Zaterdag 24/08/2019

'Gemotiveerde mensen,

'De dag waarop ik mij niet meer kan verwonderen en dus ergeren en koesteren, aaien, strelen, is het leven niet meer waard geleefd te worden''Men vergeet zo vaak dat de waarde van een bedrijf de optelsom is van het talent dat er zit en niet van de financiers die langskomen'

dat is van het prachtigste dat je kunt meemaken' Betty Mellaerts praat met Mike Verdrengh

Foto's Filip Claus

Mike Verdrengh als Boorman, het spelplezier spat van het doek. Terug naar zijn oude theaterdroom: mensen laten delen in verwondering.

Hij heeft niets anders gedaan in zijn leven. BRT, VTM, illusies van een betere wereld die niet bestaat.

'In mijn lagere school was ik uit eigen beweging naar een lerares dictie gegaan, ik was een jaar of zeven, acht. Er kwam een nationale voordrachtwedstrijd en in Gent won ik de finale. De fluwelen zetels, mensen die naar je zitten te luisteren, ik wist dat het dat was wat ik ooit zou willen doen. Thuis keek men daar een beetje verbaasd van op. Mijn vader was schoenmaker, mijn moeder een echte Leuvense kotmadam. In de jaren vijftig hadden ze een oud herenhuis gekocht en op de tweede verdieping hield zij twee of drie studenten. Er was nog geen stromend water, dus moest moeder 's morgens met warm water en kolenemmers naar boven. Ze hield een oogje in het zeil voor als de ouders kwamen, maar ze nam altijd de verdediging van de studenten op zich, net zoals ze dat met ons tegen mijn vader deed. Ze ging ook overal helpen in de familie. Toen bestond het vangnet van thuishulp of palliatieve zorgen nog niet. Ze leidde een leven in het teken van dienstbaarheid waar op het eerste gezicht weinig plaats was voor haarzelf, maar ik herinner me mijn ouders toch als gelukkige mensen.

"Nu kan mijn moeder niet meer praten, ze is verlamd, maar ze schrijft en leest nog. Zij die graag praatte en knuffelde, het moet vreselijk zijn voor haar. Toen ze de hersenbloeding kreeg, heeft ze in het ziekenhuis een hele week aan een stuk geweend. Dag en nacht. Ze wilde niet meer leven. Ik heb me toen ontzettend kwaad gemaakt. Daar kwam het acteur-zijn mij goed van pas, want ik meende het niet echt. Ik heb haar erop gewezen dat het niet alleen háár proces was, maar dat wij ook nog iets te zeggen hadden en niet graag zonder haar achterbleven. Van de ene dag op de andere was de depressie voorbij. Nu heeft ze het blijkbaar aanvaard, maar ze heeft vierentwintig uur op vierentwintig hulp nodig.

"Mijn vader vond het belangrijk dat we de geschiedenis kenden, kranten en tijdschriften lazen. De radio stond thuis twee meter hoog op een hangske en tijdens de nieuwsuitzendingen moest iedereen stil zijn. De wereldkaart werd omhooggehangen en we moesten goed weten wat waar lag. Mijn vader volgde de politiek van zeer nabij. Hij stopte mij boeken toe. Lenin, de islam. Door verhuizingen staan ze nu ergens in dozen. Je pakt die nooit meer uit, tot op een zekere dag, waarschijnlijk. Mij interesseerden die onderwerpen op dat moment geen fluit, maar je draagt er toch iets van mee.

"Voor alles wat school betrof, was hij vrij streng. Hij droeg ook zijn verleden mee. Mijn vader is geboren in 1905, had twee wereldoorlogen meegemaakt en was van het principe dat je vooruit moet in het leven. Je mocht geen tijd verliezen met onnozelheden zoals in een orkest spelen, wat ik toen deed.

"Hij was zeer rechtvaardig en gul in de brede betekenis van het woord. Ik heb een paar serieuze pandoeringen gehad, maar die had ik verdiend. Ik kan net als hij ook behoorlijk uit mijn krammen schieten, maar dat is dan een ontlading, nooit haatdragend. Vergevingsgezind was hij ook. Het viel me op hoe vader, die in de weerstand had gezeten, toch de correctheid bewonderde waarmee het leger van de Duitse bezetter met de bevolking omging. Dat stond soms in schril contrast met dat van de geallieerden. Bij velen uit zijn generatie bestond daarover toch letterlijk een zwart-witbeeld.

