Zaterdag 29/01/2022

Geen gemekker meer!

Zelfmedelijden. Een diep en intens zelfmedelijden. Dát is wat ik voel als ik ondergedompeld geraak in werk, werk, te veel werk. En ik kies mijn werk nochtans zélf. Hoe zielig ben je als je zelfs dan nog zelfmedelijden hebt? Ik kom nochtans uit een gezin waar je werkt en doorwerkt, en waar je niet klaagt. Maar nu moet ik hier vaststellen dat er diep in mezelf een Woutertje zit te jammeren en te mekkeren bij elke inspanning. Ik walg ervan, ik kan niet anders dan mezelf verachten omdat het zover staat van mijn ideaal: iemand die fluitend en goedgezind zijn veelvoudige taken vervult, bij verslapping roept het inwendige stemmetje: komaan, niet plooien, je kunt het, nog eventjes, doe het omdat je het graag doet.Zo iemand is Herman. Zeven jaar geleden maakte ik een voorstelling met Herman. We kenden elkaar van op toneelschool in Gent. Herman was een paar jaar ouder dan ik. Hij gaf les dictie. En toneel. En hij speelde voorstellingen. Hij schreef ook. En regisseerde. Hij had ook al twee kindjes. O ja, daarnaast was hij schaapherder, een échte, van honderden schapen. En bovendien leek hij ook nog eens altijd goedgezind, zelfs als ik hem in Grembergen bij Dendermonde om zes uur ’s ochtends ging ophalen omdat we zelf de technische opbouw deden voor onze schoolvoorstelling die we om tien uur speelden in Maaseik.Ik bel Herman op. Fotograaf Jonas en ik mogen hem een dagje volgen. Het is wel extra druk, wegens het lammerseizoen. Ik hoop dat ons bezoek het zelfmedelijden uit mijn weeklagende lijf verdrijft. Dat de schapen mij doen stoppen met mekkeren.

Woensdag 9 uur

Herman staat in de zon bij het cultureel centrum van Merelbeke te telefoneren, rondwandelend in rijglaarzen. Rijglaarzen? Is Herman geëvolueerd naar een middeleeuwse herder? Loopt hij op een schalmei tierelierend langs de dijken met zijn kudde? Het blijkt te maken te hebben met het tijdvak van het toneelstuk dat hij speelt.“Hallo, ja? Maar wij komen net vandaar!”Er zit een schaap vast in een dichtgeslibde arm van de Durme. Herman kan het schaap zelf niet gaan bevrijden, hij heeft straks voorstelling. Hij belt de vaste depanneuse van dienst: moeder Lucienne. Ik probeer mij voor te stellen dat ik mijn moeder opbel met de vraag of ze een schaap uit het slib kan gaan trekken. Ik denk dat ze mij mijn telefoon laat opeten. Moeder Lucienne echter zegt dat het in orde komt.“Van de morgen had ik een ooi met prolaps, die had haar schede naar buiten geduwd. Dan moet ge dat opnaaien.”Oké, ik ben een buitenjongen, maar als wij in onze buurt al prolapsen opnaaiden, dan heb ik het toch verdrongen.“Ge gaat rond die ring, daar naait ge rond, ge steekt daar een koordje in, zodanig dat ge dat kunt toebinden, ge laat een gaatje open zodanig dat die nog naar het toilet kan, en dan bindt ge dat samen, en als ze lammert, maakt ge dat los, en nadien bindt ge dat terug los, zodanig dat die druk van die cervix is, want zolang die schede eruit steekt, blijft ze persen, en anders perst ze zich dood. Het was een goede ochtend verder, er hebben er vier gelammerd.”Zelf glunder ik nog van trots omdat het mij gelukt is om halfacht op te staan. Die trots verdwijnt als ik Herman naar zijn nachtrust vraag.“We hebben tot drie uur achter de computer gezeten, Kristel en ik. We krijgen een controleur van het Voedselagentschap en we hebben alle juiste cijfers over de schapen wel in de computer zitten, maar we kregen ze langs geen kanten uitgeprint. En om zes uur eruit. Ik hoorde dat er één mis was. Die was gisteren aan het voorbereiden om te lammeren, maar het rook niet goed, dat is eigenlijk al dat dood schaapke dat ge ruikt, ge moet wel zien dat die eraf geraakt, want een dood schaapke, dat zit niet goed, hè. Ne keer twee, ne keer twee, ééntje doodgeboren dus, ne keer eentje en nog een tweede op komst.”De crew stapt de kleedkamer binnen en Herman trekt telefonerend zijn middeleeuwse plunje aan. Vlak voor de voorstelling naait Herman nog een knoop aan. Tweehonderd twaalfjarigen leven mee met het stuk. Zoals dat gaat bij toneelgezelschappen die hun plan moeten trekken, speelt Herman schildknaap Hendrik, prins Edmund van Engeland en gouvernante Constance. Hij vertolkt de drie rollen met verve, maar vooral in de rol van gouvernante spettert hij van de planken. Als hij met een hoog stemmetje als zeer energiek oud besje staat te dansen, denk ik: deze gouvernante heeft vannacht drie uur geslapen, vanochtend zes lammeren ter wereld helpen brengen, en een schede genaaid. De verweving werkelijkheid-theater wordt wel heel bizar als Herman als prins van Engeland tegen de Vlaamse graaf die nood heeft aan wol uitroept: “Kweekt uw schapen godverdomme zelf!”De handen van het publiek gloeien nog van het applaudisseren, als Herman en wij al vertrokken zijn richting Grembergen.

