Zondag 25/07/2021

FotoreportageIJslandvissers

Gegroefd door de woeste zee: de laatste IJslandvissers

IJslandvissers (v.l.n.r.) Freddy Derees, Henri Laplasse en Noël Coopman. Derees: ‘Sommige vissers raakten nooit van hun zeeziekte af. We spraken zelfs af wie waar zijn maag uitkotste: bakboord of stuurboord.’ Beeld Stephan Vanfleteren
IJslandvissers (v.l.n.r.) Freddy Derees, Henri Laplasse en Noël Coopman. Derees: ‘Sommige vissers raakten nooit van hun zeeziekte af. We spraken zelfs af wie waar zijn maag uitkotste: bakboord of stuurboord.’Beeld Stephan Vanfleteren

IJsland, daar kwam je niet. Te ruig op zee. Om de Belgen toch van vis te voorzien, ondernamen IJslandvaarders helse tochten. Stephan Vanfleteren sprak en fotografeerde de laatsten der IJslandvissers. ‘We droegen weken dezelfde onderbroek.’

De kust van IJsland was een eldorado voor de vissers. Nergens waren meer of grotere vissen te vinden, maar het had een prijs. De moedige mannen trotseerden huizenhoge golven, vochten kabeljauwoorlogen uit, waren eindeloos lang van huis, sliepen amper in hun kooi, werkten hard in gure omstandigheden en riskeerden hun leven om hun boterham en de verse vis op ons bord.

Eigenlijk zijn er al lang geen IJslandvaarders meer in leven. Wel nog IJslandvissers. Het verschil zit hem in het feit dat een IJslandvaarder op windkracht zeilde en een IJslandvisser met stoom- of motorkracht.

Adriaan Lauwers. Beeld Stephan Vanfleteren
Adriaan Lauwers.Beeld Stephan Vanfleteren

In 1614 werd er voor het eerst vanuit de haven van Duinkerke naar IJsland gevaren met ‘galetten’, een soort tweemaster. De vis werd niet met netten gevangen maar met een lijn, lokaas en lood. Iedere kabeljauw werd met de haak aan dek opgetrokken. Wanneer de kaak afscheurde en de gewonde vis aan het wateroppervlakte spartelde, werd een hond in zee gegooid en weer aan boord gehesen met de kabeljauw in zijn bek. De vis werd gegut, gespoeld, gepekeld en opgeborgen in houten tonnen in het ruim.

Henri Vos. Beeld Stephan Vanfleteren
Henri Vos.Beeld Stephan Vanfleteren

In de achttiende eeuw was de IJslandvaart voor velen de enige manier om de armoede te omzeilen. IJslandvaarders uit de Westhoek vertrokken in februari te voet naar Duinkerke voor een zeereis van ongeveer een half jaar. Na drie maanden vissen ging men een week aan wal in de baai van Faskrudsfjordur om drinkwater op te slaan, zich te wassen, uit te rusten en te verbroederen met de bemanning van andere schepen. Baaitijd heette dat zo mooi. Mangsje Bécuwe, een legendarische IJslandvaarder met vijftig reizen op zijn palmares, draaide dan zijn kleren binnenstebuiten voor de resterende drie maanden.

Albert ‘De Witten’ Deramout: ‘Voor de kust van IJsland kon het geweldig lelijk doen. Ik herinner me een tornado. Ons schip stond zo goed als verticaal in de golven. We dachten dat we eraan gingen.’ Beeld Stephan Vanfleteren
Albert ‘De Witten’ Deramout: ‘Voor de kust van IJsland kon het geweldig lelijk doen. Ik herinner me een tornado. Ons schip stond zo goed als verticaal in de golven. We dachten dat we eraan gingen.’Beeld Stephan Vanfleteren

De vrouwen met hun te grote kroost bleven achter in hun te kleine vissershuisjes in de duinen. Eind augustus begonnen de vissersvrouwen uit te kijken naar hun terugkomst. Wanneer ze eind september nog niet teruggekeerd waren, betekende dat meestal slecht nieuws.

De Saint-Jéhan was het laatste zeilschip dat in 1937 in de haven van Duinkerke met de wind naar IJsland voer. Het was het einde van een maritiem epos. Daarna namen de ‘steamers’ en nog later de dieselmotoren het voorgoed over, waardoor de reis flink ingekort werd. Ook de bewaarmethode van de vangst veranderde: het zout werd vervangen door ijs.

