Vrijdag 24/09/2021

Gebeten om te meten

'Hij houdt van spektakels, van feesten, van alles wat tot de zintuigen spreekt', schreef kort voor het begin van de twintigste eeuw een Brusselse antropoloog over de Vlaming. 'Hij heeft de ruwe moraal van primitieve volkeren.' Zijn collega's wijdden hun aandacht zowaar aan een 'antropologische analyse van de gemeenteraadsverkiezingen'. Niet om de Vlaming van feestcheques te voorzien, maar om iets te doen aan zijn degeneratie en het voortbestaan van de natie. Degeneratie in België legt voor het eerst de remedies bloot waarmee onze moderne samenleving iets bijzonder bedreigends wilde bezweren: de angst voor zichzelf.

Je vraagt je af wat ze door het hoofd ging, de bewoners van het Oost-Vlaamse dorp Mendonck, toen hun op het einde van de negentiende eeuw gevraagd werd te poseren voor de lens van de antropoloog Emile Houzé, en of ze ook maar enigszins bevroedden dat het deze geleerde, die hen zowel frontaal als in profiel liet kieken, niet zozeer om hun persoon te doen was, ondanks de fraaie knevels en het beste pak of kleed waarin ze zich gestoken hadden voor ze de fotograaf zijn werk lieten doen. Het ging ook Houzé om, onder andere, hun hoofd. Niet meteen om wat erin omging, maar hoe het eruitzag, en hoe groot hun afwijking was van de schedelproporties der typische Vlaming, volgens hem en vele anderen in essentie dolichocefaal, langschedelig, in tegenstelling tot de hoofden der inboorlingen van Wallonië.

In 1897, toen die foto's genomen werden, leefden beide groepen al bijna veertig jaar als één volk onder één kroon, maar ze behoorden volgens vele antropologen duidelijk tot een ander ras. Houzé was niet meteen dol op de Vlamingen. Ik vermoed dat hij zichzelf meer brachycefaal zou hebben gevonden, in essentie voorzien van een gezonde rondere kop - als hij tenminste ooit de tijd heeft genomen om zijn eigen cefalische index op te meten, dat wil zeggen de relatie tussen de grootste breedtediameter en de grootste lengtediameter van het hoofd. Rasvermenging en invloeden van het milieu hadden in de tijd dat hij met het fototoestel de boer op ging de verschillen tussen beide inwoners van België wazig gemaakt, er was sprake van een zekere degeneratie, en de man hoopte door zijn metingen toch de oorspronkelijke kenmerken van elk ras te kunnen reconstrueren.

Het is buitengewoon gemakkelijk om de motieven, methodes en opinies van iemand als Emile Houzé meer dan honderd jaar na dato met een superieure ironie naar de rariteitenkast van de wetenschap te verwijzen of ze moraliserend te gaan bekijken. Termen als ras en degeneratie hebben voor ons een op zijn minst dubieuze bijklank. Wetenschappelijk gezien worden ze vandaag grotendeels betekenisloos geacht, maatschappelijk of politiek deinzen zelfs de meest extreem-rechtse politieke families ervoor terug om ze al te onverbloemd in de mond te nemen.

Een eerste verdienste van Degeneratie in België is dat het niet in die twee voor de hand liggende valkuilen trapt, maar de geschiedenis van het degeneratiebegrip ontbloot vanaf het ogenblik, rond het midden van de negentiende eeuw, dat de term ingang vond, en hoe dat begrip vervolgens, binnen een specifieke Belgische context, vanuit de geneeskunde steeds meer domeinen van het wetenschappelijke, algemeen maatschappelijke en ook artistieke en politieke veld binnendrong, en een vlag werd die vele ladingen heeft bedekt. Het begrip degeneratie was van bij dat begin zowel omschreven als vaag genoeg om door vele groepen en personen, met enig conceptueel duw- en trekwerk, te worden bijgeschaafd tot een instrument waarmee het ontstaan en de verdere ontwikkeling van de moderne samenleving kon worden betreurd en bevochten, of aanvaard en bijgestuurd.

