Woensdag 21/08/2019

Gedichten over identiteit en vergankelijkheid

Luuk Gruwez en Mark Insingel schrijven poëzie in een sterk uiteenlopend idioom, maar door de gedeelde fascinatie voor de eindigheid, hebben hun gedichten dezelfde urgentie.

De filosoof Hegel verwierp in de eerste helft van de negentiende eeuw het lelijke. Dat kon niets met kunst of poëzie te maken hebben. Kunst moest zich niet inlaten met het alledaagse en moest een hogere waarheid nastreven. Charles Baudelaire dacht daar enkele decennia later helemaal anders over: hij ging vooral na wat poëzie kon en moest zijn. En hij verlegde de grenzen van de poëzie door ook het niet-verhevene in zijn gedichten te brengen, bijvoorbeeld door zwervers en prostituees een plaats te geven.

Ook Luuk Gruwez maakt in zijn werk veel plaats voor het niet-verhevene, al zit er in zijn poëzie een hang naar het absolute. Maar de dikke mensen, juffrouw pipi, de Dominee Dood Andras Pandy of pakweg Oma Winnetou houden hem met beide voeten op de grond. Ze hebben van hem de romanticus van het alledaagse gemaakt. Middenin Garderobe, de bundel waarin Luuk Gruwez het substantieelste deel van zijn dichterlijke oeuvre tot nu toe samenbracht, staan deze regels: ‘Overal ter wereld rapen kinderen de dingen op: een kiezelsteen, een knikker of een oude sok,/ het been van een vernielde pop./ Wat zou er hun toch overkomen/ zodra zij dat één keer vertikten?/ Dan zouden kinderen en dingen/ ermee ophouden zichzelf te zijn./ Pas later blijven zij liggen, de dingen./ Eindelijk dood.’ Gruwez is als dichter iemand die het niet kan nalaten om op te rapen. Dat doet hij vooral met mensen, om hen voor de definitieve val in de vergetelheid te behoeden. Voor het hele vergankelijke heden creëert Gruwez een soort eeuwigheid, ook al beseft hij dat dit onmogelijk is. Maar het is te mooi om niet onder woorden gebracht te worden. De mensen die Gruwez in zijn poëzie verzamelt, worden een soort afsplitsingen van hem zelf. In dat opzicht is het motto dat ook in deze verzamelbundel aan de bundel Allemansgek voorafgaat, volgens mij essentieel om zijn drijfveren goed te begrijpen. Het is een citaat uit Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa: “Mijn God, mijn God, wie woon ik bij? Hoevelen ben ik? Wie is ik? Wat is die tussenfase die er is tussen mijzelf en mij?” Je zou met de nodige verbeelding al die figuren die in zijn verschillende bundels opduiken afsplitsingen van hem zelf kunnen noemen. In die zin is het ‘ik’ dat we in Garderobe zien opduiken, steeds subtieler, want gecompliceerder en meerduidiger geworden dan in zijn vroegste werk van voor 1985, dat hij trouwens niet toevallig niet in Garderobe heeft opgenomen, en zelfs nog dan het ‘ik’ in de bundel De feestelijke verliezer, dat nog sterk autobiografisch is. Niet dat Gruwez mettertijd die autobiografische toets volledig afgezworen heeft, maar het lijkt erop dat hij zijn poëzie de volle ademruimte gegeven heeft door andere personages, of beter nog personae, maskers waarachter hij schuilgaat, ten tonele te voeren.