Woensdag 11.15 uur

We komen aan in de stal, en ik besef dat sportschoentjes met ribbelzolen niet het ideale schoeisel zijn om rond te lopen op het aangestampte mengsel van hooi en stro waarop de kersverse moederschapen en hun jongen staan. Herman controleert de oogst van de nacht. “Van gisteravond om elf uur tot ik vanochtend vertrok, hebben er negen gelammerd, zestien lammekes, van de meeste ben ik overtuigd dat ze het zullen halen. Ziet ge, deze zijn oké, dat ziet ge direct, moeder is alert, de lammekes zijn kwiek.” Hij wijst naar een klein lammeke. “Den deze heeft nog wat intensive care nodig, die moet ik eventjes laten drinken.”Herman zet de ooi vast in een hoek, klemt haar met zijn knieën, grijpt het lam en duwt het onder het schaap tegen een speen. Het is wérk. Wég zijn de rijglaarzen, cour en jardin, hier is het een grijze kiel, laarzen en schapenstront.“Stel dat ik het nu niet doe, dan is dit lammeke tegen de middag een vogel voor de kat.” Het luistert soms nauw, of een lam overleeft. Als ze nauwelijks ademen, doe ik mond op mond. Ge pakt dat lam, ge blaast daar eens in, dat die longskes opengaan. Niet aan mijn vrouw zeggen, hè!”Herman vult in de rapte een papfles, en haalt een heel mager lammetje over het hek. “Kom hier, Ray Charles, drink maar. Dat sukkelaarke is blind. Eéntje van een drieling. We zullen hem goed moeten soigneren, hij drinkt niet zo goed ook.”

Woensdag 11.45 uur

We vertrekken richting Berlare. Herman heeft bijna doorlopend zijn arm in de lucht, zo vaak zegt hij goeiendag tegen voorbijgangers, fietsers, wandelaars, andere automobilisten. “Mijn moeder zei altijd, zeg maar tegen iedereen een goedendag, een boer bekijken ze zo al een beetje scheef, daar moet ge niks meer bovenop doen. Kijk, die mens komt elke week naar de voetbal.”Ah, dat was ik nog vergeten. Herman voetbalt ook, omdat er op zondag toch nog een laatste restje energie opgedaan moet worden. “Ik speel op alle posities. Het moet gewoon veel lopen zijn, ik kan er niet tegen als ge niet kapot zijt na het voetballen. Hoeveel het was dit weekend? 0-0 aan de rust, dat weet ik, daarna ben ik moeten vertrekken omdat er ene moeilijk lammerde.”“De schapen waar we nu naartoe gaan, staan daar voor stootbegrazing.” Hermans belangrijkste bron van inkomsten is begrazing en onderhoud van de dijken van de Schelde en de Durme. Daar doen zijn schapen bijvoorbeeld dus aan stootbegrazing. En daar weet ik evenveel over als over prolapsopnaaiing. Het blijkt kortstondige begrazing te zijn van een weide of dijk.Telefoon: “Hallo, ja? Volgende week donderdag, past u dat? Om negen uur, ja. Hebt ge het adres? Tot dan.” Herman blijkt ook moeilijke gasten te helpen met een time-outsysteem van groenezorgboerderij. Gasten die in het onderwijs tegendraads zijn, komen een halve dag helpen. “Bij mij vallen die gasten heel goed mee.” Sociaal assistent, had ik dat op de beroepenlijst al vermeld?Op de dijk rijden we rustig, dertig per uur. Onderweg langs de dijken staan er borden met uitleg. “Die hebben we samen met het stadsbestuur gemaakt. Een beetje uitleg over de Schelde, de dijken, de natuur, vogels, de getijdenwerking, de geschiedenis.” Natuurgids en historicus, had ik die twee al op de beroepenlijst vermeld?De schapen staan schuin op de dijk, in bedwang gehouden door een systeem van makkelijk verzetbare netten, waar elektriciteit op zit via een vrachtwagenbatterij. Terwijl we de netten verzetten om de schapen vers gras te geven, geeft Herman ons plantentips. “Hier, smeerwortel, dat lusten de schapen heel graag. Proef maar eens! Ge zult meer en betere melk geven.”We rijden verder over de dijk naar twee andere kuddes die op natuurdomein de Roggeman staan. Herman wijst naar een vijver in de laagte naast de dijk. “Prachtig weer, hè, vandaag. Pas op, ik houd ook van dat strontweer. Ge ziet hier dan dingen die ge anders niet ziet. Als het in de zomer heel erg aan het onweren is, dan ziet ge soms een vos die op den dijk staat, of wezeltjes die overlopen. Bunzingen zijn er ook terug, die zijn aan het stijgen in aantal.”De minder zeldzame diersoort ‘wielertoerist’ zoeft hier voortdurend voorbij. “Elk jaar maak ik mee dat er iemand doodvalt op den dijk. Vaak mensen die met pensioen gaan, en dan in één keer op die fiets inhalen wat ze in vijftig jaar niet gedaan hebben. Ja, dat zegt ‘krak’ natuurlijk.“Ik heb hier al een mensenleven gered! In de herfst, het was al op het randje van vriezen, zag ik een wielertoerist half onder en half boven water steken. Hier ligt nen dooien, dacht ik, maar hij leefde nog. Ik spring in dat water, en ik ruik, miljaar, die heeft gezopen, hier en daar een tussenstop gedaan voor een trappist zeker, ik heb die eruit gehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Nooit meer iets van gehoord.”Hoe doet hij het toch? Herman moet met een slaapgebrek van hier tot in Keulen zitten, en toch vertelt hij ons het ene verhaal na het andere, over het reanimeren van oververhitte schoothondjes, over het uit de vijver vissen van een vastgeslibde bronstige bok, over een speedboot die hij met vol enthousiasme de dijk zag opvliegen. Ondertussen telt hij lammetjes, controleert hij de wei in natuurgebied de Roggeman op eventuele nageboortes, en kijkt hij na of er niets mankeert aan de poten van de schapen.“Een schaap kan zoveel mankeren. Ge moet de klauwen onderhouden, ge hebt de ziektes, ze stappen ook makkelijk in een put, ze kunnen miasis krijgen. Groene dikke vliegen leggen hun eitjes in de wol, en dat worden dan maden die het schaap eigenlijk opeten. Als iemand mij om tips vraagt over schapen houden, dan noem ik zoveel gevaren op dat ze steevast zeggen: “Ge hebt precies liever dat ik er geen houd.”

Woensdag 13.30 uur

Terug in Grembergen zijn er op de wei twee lammetjes geboren. “Ze kunnen nog maar juist geboren zijn. Moeder loopt ginder, sie. De nageboorte bengelt nog uit haar poep. Het zijn goedjes. Hun muilkes zijn warm, ze reageren goed. We gaan ze wel in de stal moeten zetten, want moeder moet van het ene jong precies niet weten.”Herman tilt de twee lammetjes op aan hun poten (“zo blesseer je de longen niet”), en brengt ze naar de stal. Zijn driejarige dochtertje Hasse huppelt als derde lammetje mee, tot de boze moederooi haar doet schrikken, tenminste.Het eten moet snel gaan, over een halfuur geeft Herman woordonderwijs aan twee groepen leerlingen. Hij verdwijnt met een boterham in de hand het huis in. Zijn vrouw Kristel, die ook bijna fulltime werkt, maar op woensdagnamiddag thuis is, vertelt. “Er kwam in augustus een leerling uitleg vragen over woord. Ik zei dat het een vergissing was, dat Herman geen les meer zou geven dit jaar. Maar Herman zei vanachter mijn rug: “Jawel. Ja, dat moest ik u nog vertellen. Ik heb toch nog een paar uurkes aanvaard.”Herman komt terug buiten in zijn volgende gedaante, een vers hemd, verse jeans, verse schoenen en gewassen haar. Als we bij het leslokaal parkeren, een paar minuten voor twee, staat er al een ongeduldige negenjarige verwijtend op zijn horloge te tikken.

