Vrijdag 03/12/2021

Gelijke kansen voor de ziel van het kind

Een dag na de plechtige openingszitting van de rondetafelconferentie organiseren vandaag zowel SP.A, CD&V als de prille vrijers VLD en NCD elk hun studiedag over onderwijs, vanuit het niets plots met stip een hot politiek thema. In de aanloop probeerden de partijen al driftig hun accenten naar voren te schuiven: meer pluralisme en democratisering van het vrij onderwijs, wilde Karel De Gucht. Een achterhaald debat, vond Patrick Janssens, die prompt een idee voor meer gelijke kansen bovenhaalde. Wat hebben we de afgelopen weken nu geleerd, vraagt Yves Desmet zich af.

Yves Desmet

Tekening Jan Vanriet

Karel De Gucht heeft even geaarzeld voor hij VLD-voorzitter werd. Een verdienstelijke dossiervreter was hij al zeker, maar zou hij wel stand kunnen houden tussen het duo Verhofstadt-Dewael, dat de liberale partij en de mediatieke aandacht daarvoor zo totaal monopoliseerde? Maar ambitie is meestal groter dan twijfel, en dus stortte hij zich in het avontuur. Het viel nog mee ook, want inmiddels is de man van Berlare uitgegroeid tot de meest prominent aanwezige van de Vlaamse partijvoorzitters. Hij heeft daar zelfs een theorie over. Volgens De Gucht is de beste politieke slogan aller tijden van Louis Tobback: er gaat niets boven de kracht van het gezond verstand. De liberale voorman maakt, samen met nog wat andere politicologen, de terechte analyse dat de oude ideologische breuklijnen en zuilen aan het vervagen zijn. De Vlaming weigert zich nog langer van de wieg tot het graf te laten begeleiden door een zuil, laat staan dat hij klakkeloos alle dogma's en het daaraan verbonden fanatieke geloof in het eigen gelijk zou aanvaarden. De nieuwe Vlaming is pragmatisch, respecteert verschillen, en beoordeelt individuele dossiers op hun eigen merites. Waardoor, zo meent De Gucht, je in Vlaanderen eigenlijk over elk politiek thema een consensus moet kunnen bereiken die 60 tot 70 procent van de Vlamingen bevalt, omdat het een redelijke vertaling van dat gezond verstand zou zijn. Die overtuiging werd nog sterker bij het dossier van de zonevreemde woningen. Mensen die te goeder trouw, en voorzien van alle mogelijke vergunningen, een optrekje hadden neergezet in een gebied dat door een latere beslissing tot niet-woonzone werd verklaard, kun je daarvoor niet bestraffen. Zoiets druist in tegen het primaire rechtvaardigheidsgevoel van de bouwgrage Belg, en de politicus die dat aanklaagt, haalt het. De Gucht had gelijk: zijn betoog sneed als een mes door de boter van de politieke weerstand heen.

Voor het onderwijsdebat gold, dacht hij, net dezelfde redenering. De Gucht stelt vast dat in een samenleving waar slechts 15 procent van de bevolking nog praktiserend katholiek is, 85 procent van het onderwijs georganiseerd wordt door katholieke instellingen. Die sociologische kloof moet wel zorgen voor wrevel, was de redenering: bij die mensen die door de dominantie van het katholieke net hun vrijheid van schoolkeuze in het gedrang zien komen, maar veel meer nog bij de niet-katholieken die hun kinderen wel naar katholieke scholen sturen, maar van wie je kunt vermoeden dat ze met tegenzin hun kroost laten opvoeden in een geloof dat niet het hunne is. De liberale voorzitter wist ook dat de Vlaming niet houdt van centralistisch opgelegde dwangmaatregelen: het pluralisme per decreet opleggen zou niet erg sympathiek overkomen, en bovendien is het politiek strategisch een slechte kaart: voor je het weet zit je, voor de zoveelste keer in de Belgische geschiedenis, nog eens met een oorlogje over de ziel van het kind opgescheept.

Nee, het gezond verstand schreef een andere strategie voor. Aangezien de leerlingenbevolking en het leerkrachtenbestand, ook in katholieke scholen, in meerderheid nu al niet-katholiek is, zou je het katholieke karakter van een school kunnen vervangen door een meer pluralistische instelling, eenvoudigweg door de schoolbesturen een weerspiegeling te laten zijn van de werkelijke populatie van een school. Laat de schoolbesturen verkiezen door ouders en leerkrachten, en het katholieke karakter van de instelling zal vanzelf, en uit een eigen interne dynamiek, verdwijnen. Karel leunde achterover en zag dat het goed was: een logische oplossing van het gezond verstand, die probleemloos door een brede consensus gedragen zou worden en net als bij de zonevreemde woningen twijfelde hij geen moment dat ook dit erin zou gaan als zoete koek.