Gruwez is als dichter niet alleen een verzamelaar van mensen, maar ook van levensmomenten. In het gedicht ‘Oma Winnetou’ heeft Gruwez het over het beeld waarmee wij haar het best zouden herinneren: ‘Geen bed met kaars, geen blos, geen kierewiete kop./ Nee, zet er dan haar Chevrolet maar op:/ dat geeft die uitvaart flink wat vaart.// Of willen wij tot elke prijs/ het meisje dat een musje werd,/ die stijve grijze vederdos van bijna negentig,/ een uitgemergelde Apache/ bijeengescharreld in een nachtjapon/ - de ogen weifelend, vol heinde en verre,/ wachtend op een eeuwig jachtveld.’ En hij concludeert: ‘Hier waar het telkens nu is,/ moeten wij verzamelen, niets dan verzamelen./ Wij moeten verzamelen om te mogen vergeten.’ Met die nuttige en tegelijk nutteloze taak moet de dichter zich bezighouden. In het titelgedicht uit de bundel Allemansgek lezen we: ‘‘Wie kruipt er in mijn ik?’ vraagt Allemansgek.// ‘Schnell. Schnell. Kom allemaal. Bemachtig mij./ Bevrijd mij van mij. Wees mij. En vergeet mij.’’ De dichter is dus niet alleen iemand die graag van zichzelf wil loskomen door andere ikken te worden, maar die ook beseft dat dit niet kan en die zijn eigen identiteit dus als een hindernis ziet. En van zichzelf af wil.

In de recentste bundels zijn trouwens hier en daar beschouwingen van Gruwez over het dichterschap te vinden. Gruwez laat zich daarin vooral zien als een dichter die gefascineerd is door het lichamelijke van de taal. Hij is daarmee niet alleen de romanticus van het alledaagse, maar ook van het vleselijke. Maar hij relativeert het dichterschap sterk, al blijkt uit de hele Garderobe hoe ernstig hij het wel neemt. Gruwez heeft trouwens een behoorlijk aantal gedichten voor Garderobe geretoucheerd, zodat Garderobe als geheel bijna een nieuwe bundel is geworden. Alleen dat al maakt het de moeite om deze verzamelbundel aan te schaffen. Gedichten zijn nooit af voor deze perfectionist van het onvolmaakte. In ‘Ars amandi’ uit de bundel Dieven en geliefden laat hij weliswaar zien dat dichters niet boven de medemensen verheven zijn: ‘Kletsers, kwebbels, blunders van God./ Red ons, red ons van de dichters./ Zij morsen liefde voor één vers/ waarin het altijd nu moet zijn.’ En in ‘Aan een collega’ uit de recentste bundel Lagerwal maakt hij duidelijk dat de poëzie een noodzakelijk kwaad is: ‘Wij mogen dan wel in een zuiderse patio liggen,/ er fanatiek naar strevend onder een zwijgzame/ sterrenhemel gelukzalig niets en niemand te zijn,/ maar zelfs dan komt zij langs, de poëzie, la poesía,/ met het bon chic, bon genre van een tettertrien.’

Mark Insingel debuteerde net als Luuk Gruwez, maar dan twee decennia eerder, met romantische poëzie, gesitueerd in een dromerig universum. Vanaf de bundel Perpetuum mobile (1969) ontstond een geschikte vorm voor zijn poëzie, die autonomistischer geworden was. Zijn gedichten werden taallichamen, sterke voorbeelden van concrete poëzie. Het belijdeniskarakter viel weg en Insingel ontwikkelde een fascinatie voor de cirkel, die al blijkt uit zijn pseudoniem Insingel: het gesloten circuit waarin de ik-figuur gevangen zit, maar ook de levenscyclus. Daardoor bouwde Insingel aan een heel markant oeuvre in de Vlaamse poëzie, dat te lang onopgemerkt gebleven is. Alleen de dood kan paradoxaal genoeg een bevrijding uit de cirkel vormen. Nu Insingel 75 is geworden, komt het levenseinde natuurlijk dichterbij, maar de dichter viert het leven en zijn dichterschap - twee dingen die hij tot de jaren negentig liever niet met elkaar in verband bracht - met een beklijvende nieuwe bundel: Lang leven. De cirkel is dus nog niet gebroken. En zijn idioom getuigt nog steeds van de ‘insingeling’, door de spiegeling in de semantische structuur. Zo ontstaat er een grote interne consistentie, als een bezwering, maar ook als aanvaarding van de vergankelijkheid: ‘De steen die zo zwaar is/ dat niets hem beweegt/ is de plaats.// De steen die zo licht is/ dat alles hem beweegt/ is de tijd.// De steen die rolt en rolt/ en uit het zicht verdwijnt-/ dat ben ik.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden