Dinsdag 16/08/2022

Gebroken zerken, barsten in Bilzen

Eigenlijk hoort een verhaal over een kerkhof met Allerheiligen in de krant, niet in het weekend van Sinterklaas. Ware het niet dat in de nacht van vorige zaterdag op zondag een paar vandalen meer dan honderd graven vernielden op het kerkhof van Bilzen. Daar waar mijn hele familie begraven ligt.

Walter Pauli / Foto's Stephan Vanfleteren

Aan de telefoon klinken vader en moeder opgewonden. Ja, ze zijn al poolshoogte gaan nemen op het kerkhof. En gelukkig, de graven van de familie bleven gespaard. Maar het nachtelijke drama heeft zich maar een tiental meter afgespeeld van waar nonk Rik begraven ligt, en Tony, de vroeggestorven neef van papa. Die familieleden rusten op een relatief recent perceel, vol lotgenoten uit de jaren tachtig. Dat maakt de verwoesting er niet minder om. "Het zijn vooral de oude graven die aangepakt zijn. Vreselijk. Hele arduinstenen, brokken die met blote handen niet te tillen zijn, liggen overal verspreid. Kruisen gebroken, graven gebarsten. De middenweg door het kerkhof, en dan naar rechts. Je weet wel, die grotere, oudere graven uit de jaren vijftig en zestig, en nog een paar van de jaren veertig."

"Jaren veertig. Ook het graf van dokter Caby?" "Gelukkig niet, neen. Maar de brokstukken van de andere graven liggen er wel op."

Inderdaad, dokter Caby. Ik heb hem nooit gekend, want hij is vijfentwintig jaar voor mijn geboorte overleden. Hij is ook helemaal geen familie. Toch kent heel Bilzen dat graf. Het bestaat uit drie arduinen zerken naast elkaar. Een groot, een kleintje in het midden, en dan weer een groot. Samen liggen ze daar, dokter Caby, zijn vrouw Helena Van Doren en hun dochtertje Ghislaine van drie. De twee laatsten hebben ook hun datum van overlijden gemeen: 10 mei 1940. Voor militairen had Bilzen in die tijd enig strategisch belang. Precies op de markt kruisen de 'steenwegen' van Hasselt naar Maastricht en die van Genk naar Tongeren elkaar. De meeste inwoners waren gevlucht naar het park, maar er waren er ook die zich in hun huis of in de kelder schuilhielden voor de stuka's. Zoals Caby's vrouw en kind. Het was een fatale misrekening. Later verongelukte dokter Caby zelf, en sindsdien liggen ze samen in één graf, al jarenlang de rustplaats van drie voortijdig afgebroken levens.

Het graf van dokter Caby legt uit wat een kerkhof is. Een kerkhof is veel meer dan een ommuurd oord van dood en sterven en vergankelijkheid, en nog zevenentwintig clichés die altijd terugkomen in middelbare-schoolopstellen over de novembermaand, of vaker nog in slechte bezinningsteksten over Allerheiligen. Een kerkhof is het geheugen van een gemeenschap, haar verleden, haar heden, en je kunt er zelfs aan zien hoe het morgen zal zijn. De graven van de jaren zeventig zijn gevuld met zeventigjarigen, maar nergens vind je zoveel negentigjarigen als in de graven van de jaren negentig. De doden van gisteren vertellen over de vergrijzing die ons straks te wachten staat. En nergens zijn zoveel levendige verhalen te rapen als daar waar al die doden liggen. Ze liggen er zij aan zij, in volstrekt willekeurige volgorde, al die echtgenoten, de lieven, de buren, de concurrenten, de cafégangers, de roddeltantes, de kwezels, de vrijdenkers en de nonnetjes van het Bilzers klooster van het Heilig Graf. Op een kerkhof heeft iedereen met iedereen te maken.

Al die mensen hebben hun verhaal. Je kijkt, en je weet het weer. Hier die jongeman, Maurice Bijloos, zo jong nog toen hij stierf. Het was een tragisch ongeval in een gehuchtje van Bilzen. De naam alleen al leert over het nederige volk dat er ooit woonde: Natveld. De jaren vijftig en zestig brachten evenwel tot in de kleinste uithoek welstand en vooruitgang. En zo keek in de vroege jaren zestig Lena toe hoe haar enige zoon met zijn nieuwe auto naar huis kwam gereden. Hij moest alleen nog het spoor over, een onbewaakte overweg. Toen zag die oude vrouw voor haar ogen hoe de trein Antwerpen-Luik de wagen greep, en haar jongen. Een paar jaar later, in een tijd waarin nog geen gesubsidieerde kinderopvang bestond, was zij mijn 'onthaalmoeder', voor dat woord bestond. Zelfs als peuter raakte je ervan onder de indruk hoe godvrezend ze was, hoe ze bij ieder onweer snel de paternoster bovenhaalde en zich op het bed wierp, het gezicht naar beneden, om zo een onzevader te prevelen, de hemel smekend om bescherming tegen nieuw onheil, dat er blijkbaar altijd kon aankomen. Ik herinner me ook nog haar spierwitte haar. Je zou van minder.

Of daar, de broers Martens. Vlak bij elkaar, net zoals de ene ook kort na de andere stierf. Ze lijken op elkaar zoals alleen broers dat doen: dezelfde neus, hetzelfde ronde gelaat, dezelfde vorm van kaalhoofdigheid. Maar er zijn ook verschillen. Op de foto staat de ene breeduit lachend, als was hij goedgehumeurd uit het leven gestapt, en zijn twinkelogen zoeken nu al dertig jaar naar nog een laatste grap. Zijn broer kijkt nors, boos bijna, de blik is donker, haast wantrouwig. Zo zijn ze gestorven en zo leefden ze, altijd samen, altijd verschillend.

Samen waren ze uitbaters van wat in de volksmond 'het Bazaarke' heette. Officieel was het 'Bazaar Martens', een superette die het goed deed toen er in Bilzen nog geen GB was. In de winkel leek het erop alsof de ene op de zaak paste en de andere op de klanten lette. De foto van de ene lijkt contact te zoeken met al wie passeert, de beeltenis van de ander vraagt nadrukkelijk om met rust gelaten te worden. Nu net zoals toen, en zo zal het volgend jaar nog altijd zijn.

Ook zowat alle krantenverhalen liggen hier. Veel te veel weekendongevallen, vaak van jonge bestuurders, helaas. Zoals die kleuterleidster. Die jonge pedicure. En natuurlijk Geert, medeleider uit de tijd van de Chiro: net iets te snel gereden op een weg met één knik. Een valse knik, dat wist iedereen. Alleen vergeet je dat soms. Helemaal aan de overkant van het kerkhof, dat gezinsdrama, vier mensen in één graf, twee ouders, twee kinderen. Een begripvolle graftekst, want de vier grootouders zijn hun kleinkinderen kwijt, hun kind én de partner daarvan. Dat het door één oorzaak is dat ze daar met zijn vieren liggen, dat moeten de families 'van twee kanten' verwerken, en in dit geval (en voor zover de buitenwereld dat kan zien) bleven de bittere verwijten uit. Overal, hier en daar, medische krantenverhalen van moeilijk behandelbare kanker, van hart- en vaatziekten, van slepend afscheid en schielijk overlijden. De roekeloze motorrijder. De oude patriarch, stichter van een kmo-imperium. De zelfmoord. Dat staat niet op het graf, maar iedereen weet het en schudt droef het hoofd.

De wiegendood: hier en daar staat een groepje kindergrafjes. Er zijn er nog een paar oude, van de jaren vijftig tot midden jaren zestig. Sporen van witte kiezeltjes, restjes van lichtblauwe verf, plaasterwerk van engeltjes. Een gebroken vleugeltje. Ieder jaar, op Allerheiligen, brandt op een welbepaald minigrafje een rode lantaarn. De naam van het kind ken ik niet, de ouders heb ik nog nooit gezien, en ik weet niet of ze hun verdriet ooit hebben verwerkt. Maar dat ze veel gehouden hebben van hun ukje, en dat nog altijd doen, dat tonen ze ieder jaar opnieuw. Een discreet vlammetje, innige ouderliefde.

Iedereen heeft ook zijn 'eigen' graven: mensen om wie je geeft, niet omdat ze bekend waren maar omdat jij ze gekend hebt. Zo is er Pierre, een eenvoudige buurman, altijd in stofjas, met stoppelbaard, een sigaretje in de mond, een man die 'met de duiven speelde'. Op zijn begrafenis was de kerk te klein voor al het volk dat kwam. Spontaan gaf Bilzen een koninklijke uitvaart aan die kleine man. Of mijnheer Lormans. Hij heet Maurice, maar mijn ouders leerden hun kinderen beleefd 'mijnheer' te zeggen, en zo noemen we hem nog altijd als we onder elkaar herinneringen ophalen. Heel genegen: mijnheer Lormans. Een vriend des huizes, een 'mijnheer' in de beste betekenis van het woord, een fijne man, een rechtschapen mens. Bij het nieuws van de vernielde graven in Bilzen was dat ongeveer het eerste wat door mijn hoofd ging: 'Toch niet het graf van mijnheer Lormans' - het ligt vrij vooraan in het kerkhof, niet ver van de hoofdingang en op een hoek van een rij. Veel meer hebben vandalen niet nodig.

Pierre en mijnheer Lormans zijn het bewijs dat een kerkhof geen oord van droefenis alleen is. Niet dat het past om er grapjes te maken of hard te lachen. Net zoals in deze vroege decemberdagen een dun laagje vroege vrieslucht aan de Bilzerse graven kleeft, ligt er over kerkhoven altijd een pateen van tristesse. Maar een pateen is flinterdun. Een kerkhof heeft niets te maken met het zware velours van rouw en verdriet dat eigen is aan begrafenissen. Bij het graf van Pierre gaan de herinneringen misschien een paar seconden naar zijn dood, naar dat hartinfarct, als een dief in de nacht. Ze blijven veel langer hangen bij Pierre die we gekend hebben, 'bij leven en welzijn'. Wie het graf van Pierre ziet, denkt aan zijn duiven. En vooral aan hoe we, als kwajongens, speciaal onze bal in zijn vlucht vogels trapten, hoe die dan in een ster uiteenstoven en in geen halfuur meer in het hok te krijgen waren, hoe overtuigend Pierre ook 'Kom kom kom' riep en met het blik vogelzaad rammelde. Dan, maar ook alleen dan kon hij zich echt boos maken. Of dat hilarische verhaal over hoe hij en zijn zoon met elkaar zaten te kaarten in de keuken. Vader en zoon aan tafel, de aardappelen op het vuur, moeder Lisa nog even naar de winkel, een idyllisch tafereel. Tenminste, tot moeder terugkwam. De keuken hing vol rook, het fornuis stonk. De aardappels waren eerst drooggekookt, daarna aangebrand. Aan de graad van verkoling te zien minstens een halfuur. Pierre en Winand waren blijven kaarten. Zij, boos: 'Waarom hebben jullie niets gedaan?' Pierre: 'Ik dacht al: we rieken iets.' Zoon: 'We dachten: als ma maar rap terug is.'

Dát zijn kerkhofherinneringen. Vrolijk, en zelfs wijs, haast even leerrijk over de man-vrouwverhouding als sommige onderzoeksprojecten van de universitaire afdeling vrouwenstudies. Een kerkhof leert oneindig veel meer over het leven dan over de dood. Het gaat zelfs verder. Als ik aan die Pierre denk - en ik denk graag aan hem - is dat meestal wanneer ik begin november over het kerkhof stap. Rond Allerheiligen, zegt men, maar Allerzielen is beter. Allerheiligen is voor de allerbesten onder de katholieken, een feest voor de elite. Allerzielen is een veel realistischer feest, de herdenking van het gewone volk. Allerzielen, dat is allerzondaars. Op Allerzielen dus, dan denk ik wel graag aan hem. Op andere dagen zitten er immers massa's andere gedachten, ideeën en bekommernissen in mijn hoofd dan herinneringen aan Pierre. Eerlijk, Pierre is niet prioritair. Maar ik zou zijn beeld niet graag kwijt raken, en zonder kerkhof en het rituele bezoek daaraan zou de kans daarop groter zijn.