Groot was dan ook zijn verbijstering toen bleek dat hij, zelfs binnen zijn eigen partij, nauwelijks op enig enthousiasme kon rekenen voor deze denkpiste. Dat de 'tsjeven' tegen de inperking van hun macht zouden zijn, had hij natuurlijk verwacht, dat de 'sossen' hem dit niet zouden gunnen en het debat probeerden te verengen tot een discussie over al dan niet zedenleer in de katholieke school, al evenzeer, maar waar bleef zijn meerderheid, zijn 60 tot 70 procent van de publieke opinie die deze weg van het pure gezonde en pragmatische verstand zou volgen? In geen velden of wegen waren ze te bekennen. Karel begrijpt het niet: hij had gehoopt de voorman van een brede consensus over de onderwijstoekomst te worden, en blijkt nu roepende in een woestijn. Vooral dat verklaart waarom hij, de vleesgeworden ratio, over dit thema de laatste tijd voor zijn doen bijzonder emotioneel kan worden.

Nochtans is de verklaring niet zo moeilijk. De Guchts basisveronderstelling klopt namelijk niet. De ontzuilde en ontkerkelijkte Vlaming ervaart immers geen wrevel wanneer zijn kinderen worden opgevoed in de katholieke leer. Het kan die ontzuilde Vlaming gewoonweg niet bijzonder veel schelen. Levensbeschouwing mag dan een belangrijk item zijn voor de vrijmetselaar De Gucht, en voor alle anderen die levensbeschouwelijk ingesteld zijn, maar zij vormen een absolute minderheid in Vlaanderen. Voor de modale ontzuilde Vlaming is het niet meer dan een reliek uit dat verzuilde verleden, dat hij achter zich gelaten heeft. Een niet eens onterechte redenering: want alle ontzuilde en niet langer katholieke ouders hebben in meerderheid hun schooltijd ook doorgebracht in katholieke scholen, zonder daarom ooit tot het geloof toegetreden te zijn, tenzij om misschien wat rituelen voor de grote rites de passage over te houden: de doop, de communie, het huwelijk en de begrafenis. Als hun schooltijd hen niet tot het katholicisme heeft bekeerd, als, breed maatschappelijk gezien, ook de dominantie van het katholieke net de steeds voortschrijdende ontkerkelijking niet heeft kunnen tegenhouden, dan is het gevaar dat hun kinderen plots een roeping zouden krijgen, al helemaal onbestaand. Kortom, waar heeft die De Gucht het eigenlijk over?

Vijftien procent praktiserende katholieken, 85 procent van de onderwijsbevolking voor het katholieke net. De 70 procent van Karel De Gucht is er dus wel, alleen ervaren ze dat katholieke karakter niet als een probleem, ze vinden het gewoon irrelevant. En dat heeft dan weer alles te maken met wat de werkelijke redenen voor de schoolkeuze van de Vlaming zijn. Het is bijzonder verbazend dat De Gucht die niet ziet, want als de Vlaming in één maatschappelijke beslissing puur volgens liberale criteria denkt, is het net in de schoolkeuze voor zijn kinderen. Voor de Vlaming is de school een van, zoniet hét belangrijkste instrument dat mee zal bepalen waar hun kinderen in de pikorde van de sociale stratificatie zullen eindigen. Oneindig veel belangrijker dan levensbeschouwing, is de ambitie van de Vlaming om zijn kinderen hoger op de sociale ladder te krijgen dan zichzelf. De uitkeringstrekkers willen dat hun kinderen aan een job geraken, de arbeider wil dat zijn kind bediende wordt, de bediende wil dat zijn kind een universitair diploma haalt, de universitairen hopen dat hun kinderen de absolute topberoepen zullen uitoefenen. En als je in één generatie direct twee of drie stappen kunt maken, des te beter. Voor een overgrote meerderheid van de Vlamingen is dat het enige principe dat hun schoolkeuze bepaalt. Dat principe verklaart waarom technisch en beroepsonderwijs, overigens geheel onterecht, een geringere maatschappelijke waardering genieten dan het ASO, waar vele ouders hun kinderen, vaak tegen hun vaardigheden en mogelijkheden in, mordicus verder in willen laten studeren. Met de beste bedoelingen, ongetwijfeld, "omdat onze kleine het later beter zou hebben dan wijzelf".