"Met zijn dood was hij in het reine. Als schoenmaker had hij gewerkt voor de openbare onderstand, waar ook een rusthuis was. Daar heeft hij veel mensen zien komen en gaan, de aftakeling meegemaakt, maar hij kon er de humor van inzien. Dat valt me ook op in het rust- en verzorgingstehuis van mijn moeder. Er is veel miserie maar er wordt ook veel gelachen. Het is een vreemde wereld. En het is prachtig om te zien wat het verzorgend personeel, ondanks het lage loon, uit vrije wil nog toevoegt aan de job. Zij zijn de helden van vandaag, niet de vedetten van radio of televisie."

"Mensen vermaken, laten delen in mijn verwondering, dat was mijn droom toen ik in het midden van de jaren zestig naar Studio Herman Teirlinck ging. Ik kwam uit het traditionele eenrichtingsonderwijs en de Studio was een bad van zaligheid. Onconventioneel. Spelenderwijs werd je wijzer en ik wenste dat die tijd eeuwig zou blijven duren.

"Eerst had ik een kot in Antwerpen, maar ik kreeg daar geen sleutel van en de eigenaar was doof. Hij had een lamp laten installeren in plaats van een bel, maar als ik 's nachts thuiskwam en hij sliep, zag hij die natuurlijk niet. Toen deelde ik een kot met iemand anders. Drie weken later stond de schimmel op de soep en de afwas huizenhoog. Dus ben ik opnieuw beginnen pendelen tussen Leuven en Antwerpen en als het te laat werd, bleef ik samen met Jan Decleir slapen bij Bert André op de sofa. De nacht voordien hadden we dan aan de toog van de 'Duifkes' of 'bij Henri' het theater verbeterd, maar 's ochtends werden Jan en ik wakker met het opgewekte gefluit van Bert die eitjes stond te bakken en als een kloek over ons waakte.

"Tussen ons tweede en derde jaar beslisten Jan Decleir en ik om onze legerdienst te doen, zodat we na het afstuderen meteen naar het theater konden. Soldaat zijn heb ik maar één maand meegemaakt, tijdens mijn opleiding in Turnhout. Door de modder kruipen, een zeer ongelukkige tijd. Het waren militairen die nog in Korea gezeten hadden. De tegenstander was een 'dikke vette Rus', het rode gevaar. Ze vertelden hoe je de vijand moest 'killen': bajonet erin steken, naar boven trekken, met de knie tussen de benen stampen en dan de kolf op het gezicht. 'Als hij daarna nog bougeert, ga dan maar lopen.' Zo was dat. Je wordt wat wereldvreemd, een stamnummer, maar je schikt je daarin. Je leert snel dat je het best de bevelen opvolgt zonder nadenken. Dat is zo slecht nog niet. Iemand moet de beslissingen nemen als je met vier bent. Er is zoveel weggevallen: religie, door de televisie ook het gemeenschapsleven, het leger, de jeugdbewegingen. Iedereen moddert maar wat aan en niemand leert je nog hoe je een situatie snel moet beoordelen. Ik heb nooit graag in het leger gediend, maar achteraf heb ik toch beseft dat het een van de pijlers is waar sommige mensen nood aan hebben. Na die maand opleiding ben ik gemuteerd naar Brussel, naar de BRT, waar ik samen met Jan Van Rompaey en Jef Koeck met het soldatenhalfuurtje ben begonnen. Dat was een gedroomde tijd.

"Terug op de Studio pikte ik na mijn legerdienst weer in bij de studenten uit een lager jaar. Het klikte meteen. We waren één grote familie, we wilden zelfs niet uit elkaar gaan. Met zijn allen, zeven jonge gasten en meisjes, zijn we naar Dries Wieme gestapt, die toen in de Beursschouwburg in Brussel zat, en we zegden: 'Hier zijn we. We willen alles doen: programma's verkopen, spelen, het doek opentrekken, lichten hangen, decors versjouwen, reisvoorstellingen geven. Doe wat met ons.' Dat feest is niet doorgegaan, we moesten uit elkaar. Jan Decleir mocht in de KNS Coreolanus spelen en viel met zijn gat in de boter. Ik dacht: ik speel nog wel theater af en toe, maar de trein in de media ging voor mij aan het rollen en rijdt nog altijd.

