Dinsdag 22/06/2021

Geen San in eigen land

Bij de dood van de Japanse filmkeizer Akira Kurosawa

Toen Akira Kurosawa in 1990 door het Amerikaanse filmbedrijf gelauwerd werd met een Honorary Academy Award voor zijn hele oeuvre, was de Japanse filmkeizer, trots geflankeerd door George Lucas en Steven Spielberg, er zelf bij in Hollywood. Dat was niet het geval toen zijn film Rashomon in 1952 een Speciale Oscar kreeg voor de Beste Buitenlandse Film. Een officiële Academy Award voor de beste niet-Engelstalige film bestond op dat moment nog niet, maar blijkbaar wilde Hollywood tonen dat het wist dat elders in de wereld ook af en toe goede films werden gemaakt. De Rashomon-trofee werd indertijd in ontvangst genomen door de Japanse consul, die er tijdens zijn dankwoord zowaar in slaagde de naam van Akira Kurosawa niet eens uit te spreken. Hij lauwerde wél de filmproducent, maar vergat er aan toe te voegen dat die inmiddels elk contact met de regisseur had verbroken.

De vertoning van Rashomon op het Filmfestival van Venetië in 1951, waar de film toen met de Gouden Leeuw werd bekroond, betekende niet alleen de internationale doorbraak van Kurosawa, maar wordt algemeen beschouwd als hét moment waarop het Westen (en de rest van de wereld) zich begon te realiseren dat de Japanse cinema over onbekende en dus onbeminde filmschatten beschikte. Samen met Kurosawa werden toen ook Kenji Mizoguchi en Yasujiro Ozu uit hun Japans isolement gehaald en kon in het Westen de kennismaking met een biezonder verfijnde en rijke filmcultuur aanvangen.

Dat Rashomon in Venetië werd vertoond, was niet evident. In Japan was de film, gebaseerd op een novelle van Ryunosuke Akutagawa en opgebouwd rond de uiteenlopende getuigenversies van een verkrachting/moord, door de critici als 'onbegrijpelijk' de grond in geboord. En Giuliana Stramigioli, de vertegenwoordigster van het Venetiaans festival, moest bij de Toho-studio (on)behoorlijk lang aandringen om de film te kunnen bekijken met het oog op een mogelijke selectie. Naar verluidt vernam Kurosawa's vrouw de Gouden Leeuw-triomf toevallig via de radio en de regisseur zelf was zo mogelijk nog méér verbaasd, want hij wist niet eens dat zijn film in de Venetiaanse competitie aanwezig was.

In interviews maakte Kurosawa geregeld zijn beklag over de Japanse neiging om hun eigen kunstenaars pas ernstig te nemen nadat ze door het buitenland ontdekt en bekroond werden. En dan nog! In zijn autobiografie Something Like An Autobiography (uit '82) herinnerde hij zich hoe Rashomon, zelfs na de Venetiaanse triomf, niet echt serieus werd genomen. Japanse critici waren immers van mening dat die bekroning alleen maar voortkwam "uit de Westerse nieuwsgierigheid naar en smaak voor Oosterse exotiek, en dat vond ik, toen en nu, vreselijk. Waarom heeft het Japanse volk geen vertrouwen in de waarde van Japan. Zelfs de houtsneden van Utamaro, Hokusai en Sharaku werden niet geapprecieerd tot ze in het Westen waren ontdekt."

In het geval van Kurosawa hadden de stijgende erkenning en waardering door het Westen zelfs een soort averechts effect: veel Japanse critici vonden hem té Westers geöriënteerd (waarbij onder meer verwezen werd naar het feit dat hij voor zijn filmverhalen soms inspiratie zocht bij Gorki, Shakespeare, Dostojevski en zelfs bij de Amerikaanse detectiveschrijver Ed McBain). Daarnaast was er natuurlijk ook een puur economisch probleem. Kurosawa was als filmmaker een veeleisend en dus duur perfectionist en de Japanse studio's investeerden liever in televisie- en videoprojecten dan in de risicovolle megabudgetten van iemand die door de jongere generatie steeds meer als een levend anachronisme en als een (op de koop toe) arrogante dinosauriër werd beschouwd. Feit is dat Kurosawa sinds Dodes'kaden (zijn eerste kleurfilm die hij in 1970 draaide en waarvoor hij een Oscar-nominatie kreeg) bijna nooit meer een filmproductie heeft kunnen opzetten zonder financiële hulp uit het buitenland. In 1972 was hij door de lauwe ontvangst van Dodes'kaden zelfs zo ontgoocheld dat hij een zelfmoordpoging ondernam. Die wanhoopsdaad bleef hem sindsdien op een lugubere manier achtervolgen, want toen de Franse producent Serge Silberman in het midden van de jaren '80 de productie van Ran op stapel zette, moest hij - om de Britse verzekeringsgigant Lloyd te overtuigen - met medische attesten voor de dag komen om te bewijzen dat Kurosawa geestelijk niet onevenwichtig was!

Na het commercieel fiasco van het nochtans wondermooie Dodes'kaden duurde het vijf jaar vooraleer Kurosawa weer aan de slag kon en dan nog alleen dankzij de steun van de Russische Mosfilm-studio voor wie hij in de Siberische taiga het ecologische filmgedicht en magistrale jagersepos Dersoe Oezala draaide, waarmee hij een (dit keer echte) Oscar voor de Beste Buitenlandse Film verdiende. In 1980 kon het flamboyante en spectaculaire dubbelgangersdrama Kagemusha enkel gerealiseerd worden dank zij de persoonlijke tussenkomst van zijn Amerikaanse bewonderaars Francis Ford Coppola en George Lucas, die de Hollywood-studio 20th Century Fox overtuigden hun dollars in het project te stoppen. Kagemusha kreeg in Cannes de Gouden Palm. Nog eens vijf jaar later kwam Ran slechts tot stand dankzij de inzet en het vertrouwen van de Franse producent Silberman, die eerder ook al de Spaanse cineast Luis Buñuel uit zijn Mexicaans isolement had gehaald.

In 1957 had Kurosawa zijn bewondering voor Shakespeare reeds laten blijken door het Macbeth-drama als uitgangspunt te nemen voor het prachtige Throne of Blood (Kumonosu-Jo), met in de hoofdrol zijn fetisj-acteur Toshiro Mifune - een van de laatste keren dat Akira Kurosawa in het openbaar verscheen was bij de begrafenis van de Japanse steracteur Mifune in december jongstleden. Voor Ran haalde hij zijn inspiratie uit het Shakespeare-drama King Lear en vermits die film toen zo'n beetje (ten onrechte) beschouwd werd als het filmisch testament van de Japanse grootmeester, werd hier en daar gesuggereerd dat Kurosawa, die toen al 75 was, met dit verhaal over een ontgoochelde, vernederde koning zijn eigen wanhoop had verfilmd.

Maar in mei '90 was Kurosawa opnieuw present in Cannes om met Dreams het Filmfestival te openen. Ook die film was slechts mogelijk dankzij de hulp van Spielberg en Lucas, die de Hollywood-studio Warner Bros. wisten te overtuigen op voorhand de distributierechten van de film te kopen. Na de epische spektakelfilms Kagemusha en Ran was Dreams een opvallend intimistisch project, dat bestond uit acht korte films, waarvoor Kurosawa zijn eigen dromen als uitgangspunt had genomen. In één daarvan speelde Martin Scorsese, ook al een fervent bewonderaar, de rol van schilder Vincent Van Gogh.

Nog wist Akira Kurosawa niet van ophouden. Hij zou nog tweemaal met een film naar Cannes komen, namelijk in 1991 met het nogal melige (en controversiële) atoombom-verhaal Rhapsody in August (met Richard Gere in de hoofdrol en voor het eerst sinds lang opnieuw met Japans geld gefinancierd) en in 1993 met het beter geslaagde Madadayo, een serene mijmering over ouder worden, via het verhaal van de hartelijke relatie tussen een oude universiteitsprofessor en zijn loyale, dankbare ex-studenten. Madadayo was de dertigste film van Kurosawa en betekende meteen de bekroning van een vijftigjarige carrière als regisseur. Zijn eerste film Sugata Sanshiro (ook bekend als Judo Saga) dateert immers uit 1943 en behandelde toen ook al het thema van de relatie tussen een judo-meester en zijn getalenteerde, maar nogal impulsieve leerling.

De titel van Kurosawa's laatste film verwijst naar het vaste antwoord van de professor op de Maada-kai (Bent u klaar?)-vraag van zijn studenten, als ze zich weer eens verzameld hebben om, met grote pinten bier, zijn verjaardag te vieren. Madadayo (Nog niet!) weerklonk toen telkens het vrolijke antwoord. Blijkbaar was Kurosawa toen nog niet bereid om afscheid te nemen. Vandaag rouwt de filmwereld om het heengaan van een monumentale grootmeester. (Jan T.)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234