Onderwijs als instrument voor intergenerationele sociale promotie verklaart meteen ook het succes van het katholieke net. Ook al zullen zelfs de topverantwoordelijken van de Guimardstraat ruiterlijk toegeven dat er in alle netten scholen van alle mogelijke kwaliteiten zitten, in de publieke perceptie heeft het katholieke een kwaliteitsvoller imago. Dat heeft dan weer alles te maken met de selectiecriteria van dat net. Ze mogen roepen wat ze willen, en zeker, er zijn ook uitzonderingen, maar de vaststelling blijft dat een meerderheid van katholieke instellingen een ontmoedigingsbeleid voert ten opzichte van sociaal achtergestelde groepen, en dat ze daarom bijvoorbeeld zo schuifelen om de inschrijvingsplicht van Marleen Vanderpoorten onderuit te komen. Tegen hun christelijke en evangelische principes in, trachten zeker de katholieke elitescholen een populatie van sociaal hogere groepen binnen hun schoolmuren te krijgen. Niet eens racistisch, want de kinderen van de Turkse zakenman of de Marokkaanse dokter zijn er welkom, en een zwart pleegkindje geeft ook wel een leuke multiculturele toets aan de speelplaats, maar de kinderen van de OCMW-trekker, autochtoon of allochtoon, krijgen er te verstaan dat de schoolkosten wel bijzonder zwaar op het gezinsbudget zullen wegen en dat daarom andere scholen veel meer geschikt zijn. "Niet dat we uw kind niet willen, mevrouw, mijheer, maar misschien denkt u er beter nog eens over na." Heel veel van de retoriek over vrijheid van pedagogisch project heeft niets te maken met een levensbeschouwelijke opvatting, maar alles met de mogelijkheid dit soort van sociale selectie uit te voeren. De Vlaming vindt dat systeem uitstekend. Hij heeft er niets op tegen dat ieder kind volwaardig onderwijs en alle mogelijke kansen krijgt, maar voor zijn eigen kinderen wil hij het liefst een klas met elitekinderen, waarvan het al dan niet vermeende hoge klasniveau ervoor zal zorgen dat zijn kind het zal maken in het leven. En als dat een uurtje of twee godsdienst inhoudt, so what? Waar heeft die De Gucht het eigenlijk over?

Patrick Janssens heeft even geaarzeld voor hij SP-voorzitter werd. Een succesvol reclameman was hij al zeker, maar zou hij stand kunnen houden tussen het duo Stevaert-Vande Lanotte, dat de socialistische partij en de mediatieke aandacht daarvoor zo totaal monopoliseerde? Maar ambitie is meestal groter dan twijfel, en dus stortte hij zich in het avontuur. Met iets meer moeilijkheden dan zijn liberale collega. Janssens wordt in eigen partijkringen nog steeds een beetje als Fremdkörper beschouwd, een gevoel dat sinds bekend werd dat een van zijn kinderen in het katholieke net school loopt, nog versterkt is. Maar aangezien het juist zijn opdracht is het socialisme ook buiten het grote eigen gelijk van de Volkshuizen populair te maken, kan hij daar wel mee leven. Janssens probeert, geheel volgens de regels van de marketing, zijn merk, de SP.A, te identificeren met een unieke verkoopbelofte: de garantie op gelijke kansen voor iedereen. Naar het onderwijs vertaald leidde dat tot het voorstel om de subsidiëring van kinderen afhankelijk te maken van het studieniveau van hun ouders. Niet eens een slecht idee, maar meteen ook één dat de structurele zwakten van de hedendaagse sociaaldemocratie blootlegt. In de eerste plaats omdat het de SP nog maar eens identificeert met de zwaksten van de maatschappij. Op zich hoeft dat niet altijd slecht uit te pakken. De verkiezing van Frank Vandenbroucke, minister van de zieken en zwakken, door de veelal jonge en kerngezonde luisteraars van Studio Brussel, bewijst dat een boodschap van solidariteit ook bij diegenen die niet op die solidariteit een beroep moeten doen, nog altijd kan aanslaan. Maar een te grote identificatie met diegenen die de welvaartstrein misten, heeft de SP in het verleden van haar klassieke achterban van actieven vervreemd. Zij vonden hun voormalige partij te miserabilistisch, te zeer de partij van "de zieken, de zwakken en de misselijken", zoals Norbert De Batselier het ooit uitdrukte. Met zulke mensen wil je best wel solidair zijn, maar daarom hoef je je ermee nog niet te identificeren. Het is absoluut nog niet duidelijk of het onderwijsidee van Janssens door de publieke opinie als een 'solidair' dan wel als een 'miserabilistisch' idee gepercipieerd zal worden. Aangezien het belangrijkste criterium voor de schoolkeuze net de ambitie is om hogerop te komen, valt voor het laatste te vrezen. En ook in de politiek is perceptie vaak belangrijker dan inhoud. (Tussen haakjes, Janssens is leper dan hij zich voordoet: het praktische gevolg van zijn idee is ook een behoorlijke geldtransfer van het katholieke naar het gemeenschapsonderwijs, dat immers meer kansarme kinderen telt, ook al zal hij liever doodvallen dan dat toe te geven.)