Lucien Vanneuville. Beeld Stephan Vanfleteren
Lucien Vanneuville.Beeld Stephan Vanfleteren

“In de Atlantische Oceaan en voor de kusten van IJsland kon het geweldig lelijk doen. Golven van meer dan 20 meter waren geen uitzondering.” Albert Deramout (‘De Witten’) herinnert zich een tornado ten westen van IJsland: “Ik was een achttienjarige matroos op het stoomschip O.294. Ons schip was wel 50 meter lang, maar in die golven zo hoog als appartementen stond het zo goed als verticaal om vervolgens weer in de volgende golf te stekken. We dachten dat we eraan gingen. Zolang het zwaar stormde, zeiden we niks tegen elkaar, we konden alleen maar afwachten in het ruim. Als we aan dek zouden komen, zouden we wegwaaien als een pluimpje. Onze achterste mast was afgebroken, de schouw en de verlichting waren weggeslagen door de golven. We gaven geen cent meer voor ons leven, want we konden niet meer navigeren. De redding kwam van een Engels schip, dat ons veilig binnenloodste tussen de rotsen in de haven van Isafjördur.”

Robert Coulier. Beeld Stephan Vanfleteren
Robert Coulier.Beeld Stephan Vanfleteren

Tijdens een zware storm kon je alleen maar rekenen op de kwaliteiten van de schipper en zijn bemanning, de stevigheid van het schip en je (bij)geloof.

‘Schele Vane’ (Yvan Defraeye) vertelt: “Niemand beseft hoe wij daar hebben afgezien. Je kan niet beschrijven hoe het daar was, het was een compleet andere wereld. Maar zelfs al vlogen we door de storm uit onze kooien, bang ben ik nooit geweest. Ik ben banger aan de kaai dan in open zee. Ik ben al een keer omvergereden door een auto en heb nog eens mijn been gebroken door met de bromfiets te vallen. Op zee is het veiliger dan op straat in Oostende.”

In tegenstelling tot wat men zou vermoeden kwamen de IJslandvissers amper aan wal in IJsland. Het land interesseerde hen niet, wel de wateren eromheen. Enkel bij technische problemen of bij een ongeval met een bemanningslid voer het Reykjavik of Keflavik binnen. Een telegram uit zee betekende altijd slecht nieuws, wist iedere echtgenote. In het beste geval was het om te melden dat men later thuis zou komen, in het slechtste geval dat een bemanningslid nooit meer terugkwam. Daartussen ligt een zee van drama’s van gebroken botten, afgerukte handen, sleutel­beenbreuken, gesprongen appendixen en met zeewater ondergelopen longen.

Rudy Labatte (‘Labatje’): ‘Ik belde naar mijn zus om te zeggen dat ons schip aan het zinken was. Weet je wat ze zei? ‘Ja, ja broere, drinkt er nog een.’’ Beeld Stephan Vanfleteren
Rudy Labatte (‘Labatje’): ‘Ik belde naar mijn zus om te zeggen dat ons schip aan het zinken was. Weet je wat ze zei? ‘Ja, ja broere, drinkt er nog een.’’Beeld Stephan Vanfleteren

Het ergste waren de vermisten. Mannen die verdwenen van boord en soms nooit meer teruggevonden werden. Een visser op de bodem van de zee kan niet rusten; de achtergebleven familie aan wal kent geen vrede. De zee is een groot zeemansgraf.

Voor de schipper was een bemanningslid verliezen het allerergste. Gerespecteerde schippers als ‘Plasje’ (Henri Laplasse) en ‘Gusten Puste’ (August Puystens) krimpen nog altijd ineen bij de gedachte aan het verlies van een bemanningslid.

Albert ‘De Witten’: “We waren een matroos kwijt op klaarlichte dag en bij rustig weer. We maakten meteen rechtsomkeer en hebben hem gevonden. Hij dreef nog boven en de meeuwen zaten al op het lichaam klaar om zijn ogen uit te pikken. Met ons reddingsbootje hebben we hem aan boord gehesen. De schipper wou niet geloven dat hij gestorven was. We legden hem op de eettafel en probeerden hem te reanimeren. Het had geen zin, maar ik moest nog drie uur lang olie op zijn ontblote borst wrijven, tot de rescue hem kwam ophalen. En nog kon de schipper het niet geloven dat zijn matroos dood was.”