"Iedere generatie wil het theater veranderen, gelukkig maar. In de jaren zestig was het zeer statisch en werd er zeer mooi gesproken. De oudere acteurs waren crooners, wij wilden rock-'n-roll. Ook bij de radio. Als je een behoorlijk nachtleven had, fan was van de Stones, Presley en The Beatles en de BRT-radio opzette, dan hoorde je de stilte van groeiend gras. Voor jonge mensen was er niets, terwijl intussen de piratenschepen Radio Luxemburg en Radio Caroline opgestart waren, die een Angelsaksische sound lieten horen met veel drive en beat. Dat wilden we bij de radio ook. Na Kronkelgroeven en Opera en Belcanto van Etienne Vanneste kwamen wij. Het programma heette Radiomatinee - die naam hadden we niet zelf gekozen! Iedere zaterdag was dat drie uur lang een schok van muzikaal geweld. Van hogerhand werd het zonder boe of bah afgeschaft. De laatste plaat die we draaiden, was van Boudewijn de Groot: 'De streep is getrokken, de vloek is gelegd', en daarna het langgerekte laatste akkoord van Sergeant Pepper's. Postzakken vol brieven hebben we gekregen tegen de afschaffing ervan.

"In 1967 kreeg ik op een donderdag de vraag om de zondag erna voor televisie het programma Binnen en Buiten te presenteren, drie uur live. Dat was leuk. Jef Cassiers was de regisseur, en die was zeer professioneel met zijn vak bezig. Het klikte meteen tussen ons en ik heb enorm veel van hem geleerd. Er gebeurde iets vreemds. Voor de dames werd ik de gedroomde schoonzoon, maar intussen werkte ik ook nog als dj voor de jongeren, ik 'bespeelde' dus een breed publiek. Tijdens Humo's Pop Poll werd ik voor het eerst met mijn populariteit geconfronteerd: ik stond vóór paus Johannes XXIII en Eddy Merckx. Ik dacht: wat gebeurt hier? De prijsuitreiking was in Londerzeel, in een sporthal vol krijsende jonge mensen. Ik kreeg mijn trofee en plots hingen jonge meiden om mijn hals en werd ik gekust en over mijn haar gestreeld en stond ik handtekeningen op buiken te zetten. Later zat ik in mijn wagen met barstende hoofdpijn, ik voelde me ziek. Het was een heel vreemde ervaring, onecht, als een koortsdroom. Ik heb die populariteit nooit opgezocht, kreeg veeleer een tegengestelde reactie: ik bouwde een muur om me heen, zonderde me af, vond het ontzettend belangrijk wat anderen van me dachten. Dat is compleet naast de kwestie, maar ik heb er jaren over gedaan om dat te beseffen.

"Door omstandigheden - want er werd bij de BRT in ik weet niet welk beleidscentrum bepaald met wie je moest samenwerken - was ik met Guido De Praetere aan het werk gegaan. Dat ging goed. Ik kon mijn lichte talkshows doen: Mike en Mike aan zee. Ik heb veel kansen gekregen, kon meegroeien met mijn leeftijd en met wat er op televisiegebied gebeurde: van pop- over spelprogramma's, shows, talkshows. Ik was als freelancer een bevoorrecht iemand. Maar vaak strandde de samenwerking op beslissingen over de programmering of de gemotiveerdheid van technici. Er liepen toen ook coproducties met Nederland. Het Vlaamse aandeel was alternerend met een Nederlander, om de veertien dagen een regisseur aanleveren en voor de rest was het Berend Boudewijn, om een kat een kat te noemen, die presenteerde en daar prijzen voor vroeg waar wij op jaarbasis van konden dromen. Dan zeg je toch: hier is iets scheef aan het lopen.

"Plots besloot de politiek dat het monopolie van de BRT doorbroken moest worden. Guido was met een aantal mensen bezig geweest met de vraag: hoe moet het medialandschap er dan gaan uitzien? Ik zat niet in die comités, daar heb ik me niet mee gemoeid, maar ik had Spel zonder Grenzen gepresenteerd en samen met Guido, die de producer was, overal in Europa veel over televisie gepraat. Ik heb uren samen gezeten met hem. Hoeveel beter wij het zouden doen en hoe erg het was dat dit of dat niet kon.

"Ik had achttien jaar voor Radio Luxemburg bij RTL gewerkt. De moedermaatschappij is CLT, ik kende die jongens wel. Vlaanderen was een blinde vlek die hen interesseerde. In Nederland hebben ze het met RTL 4 en 5 ook in handen genomen. Gaat men dan in Luxemburg of Parijs of Hilversum over Vlaamse televisie beslissen, dachten wij? Hebben wij dan geen mensen? Kan dat hier niet? Neen, zei men, dat kan niet. Maar ik zag bij de BRT toch, naast al de anderen, ook gemotiveerde mensen zitten die vooruit wilden en overuren klopten omdat ze een goed product wilden maken. We kunnen Nederland bezetten met onze acteurs, wij zijn het land van Jacques Brel, tapijtwevers, Vlaamse schilders, kathedraalbouwers, wat moet ik nog opnoemen? Waarom zouden we dan een elektronisch prulletje, zijnde televisie, niet kunnen maken? Als dan de kans voorbijkomt om met een nieuwe televisiezender te beginnen, zeg je: nu moeten wij het maar doen.

"Het was waanzin hoor, er waren geen studio's, geen productiehuizen, niets. Ik was gisteren voor het eerst in zeven jaar bij Guido thuis - we zijn goede vrienden maar we lopen elkaars deur niet plat - en hij had daar nog een foto hangen uit de eerste dagen van VTM. In een lokaal, ergens bij Het Laatste Nieuws, tussen kartonnen dozen, met een bakelieten telefoon waar je via de centrale aan een communicatie geraakte. Dat was het, een onnozel kantoortje en een wit blad papier. Zeggen: binnen negen maanden moeten we een station hebben. Geen dertien afleveringen, maar dag in dag uit, acht uur per dag televisie maken.

"Het is een vieze uitdrukking, maar het was geloven in het eigen kunnen. Als je met de wagen voor de eerste keer naar Oostende moet en bedenkt hoe anderen zich in het verkeer gedragen, nog even langs Gasthuisberg loopt om te zien wat er na een ongeval van overblijft, dan vertrek je nooit. Je moet er de positieve dingen uit halen, en gemotiveerde mensen, dat is van het prachtigste dat je kunt meemaken.

"De eerste maanden van VTM tot en met de opstart waren de leukste. Het kasteel, vergaderen, pinten pakken, hoewel het nu afgeschilderd wordt alsof wij de hele dag brasten en feestten. Er is ook hard gewerkt, maar daarna moet je ontladen. Dat is goed voor de relaties tussen de mensen. Het was een kliek, een familie, vrienden. Het overtuigen van mensen was het moeilijkste. En achteraf, toen ik afhaakte, moesten zij achterblijven. Ik, die hen gemotiveerd had om samen met mij te proberen een droom te realiseren, zei plots: het hoeft niet meer voor mij. Dat hebben ze moeilijk verwerkt, maar zo is het leven."

Ik vraag waarom hij het zover heeft laten komen.

"VTM was wat mensen op het scherm zagen en voelden: de gedrevenheid van een ploeg. Aan de andere kant is er het even noodzakelijke maar onzichtbare management. Het is een publiek geheim dat dat in die eerste dagen krantenuitgevers waren, elkaars natuurlijke concurrenten, ieder met zijn eigen financiële problemen. Zij gingen rond de tafel zitten en maakten een beetje tegen hun zin VTM om een stuk van het reclamegeld te recupereren dat ze door de komst van commerciële televisie in hun medium zouden verliezen. 'If you can't beat them, join them', dachten ze en ze wisten dat ze het geld helemaal kwijt waren als Luxemburg of Hilversum het voor het zeggen kreeg. Dus iedereen zat daar met het petje op van zijn eigen bedrijf: 'Hoe gaan we, als er al winst zal zijn, de opbrengsten verdelen om onze bedrijven te redden?', vroegen ze. Dat is een heel normale vraag, maar daar kwam VTM zelf niet erg mee vooruit.