"Voor conservatieven was de eigentijdse degeneratie te wijten aan de invloed van de moderniteit", stellen de samenstellers van het boek in hun inleiding. "Wie zich progressief noemde, zag degeneratie als een harde natuurwet die schreeuwde om een rationele aanpak. In beide gevallen was er sprake van een zeer ambivalentie houding tegenover de eigentijdse maatschappij. Aspecten van de moderniteit werden bestreden met verworvenheden die graag met diezelfde moderniteit werden geassocieerd." Men betreurde, om het wat korter door de bocht te formuleren, allerlei veronderstelde uitwassen van de moderne samenleving, probeerde die uitwassen met moderne middelen te meten en in kaart te brengen, in de hoop er vervolgens op een moderne manier iets aan of tegen te doen. Dat paradoxale gegeven trekt het spanningsveld open dat de rode draad vormt in alle bijdragen aan het boek.

Over veelkantige begrippen als degeneratie is al vaker geschreven, maar voor zover ik weet nog niet eerder op een systematische manier en al evenmin specifiek over de invloed ervan in België. Nogal wat publicaties bezien het begrip vrij snel in het licht van wat er in de jaren dertig en veertig in nazi-Duitsland is gebeurd, met het sterilisatie- en eliminatieprogramma van allerlei 'onwaardig' en 'erfelijk belast of bedreigend gevonden' individuen als bijvoorbeeld zwakzinnigen, en, ten slotte genocide. Maar minstens even belangrijk als de vraag waarom en hoe een geheel van doctrines en veronderstellingen in de wetenschappen en daarbuiten in Duitsland op elkaar in begonnen te grijpen en uiteindelijk leidden tot onder andere de holocaust is de kwestie waarom dat elders niet gebeurde, en vooral; begrippen die in verschillende landen, in verschillende groepen en individuen op verschillende tijdstippen verschillende betekenissen konden dragen uitsluitend bezien als straatstenen op de snelweg naar de Endlösung vertekent meer dan het verduidelijkt.

Het begrip degeneratie werd in 1857 klaargestoomd voor een lange en zeer gevarieerde carrière in de moderne westerse cultuur door de Fransman Bénédict Augustin Morel, een der groten uit de geschiedenis van de psychiatrie, de discipline die niet alleen in de Verlichting, de wieg van de moderniteit, het leven zag, maar ook de idealen ervan belichaamde en tevens blijk gaf van haar dubbelzinnigheden. Morel ontdeed het begrip, stratenoud als het was, van oudere, niet zelden bijbelse connotaties en wist het, door het op te vatten als een intergenerationeel verschijnsel waarbij de ontaarding van een individu zich via overerving op zijn nakomelingen voortzette, grondig te moderniseren. Juist deze erfelijke overdracht noemde hij dégenérescence, of degeneratie. Het verschijnsel kon zich zowel fysiek als psychisch als op moreel vlak manifesteren, vaak in samenhang, en diende, wilde men vermijden dat de samenleving er op termijn aan ten onder ging, te worden behandeld en voorkomen, vooral door haarden van ontaarding te lokaliseren en de levensomstandigheden te verbeteren. Vergeleken met zijn vele discipelen was Morel ten gronde hoopvol gestemd. Degeneratie was een omkeerbaar gegeven. Anderen waren stukken pessimistischer, richtten zich niet op de omgeving maar op de individuen, en bepleitten hun verwijdering uit het openbare leven, bijvoorbeeld in gestichten. De geboorte van de psychiater als poortwachter van de maatschappelijke stabiliteit was daarmee een feit, en het degeneratiebegrip kon aan zijn verovering van die maatschappij beginnen.

Degeneratie in België onderzoekt niet alleen hoe het begrip door artsen en antropologen werd opgerekt om er uiteenlopende zaken als bijvoorbeeld alcoholisme, tbc en syfilis met elkaar mee in verband te brengen. Een ander deel volgt het ingewikkelde parcours dat het begrip aflegde in het grensgebied tussen de wetenschappen en de kunsten. Zelfs een triomfante titel als 'artistiek genie' kon niet aan de aantrekkingskracht van het degeneratiedenken ontkomen. Voor de een was genialiteit een teken van intellectuele superioriteit; voor de ander een uitwas met gelukkige uitkomsten, als tegenpool van de idioot een te koesteren afwijking, wat niet weinig kunstenaars hebben uitgebuit door hun talent te verantwoorden als een gevolg van vermeende ziekten of overgevoeligheid en door er de decadente levensstijl van zichzelf of de hoofdpersonages van hun romans mee te rechtvaardigen. De aan zijn eigen verfijning wegterende graaf Des Esseintes in Huysmans' A rebours deed net als zijn schepper zijn voordeel met zwakke zenuwen. "God is degene die alleen is", schreef Georges Rodenbach over Baudelaire, "en men zou hetzelfde kunnen stellen van de geniale mens." De beeldende kunsten konden al evenmin weerstaan aan de verleiding om de neurose ten dans te vragen. Rops, de man die het decadente indien niet uitgevonden dan toch tot wulpse hoogten heeft gevoerd, stelde zijn zenuwstelsel dusdanig bloot aan het mondaine en jachtige stadsleven van Parijs dat zelfs hij er op den duur voor terugschrok. "Ah, was ik maar verlost van mijn onrustige en koortsachtige karakter. Was ik maar niet opgesloten in de serres van het leven", schreef dan weer de onvolprezen Spilliaert, schepper van etherische Oostendes en doodsdoordrongen zelfportretten, aan een vriend. In Serres chaudes van Maeterlinck bereikt het beeld van de broeikas een hoogtepunt. Onder het glas, in de hitte, brak de nieuwe tijd zich uit de vochtige aarde te voorschijn, maar het bleef vechten tegen de schimmels.

"Niets is zo weerzinwekkend als een dronken vrouw", schreef een even verbolgen als bezorgde arts. "Kan men nog enige eerbied voelen voor een man die drinkt; een vrouw verliest in die omstandigheden elk recht op respect en sympathie." Vooral wanneer de dames zich begaven aan de toverachtige groene likeur met de naam absint en diens verdovende ingrediënten voltrok zich in de mening van de geneeskunst en de verhitte verbeelding der kunstenaars haar snelle en onafwendbare transformatie tot een femme fatale die de man met haar lichamelijke en mentale verdorvenheid onweerstaanbaar tot genot en destructie verleidde. Het ironische, of, in dit geval, betekenisvolle is dat het absintverbruik in België altijd marginaal is geweest. Dat geldt overigens ook voor het alcoholisme. Voorlichtingscampagnes, zedenpreken, wetgevingen, dreigende affiches en dies meer zouden ons makkelijk kunnen doen veronderstellen dat de borrel in onze gewesten een plaag van Egyptische proporties ontketende, maar de werkelijk cijfers zijn behoorlijk nuchter. Degeneratie in België is met andere woorden in vele opzichten de geschiedenis van een hersenschim die werd voorzien van voetnoten, wetenschappelijke allure en een likje excentriciteit. Een begrip met een veelzijdig maar altijd dubbelzinnig charisma. Al is het intussen, mede door die veelzijdigheid, langzaam opgelost in de tijd, toch zouden de hedendaagse pedagogiek, de moderne school, wie weet zelfs het fitnesscenter en onze gezondheidsmanie niet zijn wat ze vandaag zijn zonder die voorgeschiedenis. Want ondanks alle angsten en vooroordelen, hebben behoudsgezind en progressief, met en tegen de degeneratie, de moderne samenleving steeds moderner gemaakt, en nog altijd even zegenend als vermoeiend.

Erwin Mortier

Jo Tollebeek, Geert Vanpaemel en Kaat Wils

(redactie)

Degeneratie in België

Universitaire Pers Leuven

319 p., 36,50 euro.

Antropoloog Houzé hoopte op het eind van de negentiende eeuw met schedelmetingen de oorspronkelijke kenmerken van Vlamingen en Walen te reconstrueren Niet weinig kunstenaars hebben het degeneratiedenken uitgebuit door hun talent te verantwoorden als een gevolg van vermeende ziekten of overgevoeligheid

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234