Fernand Preem: ‘De dorpspastoor uit Zeebrugge deed ons iedere week een zak aardappelen cadeau en de kolenmarchand had zo met ons te doen dat hij in de winter een zak extra kolen gaf.’ Beeld Stephan Vanfleteren
Fernand Preem: ‘De dorpspastoor uit Zeebrugge deed ons iedere week een zak aardappelen cadeau en de kolenmarchand had zo met ons te doen dat hij in de winter een zak extra kolen gaf.’Beeld Stephan Vanfleteren

Veel vissers konden niet zwemmen. Men zei zelfs dat het beter was dat een visser niet kon zwemmen, want dan deed hij alles om niet van boord te vallen.

Het geluid van metaal en steen dat tegen elkaar schuurde bij een schipbreuk, wanneer het schip op rotsen voer, was volgens Rudy Labatte (‘Labatje’) onbeschrijfelijk. “Wij hadden op een dag een scheur van meters lang. Het schip was water aan het maken. De schipper had de verkeerde koers doorgegeven aan de matroos. Ik belde naar mijn zus om te zeggen dat ons schip aan het zinken was. Weet je wat ze zei? ‘Ja, ja broere, drinkt er nog een’.”

’t Gat, de smalle zeedoorgang tussen de Orkney-eilanden en de Shetlands, herbergt verraderlijke stromingen, draaikolken en rotsen. Iedere IJslandvaarder was bevreesd voor deze passage van de ‘traverse’ tijdens slecht weer.

André Vandewalle genoot van de vrijheid die je op zee voelt: ‘Ge ziet op joen eigen.’ Beeld Stephan Vanfleteren
André Vandewalle genoot van de vrijheid die je op zee voelt: ‘Ge ziet op joen eigen.’Beeld Stephan Vanfleteren

“Daar mag je echt niet stilvallen met de motor, anders zit je meteen op de kliffen”, weet Eddy Cattoor, de reder uit Zeebrugge die als jonge visser op IJsland voer. “Als je De Preekstoel zag, de rots die deze naam draagt vanwege zijn vorm, dan was je erdoor.”

‘Marre’ (Marius Dugardein), die als scheepsjongetje meevoer, vertelde me dat je met woelig weer wel drie uur nodig had om door ’t Gat te geraken en dat het maar 20 minuten duurde met stroom en wind in je gat.

Wat een rijbewijs of identiteitskaart is voor ons, is het monsterboekje of zeemansboekje voor een visser. Een klein boekje waar al je zeereizen in geregistreerd staan, met vooraan een pasfoto, een vingerafdruk en een persoonbeschrijving zoals lengte, kleur van ogen en haar. Bij Eddy Cattoor staat er bij huidskleur: ‘gezond’. ‘Wardje’ (Ward Deruddere): “Mijn monsterboekje, dat is mijn catechismus, mijn belangrijkste bezit.”

Gerard Degroote uit Heist heeft geen tattoos maar op zijn drieëntachtigste wel nog een oorbel in zijn oor - een oude zeemanstraditie. Beeld Stephan Vanfleteren
Gerard Degroote uit Heist heeft geen tattoos maar op zijn drieëntachtigste wel nog een oorbel in zijn oor - een oude zeemanstraditie.Beeld Stephan Vanfleteren

Visserstatoeages worden niet alleen uit esthetische overwegingen gezet. Wanneer een onherkenbaar lichaam na weken op zee ergens aanspoelt op een strand is dat soms de enige bevestiging van de identiteit van de vermiste zeeman. De ‘huidbeprikking’, zoals het zo mooi in hun monsterboekjes staat, vormt een deel van hun identificatie.

Gerard De Groote uit Heist heeft geen tattoos, maar wel nog een oorbel in zijn oor op zijn drieëntachtigste. Ook dat is een oude zeemanstraditie. Als je vroeger verdronk en men vond je lichaam op een of ander ver strand, dan diende je oorbel als betaling van je begrafenis.

In het vissersmilieu was er soms schrijnende armoede. Dikwijls waren het kroostrijke gezinnen waarvan de man op zee de enige kostwinner was en waar de vrouw thuis alles moest managen. Vroeger was het heel normaal dat de kinderen hetzelfde beroep uitoefenden als hun vader. Zo ontstonden echte vissersfamilies. Familienamen als Cattoors, Vlietinck of Meyers zijn namen die je nu nog tegenkomt in de gekrompen vissersvloot van ons land.

Raymond Van Besien. Beeld Stephan Vanfleteren
Raymond Van Besien.Beeld Stephan Vanfleteren

Sommige vissers, zoals De Grootes, Vanneuville en Pustjiens, konden zich opwerken van ‘cissen’ (scheepsjongetje) tot reder. Ook ‘Ferre’ (Fernand Preem) werd schipper: “Als jongetje stond ik op het schip de ramen van de stuurhut schoon te maken. Binnen zag ik de stuurman en schipper keuvelen met een koffie in hun hand. Toen besefte ik: ik sta aan de verkeerde kant van dit raam. Ik heb armoede gekend. Mijn moeder stak karton in onze schoenen om de gaten in onze zolen te stoppen. Koffie dronken we niet, wel goedkopere cichorei. De dorpspastoor uit Zeebrugge deed ons iedere week een zak aardappelen cadeau en de kolenmarchand had zo met ons te doen dat hij in de winter een zak extra kolen gaf. Als twaalfjarige jongen ging ik ’s nachts naar de kaai met mijn plastieken zakje om visjes van de grond te rapen in de vismijn. De vissers lieten uit medeleven soms vrijwillig iets vallen. Je moet je dat nu eens voorstellen hoe ik daar als klein manneke rondzwierf in het duister, op zoek naar wat eten om thuis af te geven.”

Aan boord was er geen luxe. Enkel de schipper en de machinist hadden een kleine kajuit. De rest sliep beneden samen in kooien. Er was niks, geen douche of wat dan ook.

‘Broere’ (Adriaan Laurens): “Ik waste me aan boord nooit. Bij een dubbele reis van drie weken wreef ik eens met een droge vod over mijn gezicht en dat was het dan.”

Eddy Cattoor: “We hielden drie weken dezelfde onderbroek aan en sliepen in de kooi op een halve matras. Vreemd genoeg sliep ik in volle zee goed in mijn kooi. Ik heb meer op zee geslapen dan in mijn eigen bed thuis.”

Eddy Cattoor. ‘We hielden drie weken lang dezelfde onderbroek aan.’ Beeld Stephan Vanfleteren
Eddy Cattoor. ‘We hielden drie weken lang dezelfde onderbroek aan.’Beeld Stephan Vanfleteren

‘Marre’ herinnert zich nog hoe hij ondanks de vermoeidheid toch niet goed kon slapen in zijn kooi beneden door brokken drijvend ijs die tegen de romp van het schip klotsten.

“In het noorden kon het zo koud zijn dat de netten bevroren, samen met de vis”, vertelt ‘Prut’ (Hubert Meyers). “Gooide je een emmer water tegen de kajuit, dan was dat meteen ijs. Een bemanningslid had zelfs eens zijn vinger afgesneden zonder dat hij het voelde. Pas toen hij beneden zijn handschoen uitdeed, zag hij dat er een vinger ontbrak. Zijn handen waren zo koud dat zelfs zijn bloed bevroor.”

Voor Albert ‘De Witten’ was black frost het ergste, mist die aan alles van het schip vroor.

“Met die black frost had je in een half uur tijd twee schepen in de plaats van één”, weet ‘Wardje’ te vertellen. “Er zat een zwarte glans op dat ijs, een soort lavastof van de IJslandse vulkanen.”

Yvan Defraeye, ‘Schele Vane’: Niemand beseft hoe wij daar hebben afgezien.’ Beeld Stephan Vanfleteren
Yvan Defraeye, ‘Schele Vane’: Niemand beseft hoe wij daar hebben afgezien.’Beeld Stephan Vanfleteren

‘Prut’: “Black frost was iets vreemds. De mist was niet wit zoals hier maar duister. Als de black frost opkwam, moest de deur open blijven, anders vroor ze toe en konden we niet meer aan dek om het ijs weg te kappen. Dan zouden we gewoon omslaan door het extra gewicht. Zo is er ooit een ‘visbak’ (groot visserschip) met 27 man gezonken. Enkel de ‘cissen’, het jongetje dat ijs zat te kappen in het ruim, raakte eruit en kon op een reddingssloep kruipen.”

In deze extreme koude moest er altijd wacht worden gehouden. In nog geen 20 minuten kon een ijzeren kabel veranderen in een buis van ijs zo groot als een riool.

‘Wardje’: “Je kon gewoon op het dek pissen, het vroor meteen aan.” Freddy: “Als de wind uit het zuidwesten kwam, viel het eigenlijk wel nog mee. Maar als de wind uit het noordoosten kwam, dan was het verdomme koud. Zelf had ik meer last van het gebrek aan licht. In de winter wist je niet of het middag of middernacht was, het was altijd donker en we waren volledig ontregeld. Maar ja, januari en februari waren nu eenmaal de beste maanden om kabeljauw te vangen.”

Hubert Meyers: ‘Het kon in het noorden extreem koud zijn. Een bemanningslid sneed zijn vinger af zonder dat hij het voelde. Pas toen hij beneden zijn handschoen uitdeed, zag hij dat er een vinger ontbrak. Zijn handen waren zo koud dat zelfs zijn bloed bevroor.’ Beeld Stephan Vanfleteren
Hubert Meyers: ‘Het kon in het noorden extreem koud zijn. Een bemanningslid sneed zijn vinger af zonder dat hij het voelde. Pas toen hij beneden zijn handschoen uitdeed, zag hij dat er een vinger ontbrak. Zijn handen waren zo koud dat zelfs zijn bloed bevroor.’Beeld Stephan Vanfleteren

Er waren vissers die nooit van hun zeeziekte af geraakten, van hun eerste tocht als ‘cissen’ tot hun laatste tocht als schipper. Vaak was het die eerste vier dagen ‘spetteren’ op weg naar de visgronden, waar ze de inhoud van hun maag overboord spuwden.

Freddy Derees: “We spraken zelfs af wie waar zijn maag uitkotste: bakboord of stuurboord.” ‘Plasje’: “Je moest blijven eten, anders spoog je je gal uit. Enkel veel water drinken en ook wijting eten, de ziekemansvis kon de ziekte wat milderen. Het verdween pas wanneer de netten werden binnengetrokken. Arbeid als medicijn.”

En gewerkt werd er. Het was vissen, de klok rond. Netten in zee gooien, ophalen, vis gutten (ingewanden van de vis uitsnijden om de vis niet te laten rotten), in het ruim steken, even slapen en weer de netten ophalen met de volgende vangst. Dat patroon herhaalde zich dagen, weken aan een stuk. Op zee was er geen prikklok. Het bioritme van vissers op rust is tot vandaag verstoord. Geen enkele visser slaapt de nacht door.

August Puystens. Beeld Stephan Vanfleteren
August Puystens.Beeld Stephan Vanfleteren

‘Schele Vane’, zeventien jaar IJslandvaart achter zijn kiezen, weet wat werken was. Zijn naam heeft hij te danken aan zijn blinde oog door een bierglas in zijn gezicht tijdens een cafégevecht met Engelsen in de Oostendse Langestraat. “We begonnen soms door te draaien van te lang te werken zonder slaap. Soms waren we nog aan het gutten wanneer de netten met de volgende vangst al aan boord werden gegooid.”

‘Broere’: “We hebben eens drie dagen de zon zien opkomen zonder dat we gingen slapen. Mijn schoonbroer was zo moe dat hij de gegutte vis weer aan de overkant in zee gooide. Je bent wakker maar je hart slaapt. Onze schipper sliep soms tien dagen niet. Hij was een keer zo uitgeput dat hij de koers noord, noordwest voer in plaats van zuid, zuidoost huiswaarts, waardoor hij met zijn schip O.390 los op de rotsen terechtkwam.”

Elke visser heeft het over de harde tijd als ‘cissen’ of ‘jongetje’, de laagste in rang op het schip. Na een paar reizen kon de scheepsjongen opklimmen tot lichtmatroos. Het jongetje was het manusje-van-alles. Netten repareren, alles klaarzetten, schoonmaken, meehelpen in het kombuis, maar het grootste werk was ijskappen in het ruim voor de opslag van de vis. ‘Marre’ herinnert het zich nog goed: “Beneden was het ijskoud, maar door dat kappen stond je al snel warm in het zweet.”

Ward Deruddere Beeld Stephan Vanfleteren
Ward DeruddereBeeld Stephan Vanfleteren

Rudy Labatte viste al als garnaalvisser maar wou toch ook eens weten wat het was om 2.000 kilometer verder op IJsland te vissen. “Man, ik heb afgezien als cissen. Altijd maar werken. Op een schip is er altijd iets te doen: ijs kappen, kuisen, gutten, netten repareren en koffie zetten. Je wilt niet weten hoeveel koffies ik heb gezet. ‘Cissen, koffie!’ En als ik niet rap genoeg was, patat tegen mijn oren. Ik heb daar niet veel geslapen. ’t Was geen leven op de John O.81. En crapuul dat daarop zat! Ze brachten sommigen met de combi naar de kaai en kwamen hen daar na de reis weer ophalen. Ik was onder de indruk van die gevangenen uit het cachot van Brugge. Ik heb veel geweend op die ene reis. Nadat ik aan wal was gekomen zei ik: dit nooit meer. Vissen heb ik nog 48 jaar lang gedaan, overal, maar verdomme nooit meer daar in het verre Noorden.”

Wardje: “Ik zat op de IBIS, de zeevaartschool voor weeskinderen. Nadat ik mijn matrozenpakje had afgedaan was het recht naar IJsland. De reders plukten ons van school. Kinderen van de IBIS waren gegeerd vanwege hun aangeleerde discipline en degelijke zeeopleiding. Ik was een snotaap van 15 toen ik vertrok voor de traverse naar IJsland met de John O.81, midden in de befaamde winterstorm van 1953. Ik wilde meteen stoppen, maar als je thuiskwam en je had veel vis gevangen en dus goed verdiend, tja dan vergeet je dat slechte weer snel.”

Eddy Cattoor: “Soms waren de matrozen ook vaderlijke figuren voor de jongsten. Vissers op zee zijn als soldaten in de loopgraven: hoe meer we in de miserie zaten, hoe meer we aan elkaar hingen en hoe meer vriendschap er was.”

Marius Dugardein. Beeld Stephan Vanfleteren
Marius Dugardein.Beeld Stephan Vanfleteren

Van zout water krijg je dorst. De vele verhalen over alcoholisme zijn niet gelogen. De slimmeriken gingen bij hun terugkomst recht naar huis met hun drinkgeld. De ‘gevoeligen’ bleven hangen. Hun duurverdiende centen verdwenen in de kas van de visserscafés, niet zelden eigendom van reders. Dronke Mon, Boeli, Bakelandt, Den Schuwen… waren bekend vanwege hun dorst aan wal. Maar op zee werd er officieel niet gedronken. Daar werden de gulzige dorstigen harde werkers.

Freddy: “Samen met mijn vrouw ging ik na mijn thuiskomst van café naar café, drie dagen aan een stuk. Tournée générales waren schering en inslag. Ik dronk altijd Pale-Ale en later op de avond pousse-cafés. We namen zelfs de taxi om naar een café 200 meter verder te gaan. Taxi Henri is rijk van ons geworden. Maar spijt heb ik er niet van. In de jaren zestig en zeventig verdienden we geweldig goed ons brood, soms meer dan 100.000 Belgische frank per reis. Ik herinner me dat ik op café voor de grap een briefje van 1.000 Belgische frank in brand stak om mijn sigaret aan te steken. We hebben gelachen en geleefd. En af en toe geknokt natuurlijk, vooral met de marine. Vissers en marinesoldaten in hetzelfde café, dat was gegarandeerd kermis. Vaak werd er buiten gevochten terwijl de enveloppe met het drinkgeld van hun reis nog op de toog lag. Na de bagarre verbroederden we binnen weer, met alcohol als gemeenschappelijke vriend.”

Charles Beuckels. Beeld Stephan Vanfleteren
Charles Beuckels.Beeld Stephan Vanfleteren

Eddy Cattoor: “Oostendenaars, dat was het ruigste volk. Veel alcohol, feest en wedden op de koerspaarden van de hippodroom. Aan het sas van Oostende stonden nog voor het schip aanmeerde al vijf taxi’s te wachten. De bemanning nam elk apart zijn taxi. De dag erna kwamen ze helemaal opgekleed met schoon hemd, gouden ketting en eau de cologne hun ‘paaie’ ophalen om dan de bloemetjes buiten te zetten. Vroeger werd het drinkgeld nog op café uitbetaald, maar dat mag nu niet meer.”

Ook ‘Schele Vane’ lustte wel een pint wanneer hij in Oostende aankwam na een zeereis. “De dag dat ik weer moest gaan varen, was al mijn geld er weer door gejaagd, maar ik beklaag het mij niet. Ik heb het toch maar gepresteerd daar in die verre zee. Niemand moet over me oordelen.”

Er zit een prachtige paradox in het vissersleven. Alle vissers spreken over de vrijheid die ze op zee hadden. Vrijheid reikt zo ver als de vergevingsgezindheid van de zee. Zoals ‘Wolle’ (André Vandewalle) uit het vissersrusthuis Godschalck zo mooi zei: “Ge ziet op joen eigen.” Ondanks het afzien in de verre gebieden, overgeleverd aan Moeder Natuur, voelde men zich blijkbaar vrij. Geen pottenkijkers, geen regels, enkel maar werk, met kameraden op een te klein schip in een immense vlakte en met een zee die geeft en neemt.

Erik Arents.
 Beeld Stephan Vanfleteren
Erik Arents.Beeld Stephan Vanfleteren

IJslandvaarders waren wat astronauten van deze tijd zijn. Ze gingen naar plaatsen waar een mens niet voor gemaakt is. Eddy Cattoor: “Vissers zijn vrijbuiters. Als je daar zit, lijkt het of de zee van jou is. Waarom denk je dat steenrijke mensen dure jachten kopen?”

Labatte: “Ik kan niet meer vissen. Lichamelijk en mentaal lukt het niet meer. Ik mis de zee. Soms ga ik af en toe nog eens naar haar kijken. Wat ik dan zie? Miene beste moat.”

Freddy, Wolle, Mare, Ferre, Labatte, Den Rosten, Gerard, Lucien… ze zouden allemaal weer gaan varen als ze hun leven kunnen overdoen. Sommigen gingen varen om de maatschappij of hun problemen te vergeten. Aan wal was er pas echte miserie van paperassen en hun verleden. Op zee deed je je werk, en dat was genoeg.

Zit het antwoord op deze paradox verscholen in de gezichten van deze vrijbuiters? Is het de trots van het afzien in combinatie met de vrijheid?

Achttien jaar geleden was mijn buurman ‘Bikje’ de eerste visser die ik ooit fotografeerde. Ook nu, na de vele portretten van vissers die daarna kwamen, kan ik als landrot het enigma van de zee en de vissers nog altijd niet helemaal ontcijferen.

Willy Kiekens. Beeld Stephan Vanfleteren
Willy Kiekens.Beeld Stephan Vanfleteren

Prut woont op 400 meter van de zee, maar heeft de zee al lang niet meer gezien. “Ik heb water genoeg gezien in mijn leven.”

De oogjes van ‘Wolle’ blinken: “Ik spring een gat in de lucht als ik weer naar zee zou kunnen gaan.”

‘Ferre’: “Ik ga nog iedere dag naar de kaai. Het mag sneeuwen of stormen, ik ga.”

Of zoals ‘Schele Vane’ het bedrieglijk simpel formuleerde: “’t Is al verleden tijd maar de zee is er nog altijd.”

In 1995 keerde de O.129 Amandine terug uit IJsland en meerde met haar laatste vangst aan in Oostende. Daarmee was definitief het net gevallen over de Belgische IJslandvaart. Nu ligt het schip op het droge, waar het dienstdoet als museum. De kabeljauw is vervangen door de toerist.

Met veel meer dan honderd zijn ze niet meer, de maritieme arbeiders die ooit, al was het maar één keer, de besneeuwde vulkanen van het Land van IJs hebben aanschouwd. De overgebleven getuigen vechten niet meer tegen de oceaan maar tegen de tijd. Het zijn de laatsten der Mohikanen van onze zee.

De expo Onze IJslandvissers loopt van 27/6 tot en met 7/11 aan de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende. Info en tickets: oostende.be/ijslandvissers

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234