Woensdag 14 uur

Herman geeft les. Van enige fysieke verslapping is er geen sprake. Hij doet ongeveer elke oefening mee, met een werkelijk onvoorstelbare energie en uitbundigheid.

Woensdag 16 uur

De leerlingen stormen naar buiten. Wij vertrekken naar de wei naast de stal. Jonas vindt een piepklein, dood lammeke.“Ik ben er bijna zeker van dat dit nummer drie was bij die twee die we net hebben binnengestoken. Kijk, het is al helemaal droog, dat schaap heeft het waarschijnlijk, net zoals de levende lammekes, direct afgelikt, en met dat weer is dat direct droog.”Of er geen moment van de dag is dat Herman moe wordt? Of een periode in het jaar? “Als het tegengaat. Als er een schaap doodligt. Of als er een hond de schapen aanvalt. Er waren eens negen schapen zwaar toegetakeld, dan hebben we de ganse nacht aan die beesten zitten naaien, mijn broer en ik, tot het toch weer een beetje op een schaap leek.”Herman controleert de wei, Herman laat de lammekes drinken. Herman laat Ray Charles drinken. Herman legt de remorque aan de camionette, er moeten schapen verplaatst worden naar de wei aan de Roggeman, zodat de begrazing sneller gaat. Herman rijdt naar de dijk. Herman lokt tien schapen in de remorque. Herman noteert de nummers. Herman controleert aan de spenen welke schapen drachtig zijn. Die moet hij vanavond in de computer invoeren. Herman rijdt naar de Roggeman. Herman laat de schapen uit de remorque.“Vandaag overdag is eigenlijk heel rustig. Nog geen bevallingen zelf moeten doen. Jullie krijgen nu wel een heel idyllisch beeld van deze stiel, met dat goed weer ook. Straks denken jullie ook dat een herder zo’n langzaam stappende tiep is in sepiakleur, met trage, diepe gedachten, haha!”Herman rijdt naar een grotere kudde bij Hamme, op de dijk naast de Durme. “In deze job ben je heel kwetsbaar. Je schapen staan buiten... Ge hebt sowieso veel buren waarmee ge goed wilt staan. Ge hebt de jagers. Die vinden schapen goed, maar er mogen niet te veel schapen lopen, dan lopen ze in de weg. Ge hebt de natuurverenigingen, de ene helft vindt schapen goed, de andere helft bekijkt u als een boer, en die zijn d’office slecht. En ge hebt de boeren, en voor sommigen daaronder zijt ge ne groenen, en dus ook d’office slecht. Mensen kunnen uw netten uittrekken, uit verveling, schoolgasten tijdens de examens bijvoorbeeld. Ik praat altijd met de mensen. Overleggen. Laten weten waar ik wanneer zal staan en zo. Dat scheelt een pak.”Had ik diplomaat al als beroep vermeld?

Woensdag 18.45 uur

We wandelen langs de Durme. Herman onderhoudt deze dijken ook, probeert er de distelbegroeiing terug te dringen. “Hier kom ik met de tractor de distels maaien, om ervoor te zorgen dat ze niet in het zaad komen. Ge rijdt dan heel traag met een wippend gewicht achter u. Mijn moeder kan daar niet op kijken. Mijn vader is op die manier verongelukt. Vijfenveertig“Ik zat op boerenkot, en ik zat met een tweede zit. Negentien is ook negentien jaar, hé. Ge zijt zo ongelooflijk met uzelf bezig op dat moment. Die tweede zit, daar is niet veel van gekomen. Maar als ik met mijn handen bezig was, en ik was bezig met de tractorHerman controleert of er geen lammekes apart zijn geraakt. Herman kijkt of er geen in het slib zitten, zoals het schaap dat Lucienne er vanochtend heeft uitgetrokken. Herman controleert een paar poten. Herman controleert een ontsteking van de endeldarm. Herman telt en telt en telt.

Woensdag 19.30 uur

Kristel draait het vlees op de barbecue. Herman laat de lammetjes drinken, en kijkt af en toe in de wei. Herman gaat af en toe neerzitten, zowaar, en drinkt een tripel, nog zowaarder. Chiel, Jans en Hasse, hun drie kinderen, werpen zich op het eten. Daarna gaan de kinderen in bed. De avond valt. Herman vertelt dat ze net op reis zijn geweest. Ik val bijna van mijn stoel van verbazing.“We zijn gaan skiënKristel vertelt dat ze uit Zele komt, een meisje uit een wijk van huizen met een hofke van twee keer niks. Maar ze is ondertussen al flink verplatteland, zegt Herman.“In de winter hadden we een dag lang alle schapen ontwormd, dat is een vuil werk, ge zit van kop tot teen onder de schapenstront. Ik had ’s avonds laat mijn vuile broek opgevouwen om te wassen, en opzijgelegd. ’s Morgens zitten we aan tafel, en Kristel vraagt, wat stinkt er hier toch zo, en ik zeg, ik heb allemaal verse kleren aan. Kristel vertrekt naar haar werk, en een uur later belt ze mij. “Ik denk dat ik weet wat er zo stonk.” Ze had ’s ochtends, nog half in slaap en in het donker, die vuile broek die op de wasmachine opgevouwen lag, aangetrokken. Ze is een ganse dag niet van achter haar bureau durven komen op haar werk!”

Woensdag 22 uur

Herman controleert de wei een laatste keer. De schapen waarvan hij vermoedt dat ze die nacht kunnen lammeren, wil hij in de stal zetten voor de warmte. “Als ze apart gaan staan, of gaan zitten, en weer rechtstaan, weer zitten, weer rechtstaan. Of hun staartje ver beginnen te dragen. Kijk, die! Ge ziet het aan haar gang, dat bekken is ontsloten. In het dialect zeggen ze: die staat afgebroken.” Herman zet een paar schapen apart. Herman laat nog een paar lammetjes drinken. Herman laat zijn gasten een plaatselijke tripel proeven. Herman gaat - écht - slapen. Het is misschien de zeldzaamste gebeurtenis van de dag. Hoewel. Het genoegen een bevalling mee te maken, hebben Jonas en ik nog niet mogen smaken.

Woensdag 23 uur

Er zijn ernstige vermoedens dat Herman Verberckmoes daadwerkelijk ligt te slapen.

Donderdag 2 uur

Herman maakt ons wakker om de ronde te doen op de wei. In het schijnsel van de zaklamp merkt hij een schaap op waarbij het water gebroken is. Hij krijgt haar de stal binnen. Ik krijg een ontsmette handschoen aan, en mag assistente-verpleegster spelen bij de bevalling! “Ze staat hard te mekkeren, dat is heel goed. Kijk, pas op, ik ga u nu behoeden voor een homofiel precedent: ge gaat dáárin met uw hand.”Ook hier weer: ondanks het feit dat ik een buitenjongen ben, is dit een nieuwe sensatie voor mij. Ik sta hier intiemer verbonden met een schaap dan ooit voorheen in mijn leven, en ik voel twee pootjes, en iets verder, een kopje, met tandjes zelfs. “Pas op, als het de tandjes van de ooi zijn, dan zit ge te ver.”Ik moet moeite doen om het niet uit te schreeuwen van enthousiasme. Verder ben ik bij de bevalling van generlei nut. Herman strekt de pootjes van het lam, trekt die pootjes er dan uit, trekt het kopje mee, en zwaait het lam op het stro. “Het is een goede moeder, want ze begint met haar poten te stampen. Ge ziet, het zal ook niet lang duren voor dat lam rechtstaat. Ziet ge hoe die moeder in de weer is?”Herman laat Ray Charles nog eens drinken. “Ik ga nog eens kijken op de wei. Moet ik jullie weer wakker maken? Ik heb het al gehad, hoor, dat ik ’s nachts om één uur de stal in ga, er ’s morgens om tien uur uitkom, en niets anders gezien heb dan het achterste van een schaap.” Na die woorden vluchten Jonas en ik naar bed.

Donderdag 6 uur

Herman stapt in de camionette. Er ligt aangevroren nevel op de auto. De rit gaat richting Durme. Overal op de dijk hangen nevelslierten. De sfeer is magisch. Moedereend met allemaal mini-eendjes erachteraan steekt over. Op de dijk, met de schapen tussen de ochtendnevel en de opkomende zon, maak ik mezelf de loze belofte om veel vaker vroeg op te staan, en dan hier te komen wandelen. Ik vraag Herman of hij altijd zo hard heeft gewerkt.“Wij zijn thuis toch allemaal van die drijvers. Soms is dat goed, dat drijverige, maar ik begin dat toch meer en meer als een ziekte te zien, eigenlijk. Als ge uzelf binnen de context van een gezin ziet, dan denk ik toch regelmatig, moet dat nu allemaal? Maar ik doe al die dingen ook echt graag. Dat spelen, dat lesgeven, die schapen. Weet ge, ge moet u geen manier zoeken om in het leven te staan, en ge doet uw volledige goesting. Voor het geld moet ge dit niet doen, als ik het per uur zou uitrekenen, denk ik dat ik nog beter kan gaan werken als arbeider in de sandaalindustrie in India.“Maar kijk, mijn overgrootvader had schapen, zijn zoon nam de schapen over, mijn nonkel nam dan zijn schapen over, verhuist naar Frankrijk, mijn vader nam zijn schapen over, mijn vader verongelukt, mijn moeder neemt de schapen over, mijn moeder vindt het wat veel, ik neem de schapen over. En hier lopen ze nu.”

Donderdag 7.45 uur

Herman zwaait de kinderen uit als ze naar school vertrekken. Kristel vertrekt naar het werk. Herman drinkt een koffie, eet een paar boterhammen. Moeder Lucienne komt binnen, zet zich bij aan tafel. “Eén bevalling maar vannacht? Dat is kalm. Hoho, vergeleken met gisterennacht!”We gaan de wei nog eens op, om de schapen te controleren. Ik loop bij Lucienne. “Toen Miel verongelukte, mijn man, heb ik negen maand op automaat geleefd. Ik moest wel. Drie kinderen die studeerden, we hebben een jaar niets van vervangingspensioen getrokken. Veekoopmannen boden een appel en een ei voor heel de boel. Toen dacht ik: dat wil ik niet. En ik ben beginnen werken voor zot, om alles te kunnen blijven doen, alles te kunnen houden. Ik had verdriet, maar ik liet dat niet zien. Mijn kinderen hadden ook verdriet, hé!En na die negen maanden pas kwam ik weer in de werkelijkheid. Ik heb heel dikwijls gedacht: is dat nu de natuur die dat regelt, dat het precies de periode van een zwangerschap is die ge nodig hebt om terug naar de werkelijkheid te komen.”Eén schaap gaat zitten, staat weer recht, kijkt achterom, gaat weer zitten.“Ik heb één heel speciale droom gehad van Miel. Ik was met mijn familie op vakantie in de Ardennen. Ik zat langs de kant van de weg. Er passeert ons een massa mensen, langs een lange rij bomen. En Miel komt uit die massa gelopen. Hij komt op mij af, hij pakt mij heel stevig vast, en hij zegt, kijk, ik moet mee, ik kan er niet aan doen. Maar gij, gij moet nog hier blijven, want ze hebben u nog veel te hard nodig, ik, ik kan niet anders, ik moet mee, en hij pakt mij heel hard vast, en die mensenzee gaat verder, en hij stapt mee, richting de einder, op het einde van die lange rij bomen. Dat is mij zo bijgebleven. Hij zou zo trots zijn, als hij het hier nu allemaal ziet. Het was zijn droom om hier te wonen, waar Herman en Kristel nu gebouwd hebben, bij de stal.”Het schaap blijft rechtstaan, zitten.Lucienne haalt een fotootje van Miel uit haar portefeuille. Herman lijkt héél hard op Miel. “Eén keer dacht ik bijna dat hij terug was. Herman stond in de stal, in het halfdonker, niet geschoren, en met een trui van Miel aan. Ik zag Herman in een oogopslag, en ik zag Miel staan. Herman trekt er zo hard op. Van doening ook. Hoe hij een groep kan animeren. Als ik niet wist waar Miel zat, dan moest ik naar het café waar het meeste volk plezier zat te maken, en dan wist ik dat hij daar zou staan vertellen voor heel die bende. Ne foetballist ook.Diplomatisch ook. Miel deed de wagenspelen hier. Och jong, ze trekken zo hard opeenHerman roept van de andere kant van de wei. “Het zal toch geen miasis zijn, zeker!” Het is miasis. De schapen die het hebben, moeten geschoren worden. Herman drijft ze naar de stal, Lucienne pakt de tondeuse. “Kijk, daar zou je nu slechtgezind van kunnen worden”, zegt Herman, goedgezind. Het is halfnegen. We vertrekken. Ik ben moe. Maar ik heb geen zelfmedelijden meer. Vanaf nu geen gemekker meer.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234