Zondag 04/12/2022

'Generous Mother' roest langzaam weg

Tijdens de hoogdagen van de Amerikaanse auto-industrie zorgde General Motors zo goed voor de gemeenschappen waar het vestigingen had dat de inwoners de autogigant omdoopten tot 'Generous Mother'. GM leverde niet alleen goedbetaalde banen waar een stapel voordelen aan vasthingen, de fabrikant hielp ook huizen bouwen en pompte geld in de lokale scholen en verenigingen. Maar nu GM moet saneren, blijkt moeders vetpot uitgeput. Een hele regio blijft verweesd achter.

Evy Ballegeer

De assemblagefabriek van General Motors op Michigan Avenue in Lansing ligt er verlaten bij. Zware sloten houden de hekken rondom het fabrieksterrein dicht. Het sneeuwt zachtjes en de lege uitgestrekte personeelsparking verandert langzaam in een wit tapijt. Even stil is het in de Shop Stop Bar aan de overkant van de straat. 'For Sale' zegt het bordje op de zijgevel. In de winkel Caravan Food naast de deur brandt wel licht. De Indiase verkoper heeft niet veel om handen. Sinds de fabriek in mei de deuren sloot, verloor ook hij de vaste klanten die dagelijks drankjes, snoep of sigaretten kwamen halen. "Het gebouw wordt binnenkort platgegooid", weet hij. "Blijkbaar is het goedkoper om de fabriek af te breken dan om het gebouw te verwarmen en bewakingsagenten in te schakelen."

Hetzelfde lot wacht het GM Metal Center op Saginaw Street. Toen Chris 'Tiny' Sherwood vernam dat zijn fabriek een van de twaalf was die GM volgend jaar volledig of gedeeltelijk gaat sluiten, kwam het nieuws hard aan. Lansing Metal Center is niet alleen een van de fabrieken die hij vertegenwoordigt als voorzitter van de vakbond, de United Auto Workers Local 652, het is ook de fabriek waar in 1967 zijn eigen loopbaan begon. Vandaag de dag maken duizend arbeiders er onderdelen, net zoals Sherwood dat jarenlang deed. "Ik werkte bumpers af in nikkel of chroom. Duizenden en duizenden bumpers. Meestal werkte ik zeven dagen per week. Zoveel werk was er. En maar overuren kloppen. In die tijd verdienden we goed geld."

Sherwood is het stereotype van een arbeider uit de industrieregio die Rust Belt wordt genoemd. Hardwerkend, no-nonsense, ongepolijst en een beetje zwaarlijvig. Hij is trots op zijn baan bij GM, net zoals zijn vader dat voor hem was. "Het doet pijn, weet je. Niet alleen omdat je weet dat er mensen op straat zullen belanden. Het is ook een kwestie van trots. Vroeger had elke stad in de regio zijn eigen auto. In Flint bouwden ze Buicks. Detroit had de Cadillacs, wij hadden de Oldsmobiles en Pontiac de Pontiacs. Elke stad was fier op het merk dat ze bouwde. En die trots is ons ontnomen. Veel van onze mannen voelen zich ook verraden. Ze leverden goed werk, dreven de productie op, wonnen kwaliteitsprijzen. En dan dit."

"General Motors zegt dat ze saneren omdat ze te veel voordelen moeten uitbetalen aan onze mensen, maar dat is niet de reden waarom ze geld verliezen", zucht Sherwood. "Zeventien kwartalen aan een stuk betaalden ze die voordelen en toch verdienden ze miljarden. Pas de laatste vier kwartalen verloren ze geld en dat is omdat ze marktaandeel verloren. Ze verkopen geen auto's. Zo simpel is het. Als je het mij vraagt, is er iets mis met de ontwerpen. Onze auto's zijn niet verkoopbaar genoeg. Ze moeten meer kilometers kunnen afleggen, met minder benzine. Betere auto's, dat heeft GM nodig. Wij kunnen enkel bouwen wat zij ontwerpen."

Sherwood windt zich op. Hij vindt het allemaal zo oneerlijk. Het meest maakt hij zich zorgen om de jonge arbeiders, want zij dreigen met lege handen achter te blijven. "Veel van onze mensen zullen aan de slag kunnen in de nieuwe assemblagefabriek hier niet ver vandaan in Delta Township. Ook mensen die hun job verloren bij GM in Flint en Grand Rapids zullen naar daar verhuizen. Natuurlijk kan niet iedereen er aan de slag en dus zullen ze de werknemers met de meeste jaren dienst voorrang geven. Maar wat gebeurt er met de mensen met slechts vijf of zes jaar ervaring? Die jongeren zullen uit de boot vallen en net zij zijn pas een gezin begonnen en hebben net een huis gekocht."

Een andere manier waarop GM mensen wil laten gaan, is via het pensioen. Maar veel pensioengerechtigden voelen zich nog niet bereid om ermee op te houden. De 59-jarige Alvin Jones is een van hen. Al 40 jaar is hij hier in dienst. "Ze zullen me wellicht een som geld aanbieden, maar wat moet ik dan? Ik had altijd gedacht dat ik zelf zou beslissen wanneer ik ermee zou stoppen. Ik ben in de jaren zestig naar deze regio verhuisd, precies vanwege de jobs bij General Motors. Ik ben er altijd van uitgegaan dat ik hier zo lang zou kunnen blijven als ik zelf wou."

Volgens Sherwood kunnen veel arbeiders het zich niet permitteren om met pensioen te gaan. "Veel mensen zijn aan een tweede gezin begonnen. Ze hebben een nieuwe vrouw en een jonge kinderen die nog naar de universiteit moeten. Het pensioen is niet onaardig, maar het is natuurlijk minder dan het gewone loon, zeker als je overuren klopt."

Recht tegenover het Metal Center ligt het Craft Center, een ander GM-complex dat volgend jaar gesloten wordt. Toen de vakbondsleider van die fabriek aan zijn leden hun lot wou meedelen, was er weinig volk te bespeuren. Bijna twee derde van de vijfhonderd werknemers is al ontslagen. In feite hebben ze nauwelijks gewerkt het voorbije jaar. Het Lansing Craft Center staat symbool voor veel van GM's problemen. GM verminderde de productie omdat de vraag voor de auto die er gemaakt wordt, de Chevrolet SSR pick-uptruck, veel lager lag dan de productie.

Maar hoewel veel van de werknemers niet meer naar het werk komen, is GM door het vakbondscontract toch verplicht om hen te betalen. De ontslagen werknemers worden namelijk doorgesluisd naar een zogenaamde jobbank. Dat houdt in dat de arbeiders van fabrieken die sluiten toch een veertigurige werkweek betaald worden. Toen de autofabrikanten hun productiviteit begonnen op te drijven door automatisering, beredeneerde de UAW dat de jobbanken het te duur zouden maken voor de fabrikanten om fabrieken te sluiten en arbeiders te ontslaan. Dat plan werkte wel, maar het heeft schade toegebracht aan de langetermijnleefbaarheid van de industrie en bij uitbreiding, de toekomstige jobcreatie.

De arbeiders uit de jobbank worden ingeschakeld om zogenaamde 'niet-traditionele jobs' uit te voeren. GM kan hen werkjes laten opknappen in zijn gebouwen of vrijwilligersorganisaties zoals voedselbanken kunnen arbeiders vragen om hen te helpen bij hun activiteiten. Ook scholen kunnen een beroep doen op de jobbanken. Althans, dat is de theorie. De praktijk ziet er helemaal anders uit.

In Lansing alleen al zijn er iets meer dan duizend jobbankers, terwijl er voor maximaal de helft van hen af en toe alternatieve klusjes op te knappen vallen. De werklozen onder de werklozen verzamelen dagelijks in de grotendeels lege Lansing Outlet Mall. Waar vroeger winkels waren, zitten nu mannen en vrouwen televisie te kijken. Of te kaarten, de krant te lezen, te kletsen, of voor zich uit te staren. Een hele dag lang. Ze passeren 's ochtends langs de prikklok, doen een dagje niets, prikken 's avonds opnieuw en rijden naar huis.

Het is niet iets waar GM graag mee naar buiten komt. Reporters die ter plaatse komen, worden prompt de deur gewezen. Ook de arbeiders die buiten staan roken, voelen er niet veel voor om hun deprimerende situatie toe te lichten. Een beetje uit angst om de richtlijnen van hun werkgever te overtreden, maar vooral ook uit schaamte. "Wat wil je weten? Hoe ik me hierbij voel? Deze situatie is niet bepaald iets om je goed over te voelen. Nutteloos, dat ben je en je verveelt je hier te pletter", mompelt een van hen voor hij weer achter zijn kraag verdwijnt.

Analisten verwachten dat de jobbanken een van de verworvenheden van de UAW zijn die zullen sneuvelen als de vakbond in 2007 met GM over een nieuw contract onderhandelt. Ook in de lonen, de gezondheidszorg en de pensioenen zal naar verwachting flink gesnoeid worden. Dus zelfs wie nog een job bij GM zal hebben, zal moeten inleveren. De gevolgen voor de middenklasse in stadjes zoals Lansing vallen niet te onderschatten. De meeste gezinnen hier leiden een comfortabel leven. Ze hebben een eigen huis, twee tot soms drie auto's op de oprit en een buitenverblijfje aan een van Michigans duizend meren.

Net als honderdduizenden andere mensen in het industriële Midwesten bleven ze tot recentelijk gespaard van de klappen die de textiel-, staal- en chemische industrie moesten incasseren. Terwijl arbeiders uit die sectoren hun lonen zagen krimpen en hun jobs zagen verhuizen naar het buitenland, wisten de werknemers en gepensioneerden uit de auto-industrie nog een tijdlang vast te houden aan hun welvaart. Tot nu. Het probleem met plaatsen als Lansing is dat ze generaties lang afhankelijk waren van in hoofdzaak een industrie. En nu die rake klappen krijgt, heeft de bevolking weinig alternatieven.

Geen stad die de gevolgen van een eenzijdige industrie beter demonstreert dan het naburige Detroit. Een populair gezegde vat de situatie in de Motor City het best samen: 'Als de auto-industrie hikt, dan hoest Detroit. Als de auto-industrie een verkoudheid vat, lijdt Detroit aan een longontsteking." Sinds 2000 gingen hier al 100.000 automobieljobs verloren. De hele stad ademt depressie uit. Hotels staan leeg, huizen zijn dichtgetimmerd. In het Museum of the History of Detroit zijn een paar installaties stuk, maar geld om ze te herstellen is er niet.

Downtown zie je nauwelijks beweging. Zelfs het prestigieuze Renaissance Center waar GM zijn hoofdkwartier vestigde, weet de doodse boel geen nieuw leven in te blazen. Zelfs op zaterdag is het restaurant in het torencomplex zo goed als leeg en ook de winkeltjes en de bioscoopzaal trekken geen volk. Wanneer je door Detroits straten rijdt, lijk je af en toe in een spookstad beland. Een verkeerde afrit van de freeway en je komt terecht in een onwaarschijnlijk getto waar jonge zwarte mannen dreigend rondcirkelen, het wegdek vol gaten zit en huizen op instorten staan.