Daarom denk ik dat je na crematie sneller sterft dan wie begraven wordt. Nergens is dat zo duidelijk als bij de ontelbare graven aan de IJzer: de Britten op Tyne Cott en zoveel tientallen andere plaatsen, de Duitsers gegroepeerd in Vladslo en het wondermooie Langemark. Daar staan wel kruisen, maar zijn ze daarom religieus? Of vertellen ze vooral van een tijd die niet vergeten mag worden? Of de magie die uitgaat van een joods kerkhof, de fascinerende sfeer, de ontroering zelfs die oude stenen kunnen opwekken. Je hoeft echt geen chassidim te zijn om daar de joodse geschiedenis te voelen, hun kijk op het leven die verder gaat dan een generatie, hun verbondenheid, hun solidariteit met hun gemeenschap.

Dat laatste lijkt een immateriële waarde die vele progressieven zouden moeten delen. Merkwaardig genoeg zijn het in Vlaanderen vaak linkse politici die de kerkhoven 'zakelijk' menen te moeten benaderen: de concessies beperken in de tijd. Twintig jaar en dan de pletwals erover, dat heet 'modern'. Net zoals het in het moderne jargon van de deugdzame ambtenaar niet meer 'kerkhof' is, maar 'begraafplaats'. 'Begraafplaats' is namelijk neutraler. God weet wat voor een vrijdenker ik ben, welke ideeën ik heb over Hem en over sommige van de Zijnen, maar ik krijg het woord 'begraafplaats' slechts node uit mijn klavier. Het is een dood woord en het behoort, hoe levensbeschouwelijk correct ook, niet tot het gangbare taalgebruik. Het is bovendien een gedrocht van een term. Naar het schijnt hebben vooral vrijzinnige exegeten op het gebruik ervan aangedrongen, omdat kérk-hof, weet je wel, toch niet kan in dit ontzuilde Vlaanderen.

Laat het precies dezelfde vrijzinnigen zijn die het al jaren de hoogste vorm van vrijzinnigheid vinden om na hun dood hun lichamen vooral niet te begraven maar te laten cremeren. Velen verkiezen zelfs asverstrooiing boven bijzetting in een columbarium. Dat ritueel vereist alle respect, en iedereen kiest de uitvaart die het best met zijn of haar gezindte strookt. Maar dat men begrafenissen of kerkhoven niet afdoet als minder correct, of minder progressief, of semi-christen-democratisch. En dat men ophoudt met schijnheiligheid: officieel mag het geen kerkhof meer zijn, maar iedereen zegt het wel. Officieel moet het begraafplaats zijn, en zij die daar een punt van maken, laten zich bij voorkeur niet begraven. Maar misschien hoort dat zo in het land van wijlen Magritte. Surrealisme tot in de kist.

Ik beken: ik héb iets met dat kerkhof van Bilzen. Mijn allereerste kennismaking gaat terug tot maart 1973. Het was een treurige dinsdag, want mijn grootvader werd begraven. Bompa lag eerst een paar dagen in zijn eigen woning opgebaard, en vervolgens stapte de familie achter de begrafenisauto naar de kerk. Amper een jaar voordien hadden we met zijn allen hetzelfde parcours van huis naar kerk al eens afgelegd, maar toen werden bompa en bomma rondgereden in een oldtimer, een feestelijk ritje ter gelegenheid van hun gouden bruiloft. Al gaven de Belgische vlaggen die voor de begrafenisauto uit werden meegedragen door andere oud-strijders - zo ging dat telkens als een van hen stierf - deze tweede tocht naar de kerk een aparte waardigheid. Mensen bleven staan om te kijken, en wij waren stiekem maar wat trots op onze grootvader-oud-strijder. Hij heette bovendien ook Albert, net zoals de koning-ridder, onze bompa-soldaat.