"Daartussen zit een belangrijke schakel: de directeur-generaal. Hij voert uit wat de raad van bestuur beslist, maar aan de andere kant is hij de afgevaardigde van het personeel. Guido en ik hadden met producers het beleid doorgepraat en beslissingen genomen over programma's waar de directeur-generaal ook achter stond. Tijdens vergaderingen veroorzaakten die tegenstrijdige belangen spanningen. De aandeelhouders konden heel moeilijk begrijpen hoe televisie werkt. Dat het zoveel duurder is dan de schrijvende pers. Maandelijkse kijkcijfers vermenigvuldigden ze met twaalf. Als ze naar beneden gingen, riepen ze: jongens, op welke catastrofe stevenen we hier af? Als ze stegen: wat gaan we met dat geld doen? Dat laatste was vaker het geval en dus heeft een aantal aandeelhouders afgehaakt en de winst opgenomen om daarmee hun bedrijf weer op de sporen te krijgen. Althans, dat hoop ik toch. Het was heel moeilijk om hen langetermijnprojecten uit te leggen als programma's van Bart Peeters of Marcel Vanthilt, Clive James-documentaires en zelfs BBC-komedies. Ze begrepen niet dat je een tuin moet creëren om ideeën te laten groeien. Zij onderzochten met een loep elk hoekje van de tuin om te zien of het al dan niet winstgevend was en stootten die programma's af. Zo moet je mensen na de 'vervaldatum' weggooien en krijg je niet genoeg ruimte om hen op te vangen, terwijl je er niet moet zijn als ze in de prijzen vallen, maar als het niet goed met hen gaat. Een schouder bieden om op uit te huilen.

"Werkgelegenheid, om maar iets te noemen, is toch ook een bekommernis, maar die maatschappelijke functie van een massamedium wordt smalend bekeken. Als je toneelscholen, conservatoria, film- en televisieopleidingen in stand wil houden, moet je er ook voor zorgen dat je die mensen aan werk kunt helpen als ze afstuderen. Dat werkt in een staatsbestel, maar in de privé zeggen ze: dat is een taak voor de politiek. Vooral niet meedenken, winsten incasseren en verantwoordelijkheden afschuiven.

"Wij zijn niet gevallen over Ons Geluk of de Bart Peeters Show. Vier jaar geleden werd ons op de knieën gevraagd om verder te doen. Dit is wat er gebeurd is. De directeur-generaal die achter ons stond, was gevraagd om ontslag te nemen, en de volgende ochtend kwam de voorzitter van de raad van bestuur rond de grote tafel zitten en stelde een nieuwe directeur-generaal voor die van op een andere planeet leek te komen. Voor ons was dat een motie van wantrouwen. Daarna was het allemaal een kwestie van uren. Eerst de verslagenheid, dan toch praten met de nieuwe - misschien waren we over hem eenzijdig verkeerd ingelicht. Maar na tien minuten onderhoud wisten Guido en ik het wel. Dat zijn de legendarische momenten waarop je jezelf afvraagt waar je in godsnaam mee bezig bent. Ik durf het gerust te zeggen: het is de enige keer dat ik bij VTM tranen heb gelaten. Ik wist, als we hier de deur uit komen, staat er tweehonderd man personeel naar ons te kijken met maar één vraag in de ogen: en, hoe is het nu? Wij kunnen niet vertellen wat we hier net hebben gehoord, maar de verantwoordelijkheid ervoor dragen konden we ook niet. Dus namen we ontslag.

"Eén vingerknip was genoeg geweest om het bedrijf stil te leggen. Maar daar heb ik de moed en de durf niet voor gehad en ik geloof ook niet dat dat de goede oplossing was. Wij leverden ons persoonlijke gevecht.

Mijn job kwijt zijn was niet zo erg. Ik ben mijn hele leven freelancer geweest, ik heb altijd zelf beslist om met mijn programma's op te houden, met morgen heb ik leren omgaan. Maar het deed pijn, natuurlijk. Guido en ik hadden zoveel jaar voordien voor een wit blad papier gezeten en aan elkaar gevraagd: 'Hoe begin je aan een televisiestation?' Voor ons hadden mensen hun jobs laten staan. Hun vrouwen kwamen soms mee onderhandelen om te kijken in wat voor een avontuur hun man zich stortte met twee puberkinderen in huis. Dat vond ik allemaal prachtig, maar dan voel je je wel heel klein. Zo is VTM gegroeid, soms vechtend tegen de eigen achterban, de BRT, de intellectuele opinie, en zo ontstaat de sympathieke rol van de underdog. Je maakt moeilijke momenten mee, krijgt veel menselijke warmte en af en toe geraakten we wat bedwelmd door het succes. Je doet een actie en één op de twee wagens in Vlaanderen rijdt met die vreselijke VTM-sticker rond. Dat was hetzelfde gevoel als bij de krijsende tieners in Londerzeel, daar kun je niet lichtzinnig mee omgaan. Maar die grote emotionele band is moeilijk door te knippen. Men vergeet zo vaak dat de waarde van een bedrijf de optelsom is van het talent dat er zit en niet van de financiers die langskomen. Daar heb ik altijd voor gevochten. Neen, ik heb de strijd niet verloren, VTM staat er nog altijd, en nadat er andere aandeelhouders zijn gekomen is de situatie weer verbeterd. Het zal nooit meer zijn zoals vroeger, maar het leven eindigt niet aan de Medialaan."

