dag regende het al sinds de vroege ochtend toen ik in Genk de trein nam en ruim twee uur later in Gent was het niet anders. Door het raam zag ik K. al staan op het perron, een bolstaande paraplu in haar hand. Ik stapte uit de trein en voelde meteen de kille noordenwind die langs de wagons door het station ijlde, een striemende regen voor zich uit jagend. K. spoedde zich naar mij en begeleidde mij het station uit. Wachtend op bus 71, die ons naar het kerkhof van Sint-Amandsberg zou brengen, trotseerden wij de gebundelde krachten van wind en regen. Onder mijn arm hield ik, verpakt in een plastic tas, De laatste deur gekneld.

Toen wij in de halfvolle bus hadden plaatsgenomen, begon ik K. te vertellen over Jan Emiel Daeles daden als schrijver: medeoprichter van het tijdschrift Yang, redacteur van het eenmanstijdschrift daele, auteur van een tiental boeken, zowel proza en poëzie als essays, waaronder zijn debuut Een Placenta, - gepubliceerd in mijn geboortejaar 1969 -, Lieve Oma, Lourdes Terminus, De achtervolgers, De moedergodinnen, Je onbekende vader, zoveel daden waarvan Daele had gedacht dat ze zouden worden bejubeld, dat ze hem erkenning zouden brengen, maar niet één van al die geschriften wilde dat voor hem doen, integendeel, hij werd verkeerd begrepen, uitgelachen, weggehoond, want, zo schreef Brouwers in zijn In Memoriam: "Jan Emiel Daele was niet 'een goed schrijver', in zekere zin kon hij niet schrijven (...). Daele was een naïef auteur en al kon hij niet schrijven, hij schreef. Alleen dat al onderscheidt hem van duizenden. En: (...) wat hij schreef was eerlijk van intentie, wat hem nog méér onderscheidt, van weer andere duizenden."

Daarna vertelde ik haar over de daden van Jan Emiel Daele als echtgenoot: over zijn eerste vrouw en dochter, met wie hij, hoewel levend in armoede, gelukkig was, maar die hij toch verliet; over zijn tweede vrouw, de beeldschone Digne, onder wier invloed Daele begon te veranderen in iets wat hij in wezen niet was, in een dandy, een fat, opdat hij Digne kon blijven behagen, maar tevergeefs, want deze prachtige Digne bedroog Daele met één, twee, zeven mannen, zelfs met zijn beste vriend, waarop Daele, toen hij dat ontdekte, op Valentijnsdag Digne vijf kogels in het lichaam schoot en vervolgens de zesde kogel...

Toen wij Sint-Amandsberg hadden bereikt, bleken wij nog de enige passagiers, de Gentse dodenheuvels telden weinig nieuwe gegadigden. Ik veegde de bewasemde ruit met de mouw van mijn jas schoon en keek naar buiten, waar het wel nacht leek, zo donker was het. Nauwelijks waren wij uit de bus gestapt of boven onze hoofden vond een wolkbreuk plaats waaruit zulke dikke hagelstenen zich naar beneden stortten dat wij in aller ijl een nabijgelegen winkel in moesten vluchten. "We worden niet van harte welkom geheten," zei ik tegen K. met een stem die amper boven het geraas van de hagel uit kwam. Een kwartier later was de bui over en stonden we weer buiten. De straten stonden blank en in de goten waren de hagelstenen aaneengeklit tot een papperige ijsmassa.

Voor ons lag het immense kerkhof van Sint-Amandsberg met in het midden ervan, op de hoogste heuvel, de kleine kerk, waaromheen het kunstenaarsslagveld Campo Santo was gelegen. Spoedig passeerden wij, kuierend over de gladde, beklinkerde paden, de rijzige monumenten van Van Duyse, Ledeganck en De Pillecyn, om ten slotte, na ruim een halfuur zoeken, op het graf van Jan Emiel Daele te stuiten, dat in zo'n slechte staat verkeerde dat het die naam nog nauwelijks waardig was.

Aan onze voeten bevond zich een perkje dat ommuurd was met een stenen rand die ooit volledig bedekt moest zijn geweest met witte, marmeren tegels, maar daarvan waren er nu verschillende verdwenen, zodat hier en daar de naakte, vuile bakstenen te voorschijn waren gekomen, waarop nog brokjes verweerd cement lagen. Door het resterende marmer liepen bruingroene strepen, niet de aan de steen eigen, natuurlijke aders, maar hardnekkige mossen die zich er in de loop der jaren hadden ingevreten. Een volgende tegel was al van de bakstenen losgekomen en lag half verzonken in de mulle aarde van het perkje, dat misschien ooit vol doorlevende planten had gestaan, maar waarvan er nu slechts één overbleef: een bloeiende primula, wit van bloemblaadjes, geel van hart.

Eromheen was enkel donker braakland, waarop bladeren en afgewaaide takjes lagen; een stompje afgezaagde stam was wat er restte van een laurierstruikje dat er tien jaar eerder wel stond. Aan het voeteneinde waren twee kleine gaten gegraven en voorbij het midden was een diep, vuistgroot gat, alsof iemand Daele uiteindelijk nog naar de keel had willen grijpen, of andersom. Van de rechtopstaande betonnen grafsteen, die Daele zelf had gekozen - in zijn laatste levensjaren werd hij een verwoede verzamelaar van grafstenen en allerhande kerksnuisterijen - waren enkel de letters en de cijfers zichtbaar die de naam en het levenstijdperk van de auteur vormden, het Latijnse opschrift dat eronder was gebeiteld, was door de ruwe hand van de tijd grotendeels weggevaagd; alleen wie op de hoogte was van Daeles levensmotto - me taedet hominem homini lupum esse - kon de laatste twee woorden nog net ontcijferen. Links en rechts van deze lijfspreuk was een witte rozet geplakt, ooit een bloem afbeeldend, nu gelijkend op een gedroogde, platgedrukte kauwgomprop. Boven op de grafsteen stond nog duidelijk zichtbaar, wat ze weldra niet meer zou zijn, want de takken van een opgeschoten geelgroene conifeer dreigden eroverheen te groeien, een gebeeldhouwde stenen lijst, een rouwende vrouw voorstellend, in haar armen een foto. Op die foto Jan Emiel Daele zoals hij er in de laatste jaren van zijn leven had uitgezien: zware snor en baard, dikke donkere bril, dandy-sjaaltje om de hals.

Daar lag J. E. Daele - auteur. Onder een graf dat in dezelfde staat van ontbinding verkeerde als zijn lichaam, als zijn boeken, als zijn naam. Deze aanblik trof mij in het hart. Hoe kon zoiets gebeuren? Daele was dan misschien geen groot schrijver, hij had het tenminste geprobeerd, in alle eerlijkheid, dwars door deuren en ramen heen. Dat alleen al verdiende toch eeuwigdurende eerbied, niettegenstaande zijn onvergeeflijke wanhoopsdaad. Ach, arme Daele, onbekende lotgenoot van mij, rust hier in ons Vlaanderen, waar eren nog steeds rijmt op creperen.

Toen gaf ik de paraplu aan K. en haalde De laatste deur te voorschijn, dat ik opende. En op dat ogenblik, in die zelfde beweging, schoven ook de wolken uiteen en voor de eerste keer die dag scheen de zon. Vijf minuten las ik voor over Jan Emiel Daele en toen ik na de regels "heden meldt de krant het feit dat de wereld een nieuw tijdperk is ingegaan, dat geheten is Waterman en dat brengen zal 'blije geestelijke verlichting, broederschap van de mensen en universeel geluk" het boek dichtklapte, verdween de zon meteen weer achter de wolken om de rest van de dag niet meer te verschijnen. K. wenste nog wat rond te slenteren op het kerkhof, maar een op dat moment in alle hevigheid losbarstend onweer, gepaard gaande met krachtige rukwinden en stortregens, dwong ons halsoverkop te vluchten naar de uitgang, de straat over, tot in een nabijgelegen kroeg, waar wij weer op adem kwamen.

Daar, onze handen warmend boven een kop koffie, vertelde ik haar over de reportage De verzonkenen, waarin tegen het einde te zien is hoe Brouwers en Duyns nadat zij Campo Santo hebben bezocht ook in een kroeg zitten, waar opeens de stroom uitvalt, terwijl de camera blijft lopen en de silhouetten en de stemmen filmt die zich in de ontstane schemer bevinden. Terstond nadat ik dat had verteld, viel in de kroeg waar wij zaten de stroom uit. Eén minuut lang hebben wij toen door het schemerdonker heen elkaar zitten aanstaren, zij verbaasd het hoofd schuddend, ik verstard.

Tijdens de reis terug naar het station zeiden we weinig, onder de indruk als we waren van het gebeuren. Toen de trein vertrok heb ik nog naar haar gezwaaid, afwezig, alsof ik naar een vlieg sloeg. Korte tijd hebben we daarna nog gecorrespondeerd, maar al gauw zijn we elkaar bijster geraakt. Misschien was haar rol uitgespeeld.

De volgende dag schreef ik een brief aan Jeroen Brouwers waarin ik hem verslag deed van mijn bezoek aan Jan Emiel Daele. In zijn brief d.d. 12.IV.1994 antwoordde hij mij:

"Even magisch-realistisch als uw kerkhofverslag op mij overkwam, was het feit dat ik uw brief juist ontving op de dag dat ik mij verdiepte in de binnenkort te verschijnen memoires van Julien Weverbergh (...). In Weverberghs boek is een honderdtal pagina's ingeruimd voor Jan en Digne Daele: intrigerende lectuur. (...) Lezing van deze hoofdstukken verplaatste mij terug in de tijd, - en toen ik pal daarop uw brief ontving, wist ik eens te meer: toeval bestaat niet. (...)

"En om nóg een reden associeerde ik uw jongste brief met magisch-realisme. Ikzelf had mijn In Memoriam voor Jan en Digne Daele juist herlezen, - voor het eerst na al die jaren (naar aanleiding van het verschijnen van Vlaamse Leeuwen, SB). Mettertijd wordt men uitermate kritisch ten aanzien van zijn eigen teksten. Om veel van mijn vroegere werk haal ik thans misprijzend mijn schouders op. Maar na lezing van onderhavige Daele-herinneringen, besloot ik mezelf toe te staan, te zeggen: 'Goeie tekst!'"

Toen ik later De voorwerpen van Julien Weverbergh las, moest ik mijn mening over Jan Emiel Daele herzien. Maar niet alleen ik. Uit Daeles dagboeken, die hij vlak voor zijn zelfmoord naar Weverbergh had gezonden met de vraag ze te redigeren en te publiceren, trad een geheel andere Daele naar voren dan de eerlijke, naïeve schrijver waarvoor men hem steeds had gehouden. Zelfs Weverbergh werd er compleet door overdonderd: "Maar de tekst was bij de eerste lezing als een verschrikking op mij overgekomen en bevatte zoveel haat voor het mensdom, zoveel laster (...), zoveel kromgetrokken situaties die mij bekend waren, zoveel gescheld op zijn familieleden, (...) zoveel foutief ingeschatte intenties van mezelf, dat ik een editie niet eens overwoog." Het enige doel dat Daele wilde bereiken was de top van de literatuur. Hij moest en zou bekend worden en iedereen die hem daarbij kon helpen, gebruikte hij. Vriendschappen bleek hij enkel te onderhouden met het oog op zijn levensdoel. Voortdurend droeg Daele een masker als hij in gezelschap was, maar eenmaal thuis, in zijn schrijvershol, ontpopte hij zich als een onmens die iedereen genadeloos afmaakte in zijn geschriften. Over Jeroen Brouwers: "Hij kan geen evenwicht bereiken in het compacte pakket van zijn frustraties en complexen, wel een knap schrijver, toch beperkt naar inhoud en bagage." Over Jef Geeraerts: "Hij zoekt contact omdat hij vernomen heeft dat ik met een en ander bezig ben, waar hij profijt bij zou kunnen hebben, de vieze leugenaar." Over Jotie 't Hooft: "Een unfaire en schijnheilige jongeman." Over Paul de Wispelaere: "De clown spelen en snuiten trekkend als een ouder wordend konijn." Over Julien Weverbergh: "De ijdeltuit, de geldwolf, het corrupte zwijn."

Eerst voelde ik mij verraden door Daele, maar hoe langer ik erover nadacht, hoe meer ik hem begon te begrijpen. Jan Emiel Daele was een gefrustreerde schrijver geworden, behekst door Vrouwe Literatuur en ontzield door Vrouwe Digne. De Daele die bovenstaande woorden schreef was niet meer de mens Daele, net zomin als de Daele die tot zesmaal toe de trekker overhaalde. Nee, Daele was ontaard in een wolf en het waren de instincten van dat dier die hem uiteindelijk tot zijn wanhoopsdaad hebben gedreven.

Laten wij vanaf heden Jan Emiel Daele herdenken zoals hij ook is geweest: een schrijver die moest schrijven, los van kunnen of willen. Zo moet hij de geschiedenis ingaan. Zo moet hij worden geëerd.

(Foto Karel Fonteyne)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234