De priester wachtte ons buiten op. De eerste gebeden, een kruisteken met wijwater, en dan de kerk in. De familie stapte in doodse stilte op naar de lege, voorbehouden plaatsen op de eerste rijen. En ineens kwam de schok, onvoorbereid: het kerkkoor hief ineens 'Uit diepten van ellende' aan. 'Uit diepten van ellende' is het vreselijkste, pijnlijkste, in zekere zin ellendigste lied uit het katholieke repertoire. Het ging door merg en been. Dat kwam vooral omdat men bij begrafenissen niet over de 'gewone' zondagse zangers beschikte (die mannen waren op weekdagen aan het werken) en men dus het 'Koor van de Gepensioneerden' inzette: zestig- en zeventigjarige heren en - vooral - dames, die met hun oude, krassende stemmen vol overgave een krijsend gezang aanhieven. Zo smeten ze ons van op het hoge oksaal van de kerk een huiveringwekkend 'Uit diepten van ellende' in de nek. Mensen toch. Zelfs toen ik later, als twaalfjarige, al een kleine honderd begrafenissen had meegemaakt (jawel, honderd, daarover straks meer) maakte 'Uit diepten van ellende' iedere keer opnieuw zijn naam waard. Telkens weer zag je de familie ineenkrimpen, pas op dat moment in het volle besef dat hun dierbare de absolute nietigheid tegemoet ging.

Pas later begreep je dat dit de kracht van de liturgie is. Het lied is de Nederlandse vertaling van het aloude 'De Profundis'. In de film Amadeus zie je een stervende Mozart en concurrent-componist Salieri samen bezig aan hun versie van dit lied, vlak voordat het Weense wonderkind zelf in een armengraf verdwijnt. Het is erg bekend en ook buiten katholieke kringen gewaardeerd. In een van zijn boeken vertelt Hugo De Ridder hoezeer het Guy Spitaels speet dat hij op de begrafenis van zijn dochter dit 'De Profundis' niet kon laten horen. Maar voor een PS-voorzitter paste dat zogezegd niet. 'De Profundis'/'Uit diepten' is een lied dat dient om aan te geven dat het echt voorbij is. Het is wanhoop op muziek. Het klinkt wanneer de kist de kerk wordt binnengedragen. 'Aanhoor mijn schreien en mijn smeken, Heer', teemt het koor. Pas dan neemt de priester over. Helemaal op het einde van zo'n begrafenismis klinkt het heel anders. De plechtigheid heeft haar beloop gehad, de priester heeft tijdens de homilie herinnerd aan het leven van de aflijvige, soms in pakkende, soms in treffende, soms in banale verwoordingen, de offergang is afgelopen, het laatste defilé voor de kist, en dan is het, nu ja, dan is het tijd. Het laatste vertrek, richting kerkhof.

In Bilzen was het dan de beurt aan de oude kapelaan Martens, een man met een warme, galmende stem. Weg de kleine mens die een uur voordien nog in 'diepten van ellende' zat. Nu is de tijd gekomen van de engelen en het hemelvolk. In zijn eentje vulde kapelaan Martens de kerk wanneer hij, solo en a capella, 'Ten paradijze' inzette - ook Nederlands, maar ook een vertaling van het even klassieke 'In Paradisum'. Martens zet in, het orgel neemt over, majestueus en plechtig, om zingend en zalvend te laten weten dat 'de engelen' de dode begeleiden. En terwijl de dragers de kist de kerk uit torsen, de mensen (althans zij die bleven zitten nadat ze het doodsprentje hadden gekregen) rechtstaan en de familie snikkend de kist volgt, legt dat plechtige lied het reisdoel uit: 'Het eeuwige Jeruzalem'. Wie dan nog geen tranen in de ogen heeft, is een slecht mens.

Gelouterd vertrok de stoet dan voor de laatste etappe naar het kerkhof. Later werd ik misdienaar en 'deed' ik in een jaar of drie, vier tijd wel honderd begrafenissen. Je mocht dan immers, als misdienaar, rond tien uur de klas verlaten, en de school zat er dan op voor die voormiddag. Zeker voor een jongen uit een gezin dat zondags trouw ter kerke ging, was er overigens al van in de eerste jaren van het lager onderwijs de brandende wil om misdienaar te worden. Net zomin als de kruisen op de IJzervlakte een verhaal van God vertellen, was die ambitie van diepreligieuze aard. Het was een buitenkans, zeker voor een generatie die in haar eerste bewuste tv-jaren De Witte als misdienaar bezig had gezien in Wij heren van Zichem. Alleen had onze kapelaan dat feuilleton eveneens gezien. Kapelaan Stals was een pedagogisch genie. De eerste dag dat we misdienaar waren, gaf hij ons prompt zelf een ampulletje miswijn. Eén: de kick van het aan de wijn zitten was meteen weg. Twee: miswijn bleek veel minder lekker dan Coca-Cola.

Dus amuseerden we ons maar met 'onze job': missen dienen, en om de hierboven geschetste redenen ook veel begrafenissen. Zelfs een twaalfjarige leerde daar veel bij over het leven. Als in de homilie gezegd werd 'dat het met vader niet altijd gemakkelijk leven was', dan was de kans groot dat vrouw en kinderen ooit slaag hadden gekregen. Als evenwel 'vader graag een pintje dronk', ging het om een gezelligheidsmens - in het andere geval had de priester wel zijn mond gehouden. Als moeder 'veel tegenslag had gekend', dan verborg dat onnoemelijke droefenis. Na de mis trokken we in die tijd naar het kerkhof: voorop de priester, geflankeerd door twee misdienaars, dan de wagen van de begrafenisondernemer, en daarachter de familie.

Hoeveel keer zou ik het traject tussen kerk en kerkhof afgewandeld hebben? Van de Sint-Mauritiuskerk op de markt, in langzame pas, door de Onze-Lieve-Vrouwstraat, de Genutstraat en de Sint-Lambertuslaan het centrum van Bilzen uit, de treinovergang voorbij. Daar, vlak achter de spoorlijn, ligt het bewuste kerkhof. Die voettocht deed deugd. Het waaide altijd op de straat over het spoor, en de wind droogde de tranen. Ja, er was intens verdriet aan het graf, bij de naaste familie. Als misdienaar moest je de kwast met wijwater aanreiken. De truc was: niet in de ogen kijken - dan was de kans te groot dat je het zelf moeilijk kreeg, zeker bij mensen die je kende. En in een klein stadje als Bilzen kwam dat nogal eens voor.

Zo ging je reeds als twaalfjarige 'instrumenteel' om met de dood. Na een begrafenis of twintig hoorden misdienaars, hoe jong en onvolwassen ook, bij de habitués op het kerkhof. We gedroegen ons ernaar. Dag zeggen tegen de begrafenisondernemer, een knikje voor de grafdelver. Na een tocht door de striemende regen gaf de begrafenisondernemer ons ooit een lift terug naar de kerk, naar de sacristie, waar ons jassen hingen. Kapelaan Stals mocht vooraan zitten, de twee misdienaars hadden alleen achteraan plaats, in 'de bak', waar tien minuten voordien de kist nog stond.

Laat onze kerkhoven dus met rust, laat die graven staan, de rijke en de eenvoudige, de marmeren, de arduinen en de houten kruisen. Laat ze hun verhaal vertellen, ook aan wie het nog nooit gehoord heeft. Laat ze kinderen tonen waar ze vandaan komen. Op dit kerkhof steekt mijn kroost meer op van familie die ze nooit gekend hebben, zoals hun overgrootouders van vaderszijde, dan aan de hand van oude foto's thuis. Het is anders nog niet zo vaak voorgekomen dat ik met mijn zoon van zeven en dochter van vijf over de IJzer heb gesproken. Wel op het kerkhof van Bilzen. 'Waarom is er een Belgische vlag aan het graf van jouw bompa?' 'Omdat die soldaat is geweest.' 'Heeft die gevochten?' 'Jawel.' 'In een echte oorlog? Geschoten?' 'Jazeker.' En dan kijkt mijn zoon, dertig jaar na zijn papa, vol bewondering naar de voorvader-soldaat.

Ook het verhaal van het gezin van dokter Caby, dat al decennia dood is, kan de ukken aan mijn hand nog altijd boeien, zeker als ze kijken naar het zerkje van dat kind, een leeftijdsgenootje, maar wel vijfenzestig jaar ouder. Zo houdt een kerkhof een familie samen, een gemeenschap, een dorp, een gemeente, een wijk, een parochie. En dat hebben die gasten (laten we aannemen dat het jongens zijn) bijna kapotgemaakt. Ze hebben een spoor van vernieling getrokken in herinneringen, in levenslessen, in relaties en sociale verbanden. Ze verbrijzelden wat Bilzen bindt. Als de daders gevat worden, verdienen ze dan ook een gepaste straf, bij voorkeur nabij die diepten van ellende.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234