In het kleinere stadje Flint is de situatie niet veel beter. Flint kreeg wereldwijde faam dankzij de film Roger and Me van Michael Moore waarin hij de teloorgang van zijn geboortestad eind jaren tachtig portretteerde. Flint was ook de geboortestad van General Motors, dat er in 1911 opgericht werd. De stad kende jaren voorspoed net als het bedrijf, maar toen GM in de jaren tachtig marktaandeel begon te verliezen en de productie moest verminderen, begon Flint aan een val waarvan het einde nog altijd niet in zicht is.

Veel lijkt er niet veranderd sinds Moores documentaire van 1989, behalve dan dat de lege fabriekspanden allemaal weggeveegd zijn en er op de oude industrieterreinen niets te vinden valt behalve uitgestrekte asfaltpleinen. Leegstaande huizen en verlaten schoolgebouwen onderstrepen de nog altijd aan de gang zijnde bevolkingsvlucht. Het stadscentrum telt nauwelijks winkels en al helemaal geen bars of restaurants. Een boog overspant de hoofdstraat met de titel 'Vehicle city', maar de enige voertuigen die hier rondrijden, zijn oude roestbakken klaar voor de schroothoop. Kortom, een uitzichtloze boel.

Maar daar wil Pamela Loving niets van horen. De directrice van Career Alliance, een vzw die mensen aan een baan wil helpen, is optimistisch. "Flint kent geen dode economie, maar een overgangseconomie", zegt ze. "Roger and Me, dat was geen verhaal over Flint. Dat was een verhaal over het verlies van de industriële basis in de Verenigde Staten. Michael Moore was meer profetisch dan iets anders, want wat hij in die film behandelt, is overal gebeurd. De focus lag hier omdat wij 80.000 jobs hadden. De inwoners van Flint hebben veel te lang met de handen in het haar gezeten."

Kijk, de gouden tijd van General Motors hier is voorbij. Dat moeten we nu maar voor eens en voor altijd aanvaarden. We zouden hier nog altijd kunnen zitten jammeren 'Wat moeten we doen? Wat moeten we doen?', maar daar schieten we niets mee op. Deze stad was het zodanig gewend om verzorgd te worden door GM, Generous Mother, dat we niet de nood voelden om te innoveren. GM deed alles voor ons. Ze zorgden voor jobs, bouwden hier huizen, hielpen scholen oprichten."

"Maar Generous Mother gaat niet langer voor ons zorgen en dus moeten we het voortaan op eigen houtje klaren. Voor ik deze job had, heb ik jarenlang voor het General Motors Institute gewerkt. We waren opgericht door GM en werden gefinancierd door GM. Maar op een dag in de jaren tachtig liet GM ons plots allemaal gaan. Het instituut was er al sedert 1919 en niemand dacht dat toen Generous Mother opstapte, wij konden overleven. Maar we deden meer dan dat: we werden Kettering University, een belangrijke ingenieursschool en hebben nu meer studenten dan ooit tevoren. Wij moesten onszelf heruitvinden of we gingen dood. Flint moet hetzelfde doen. Deze regio heeft zichzelf trouwens van oudsher moeten heruitvinden. Eerst had je hier de bonthandel, daarna de houthandel, toen kwamen de koetsen, gevolgd door de auto-industrie. En nu is het weer tijd voor iets anders."

De toekomst voor Flint ligt volgens Loving in het onderwijs. Behalve Kettering University zijn ook de University of Michigan, Mott Community College en Baker College in Flint gevestigd en die instellingen breiden voortdurend uit. Een andere sector met groeimogelijkheden is de bouwnijverheid, waarin ironisch genoeg een sterke vraag is naar afbraakwerkers. Ook transport en gezondheidszorg bieden perspectieven. "De gemiddelde leeftijd van een verpleegster is vijftig, wat betekent dat er over vijf jaar een enorme vraag zal zijn naar vervangers", blijft Loving optimistisch. "Dat we nog een moeilijke tijd zullen doormaken, valt niet te ontkennen, maar net zoals Flint een voorbeeld was voor de natie van industrieel verval, zullen we ook een voorbeeld zijn van heropbouw."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234