Het idee toont echter ook aan hoezeer zelfs een meer moderne sociaal-democratie nog altijd last heeft met het concept individu. Want het klopt ongetwijfeld dat er een statistische correlatie is tussen opleidingsniveau van de ouders en de schoolprestaties van hun kinderen. Maar een statistische correlatie is niet hetzelfde als een wetmatigheid. Ikzelf zou dankzij Patrick Janssens een 1,8 kind geweest zijn, want mijn vader heeft lager onderwijs gedaan en mijn moeder lager middelbaar. Nochtans ben ik zonder extra begeleiding of middelen de universiteit door geraakt. Toegegeven, volgens de statistieken is dat atypisch, maar ik ben niet alleen. Net zomin als de kinderen van universitaire ouders die desondanks grote leermoeilijkheden hebben, totale uitzonderingen zijn. Die individuele afweging ontbreekt in het voorstel van Janssens totaal en tekent een socialistische mentaliteit die er maar niet in slaagt buiten sociale groepen te denken en ruimte te laten voor het individu. Nochtans zou je dat perfect kunnen combineren. Bijvoorbeeld door een school op basis van haar populatie een financiering toe te kennen met als criterium het opleidingsniveau van de ouders. Op dat ogenblik zit je statistisch waarschijnlijk grosso modo juist. Maar wat belet iemand dan de individuele leerlingen van die school te evalueren, om vervolgens je totaalpakket middelen volgens de individuele noden van elk kind te gaan gebruiken? Zo zou je een structureel gegeven kunnen verzoenen met de particuliere noden van het individu.

Daarnaast rijst de vraag of het opleidingsniveau van de ouders wel het enige criterium voor ongelijke startkansen is. Even valabele statistieken wijzen uit dat leerachterstand en zittenblijven fenomenen zijn die buitenproportioneel voorkomen in de grootsteden, en minder in de landelijke gebieden. Dat kan op zijn beurt misschien verband houden met het opleidingsniveau van stedelijke ouders, maar evenzeer is de mogelijke verklaring hier de structurele achterstand van de grootstad bij de bedeling van openbare middelen, die ook op tal van andere maatschappelijke domeinen speelt, en die op haar beurt de grootste oorzaak van verzuring en extreem-rechts in die grootsteden vormt. Moet in een gelijke-kansenredenering ook dat aspect niet mee ingecalculeerd worden?

De vraag is ook of Janssens' voorstel geen pervers zij-effect zou kunnen hebben. Puur economisch bekeken is een hedendaagse school een KMO die een dienstenpakket aanbiedt. Net zoals in de privé-sector, zal ook hier meer en meer de trend opduiken om aan niche-marketing te doen, en een aangepast pakket diensten aan te bieden aan een specifiek doelpubliek, een evolutie die nog versneld zou kunnen worden door een dergelijke financieringsmethode. Want in plaats van te proberen een sociaal en pedagogisch verantwoorde mix van allerlei bevolkingsgroepen samen te brengen, zal een schooldirectie sneller geneigd zijn zich te gaan specialiseren. Ofwel in de richting van een school die minder gesubsidieerd wordt, maar die haar 'universitaire' populatie als verkoopargument kan gebruiken om van de ouders hogere schoolgelden te vragen, ofwel naar een school met een zwaar gesubsidieerde leerlingenpopulatie, maar die in feite een gettoschool voor kansarmen wordt. Dreigt de strategie van Janssens in dat geval niet naar een verdere dualisering van het onderwijs te leiden? En zal dat dan bijdragen tot gelijkere kansen voor iedereen?

De rondetafelconferentie over het onderwijs zou daarom alleen al boeiend kunnen worden. Omdat ze niet alleen over onderwijs gaat, maar de partijen ook confronteert met een hedendaagse invulling en bevraging van hun eigen ideologie en denkbeelden. Of hoe denken over onderwijs op zich al een politiek-pedagogische oefening kan zijn.

heeft er niets op tegen dat ieder kind volwaardig onderwijs en alle mogelijke kansen krijgt, maar voor zijn eigen kinderen wil hij het liefst een klas met elitekinderen, waarvan het al dan niet vermeende hoge klasniveau ervoor zal zorgen dat zijn kind het zal maken in het leven'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234