'Heb je nooit het gevoel gehad dat je door je harde werk ook veel miste?', vraag ik. Hij lacht.

"Ik heb spelenderwijs gefladderd. Ik heb geen kinderen en mijn vrouw staat in het onderwijs, dus ik kon het me permitteren om te freelancen. Mijn baan is geworden wat ik altijd graag heb willen doen en ze was zeer leerrijk. Ik kon met iedereen meepraten en -denken. Is dat werken? Ik hoef niet eens in de file te staan. Met het geld dat ik heb verdiend, heb ik onafhankelijkheid verworven. Ik kan neen zeggen, en dat is belangrijk in het leven.

"Mijn vrouw en ik hebben wel wat stormen doorstaan, maar ze is mijn grote liefde." Hij zegt het zonder aarzelen. "Ik ken haar van sinds ik zeventien ben, zij was vijftien. Zij heeft zich altijd op de achtergrond gehouden, was onafhankelijk van mij met haar dingen bezig, ze moest niet wachten op wat vader afgeeft thuis. Je denkt er niet meer over na, ze is een stuk ik. We denken uit één hoofd en ervaren met één hart. De natuur regelt dat mooi, twee mensen die samenkomen.

"Over kinderen is tussen ons nooit echt gepraat, het is zo geëvolueerd. Toen we twintig waren, was het nog te vroeg om er te hebben. Toen kwam de oorlog in Vietnam en vonden we het toch geen wereld om een kind op te zetten. Daarna was het plots te laat. Ik heb er geen spijt van, we hebben andere dingen in de plaats gekregen.

"Vreemd is dat ik meer middelen heb dan vroeger maar minder nodig heb. Ik ben met eenvoudiger dingen tevreden. En televisie: it's only television. Mensen kijken ervan op als ik dat zeg, maar ik meen het. Laat ons maar eens meer bezig zijn met wat we voor elkaar betekenen in plaats van zo druk te doen.

"Ik wil oud worden, op voorwaarde dat de verwondering in mijn leven niet weggaat. De dag waarop ik mij niet meer kan verwonderen, en dus ergeren en koesteren, aaien, strelen, is het leven niet meer waard geleefd te worden. Mijn vader is negentig geworden, waarvan de laatste vijf jaar niet leuk waren. Ik heb er dus nog vijfendertig te gaan. Maar het einde blijft hier toch slecht geregeld. Ik hoop nog altijd op een zekering die springt, liefst zo laat mogelijk, zodat ik gespaard blijf van het wegglijden. Hoewel dat ook iets sereens heeft. Maar wat gaat er in dat hoofd nog om? Ik vraag het me dikwijls af, als ik de oude mensen in het tehuis zie raaskallen. Ik ben er ook nog altijd niet uit of ik voor of na mijn vrouw wil sterven. De pijn die je, waarschijnlijk toch, veroorzaakt door te sterven. Wil ik het haar laten ondergaan of wil ik het zelf verwerken? Mijn vrouw wil graag samen met mij doodgaan."

Zoals Elsschot en Fine, zeg ik.

"Ja, ze was naar hem gaan kijken en stierf een dag later. Ze zijn samen begraven. Zij in een kist, hij in een doosje. Is dat toeval of chagrin d'amour? Het zou mooi zijn, maar of iedereen dat kan wensen?"

Mike Verdrengh speelt Boorman, een van de twee hoofdrollen in Lijmen / Het been, de nieuwe film van Robbe De Hert naar het werk van Willem Elsschot.

Vanaf deze week in de bioscopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden