Zondag 18/08/2019

Geachte minister Gatz,

Wat opvalt, is het optimisme. In de brieven, geschreven op onze vraag, van Stijn Meuris, Dimitri Leue, Michael R. Roskam, Ann Demeester en Christophe Van Gerrewey aan kersvers cultuurminister Sven Gatz (Open Vld) is van scepsis weinig spoor. Wel hebben ze ideeën.

Dimitri Leue

Hooggeachte mijnheer de minister,

Beste Sven.

De portefeuille van Cultuur werd door de grote Vlaamse partijen doorgespeeld aan u. Dat leek me in eerste instantie vreemd, omdat net die twee andere partijen veel lawaai maken als het over 'den Vlaamse cultuur' gaat, waar uw partij nog opteert voor een spreidstand.

Ik ben bijzonder blij dat Cultuur bij u is terechtgekomen. Niet alleen omdat de vorige blauwe minister van Cultuur, Patrick Dewael, misschien wel de beste beëdigde was die Vlaanderen ooit gehad heeft in die functie, maar ook omdat uw partij nu dankzij uw voorzitter een positieve uitstraling geniet. U hebt nog een derde troef: u komt uit de wereld van het bier, een wereld die de meeste acteurs bijzonder goed kennen. En als Vlaamse Brusselaar weet u hoe het is om voor de Vlaamse cultuur te strijden.

Ik ga er dus van uit dat u op een positieve manier zult strijden voor iedere euro. We zien hoe er de afgelopen jaren gesnoeid, geknipt, gemaaid en ontworteld is. Er werd gekozen om met minder geld meer gezelschappen te subsidiëren. Wij zijn de creatieve sector, dus wij vinden oplossingen, dat klopt. Maar de grens van de grens is de grens, dat stopt.

Wilmots is een godsgeschenk voor het Belgische voetbal, maar zonder zijn entourage was hij gewoon een man in pak die wel eens graag in de regen wandelt. Ik hoop dus dat u uw medewerkers goed kiest. Mensen die houden van cultuur. Mensen die open kijken, die aandachtig luisteren en die kunnen denken met hun hart. Een empathisch kabinet waar de mensen tijdens de lunch met elkaar praten over de voorstellingen die ze gezien hebben. Cultuur becijferen is dodelijk.

Een voorstelling die altijd is uitverkocht, is daarom niet beter dan een voorstelling met weinig volk. Waarschijnlijk spelen er bekendere acteurs in mee en is de promotie beter. Het zegt niets over het niveau van de voorstelling. Laat u dus niet leiden door getallen. Gevoelens lijken mij een veel betere raadgever. Uiteraard kunt u niet alles zelf zien, net zomin zult u elk Belgisch bier geproefd hebben. U moet er gewoon voor zorgen dat u genoeg ogen hebt om alles te zien. Ogen die u kunt vertrouwen.

De combinatie van uw portefeuille lijkt mij interessant voor kruisbestuivingen. Cultuur en Media. Dat cultuur alle media kan gebruiken is duidelijk. Omgekeerd zou een beetje meer cultuur in de media ook niet slecht zijn. Het lijkt wel dat een oppervlakkige, westerse cultuur de norm wordt.

Cultuur en Jeugd. Wat een mooie combinatie is dat? Ik weet dat u jeugdtheater een warm hart toedraagt, ik hoop dan ook dat u deze sector stevig zult ondersteunen.

Cultuur en Brussel. Ook interessant. Als Vlaams minister van Cultuur de diversiteit van zo'n grootstad uitspelen. Minister van Multicultuur dus.

U hebt de kans om accenten te leggen. Maar een beginnend pianist mag al blij zijn als hij de partituur gespeeld krijgt. Accenten? Hoe begin je daaraan? Je moet de partituur door en door kennen. Uit het hoofd. Dan kun je accenten leggen.

Neem de tijd om het veld te leren kennen, ga niet af op prachtig geschreven dossiers maar op de voorstellingen zelf. Niet iedereen is een begenadigd dossierschrijver. Geniet van uw portefeuille.

Laat u ontroeren, inspireren, ontspannen, prikkelen, borrelen, stomen, gaan.

Ik wens u een prachtige periode toe als minister. Geniet van ons werk. U hebt er tenslotte voor betaald. Tot in de zaal!

Dimitri Leue, een van de vele theatermakers van Vlaanderen

---

Stijn Meuris

Geachte minister van Cultuur,

Beste Sven,

Mij werd gevraagd even na te denken over wat u specifiek zou kunnen bewerkstelligen binnen de Vlaamse muzikale scene. Nou, dat is nogal een vraag. Ten eerste ben ik van mening dat de muzieksector niet meteen méér centen nodig heeft. Dat mag u alvast als goed nieuws beschouwen, vermits ik vermoed dat er ook niet meer geld zal zijn. Sta me toe deze boude stelling toe te lichten.

Het getuigt van een onwrikbare logica van de spelers uit het werkveld om bij het aantreden van een nieuwe minister (op eender welke post) ruimere budgetten te vragen. Uiteraard is dat vaak een listig manoeuvre om, na veel geschipper en verontwaardiging, een werkbaar compromis uit de brand te slepen.

Niks op tegen, uiteraard. Maar bij muziek werkt het gedeeltelijk anders. Over hoe het er concreet bij de gesubsidieerde orkesten, fanfares, muziektheaters en festivals aan toe gaat, kan ik weinig zeggen. Wellicht anders dan in de pop- en rocksector. Bij die laatste is er volgens mij alvast niet langer nood aan nog meer overkoepeling, organisatie en structureel personeel. Het kan aan mij liggen, maar de pop- en rockorganisaties die er nu al zijn, dreigen uit te groeien tot mini-ministerietjes die uiteindelijk vooral de instandhouding van zichzelf tot doel hebben - al valt te verwachten dat ze dat zelf anders zien.

Waarmee niet gezegd is dat dergelijke instanties geen nut hebben: het was goed dat er in de afgelopen jaren structuur kwam in het stilaan onoverzichtelijke woud van sectoriële koepels en subkoepels. Maar nu mag het ook wel eens over de artiesten zelf gaan, en minder over studiereizen, sectormeetings en brochures. Het is een aardig verzetje dat sommige van onze veelbelovende rockgroepen met een steuntje in de rug af en toe naar een buitenlands showcase-festival kunnen, maar zeg me in welk geval dat daadwerkelijk geleid heeft tot een zogenaamde 'doorbraak' die er aantoonbaar middels die steun is gekomen. Ik ken ze niet.

Nochtans: onze pop- en rockmuzikanten (bij gebrek aan een betere term zal ik ze zo eng maar omschrijven) produceren jaar na jaar muziek en concerten waar ze in een aantal ons omringende landen met een jaloers oog naar loeren. Dat is niet iets wat ik beweer: ook publiek en media lijken het daarover eens te zijn. Muzikale branie, durf, vernieuwing en een bijna typisch Belgische scherpte: het zijn termen die vaak van toepassing zijn om te beschrijven dat wat wij hier doen volstrekt anders is dan in pakweg Nederland en - godbeware - Duitsland. We durven meer, en we doen dat anders. Dat dat artistieke lef zich niet meteen vertaalt in een trits internationale hits: jammer maar helaas. Het buitenland weet niet wat het mist, zullen we maar zeggen.

En dus denk ik dat eventuele financiële steun vanuit de Vlaamse overheid vooral dáár naartoe moet gaan. Naar het concreet (deels) financieren van bands en muzikanten, zonder dat het echter op een onaantastbare subsidiecultuur gaat lijken.

Uw welgekomen duwtje in de rug hoeft zich dus niet te vertalen in nieuwe structurele verenigingen met een te zware overhead-kost, want het kan ook anders: door op slimme wijze projecten, productierepetities en opnames te ondersteunen. Met korte lijnen tussen artiest en overheid en zonder al te veel gedoe in het midden. En niet altijd geforceerd gericht op een vaag succes-in-het-buitenland, maar ook en vooral op wat we hier in ons land kunnen bereiken. Klinkt dat provinciaal? Neen, dat klinkt vooral realistisch en werkbaar. Het heilige buitenland zal wel volgen eenmaal die echte hits geschreven zijn en onze vooruitstrevende artiesten een zelfverzekerde smoel en uitstraling hebben ontwikkeld. Met of zonder steun.

Mag ik u alvast een boeiend en artistiek ministerschap wensen. Iets zegt me dat dat gaat lukken.

Namens de Vlaamse pop- en rockscene, Stijn Meuris

---

Christophe Van Gerrewey

Geachte minister van Cultuur,

Cultuurpolitiek is eenvoudig voor wie er logisch over nadenkt. Gemeenschapsgeld wordt besteed aan kunst en literatuur. Welke kunst en literatuur? Het is absurd om te investeren in cultuur die zonder overheidssteun kan floreren. Alleen wat niet op eigen kracht levensvatbaar is, moet gesubsidieerd worden. Projecten met een groot publieksbereik hebben geen overheidsgeld nodig, en omgekeerd zou een groot publieksbereik subsidie overbodig maken.

Dat neemt niet weg dat zoveel mogelijk mensen toegang moeten krijgen tot kunst en cultuur - maar het garanderen van die mogelijkheid voor elk individu primeert op effectief massale participatie.

De kritiek op dit evidente uitgangspunt ligt voor de hand: als bijvoorbeeld een literair tijdschrift niet op eigen kracht uit de kosten komt, dan is het waardeloos; alleen evenementen waar zo veel volk naar komt kijken dat er van zelfbedruiping sprake is, verdienen steun, zodat nog meer mensen van die massaal door het volk genoten cultuurvorm genieten, en zodat in een ideale toekomst nog slechts één cultuurvorm overblijft die door iedereen glimlachend wordt gedeeld. Een dergelijke tegenwerping is gebaseerd op twee overtuigingen: een verdoken religieus geloof dat alles in onze samenleving door een onzichtbare hand in goede banen wordt geleid, en de gewelddadige regel dat minderheden zich aan de meerderheid moeten aanpassen.

Tegelijkertijd wordt één fundamenteel probleem over het hoofd gezien: de Nederlandse taal, en de treurige, microscopische kleinschaligheid van het Nederlandse taalgebied. Los van de grote kwaliteiten, de prachtige verwezenlijkingen en de unieke eigenschappen van de Nederlandse taal, is het een onverdeelde vloek om het Nederlands als moedertaal te hebben - als schrijver, als lezer, maar ook als mens. Precies omdat zo weinig mensen Nederlands spreken (in vergelijking met het Engels, Frans of Duits) worden de mogelijkheden van deze taal versmachtend ingeperkt.

In het Engels, Frans of Duits bestaan er bijvoorbeeld economisch winstgevende en papieren tijdschriften met delicieus lange boekbesprekingen en verhalen, zonder onbenullige interviews, gestileerde foto's en betuttelende tussentiteltjes. Een beperkt percentage van de Engels-, Frans- of Duitstaligen is hierin geïnteresseerd en vindt het lezen van zulke tijdschriften een zinvolle en plezante bezigheid. Toch is dat percentage groot genoeg (ook dankzij de vele lezers die het Engels, Frans of Duits niet als moedertaal hebben) om pakweg de London Review of Books winstgevend te maken.

In het Nederlandse taalgebied (ook omdat nauwelijks iemand buiten de Benelux eraan denkt een Nederlandstalig tijdschrift te lezen) is dat percentage helaas niet groot genoeg. Wie desondanks gelooft in de kracht van het getal en van de onzichtbare hand, die vindt dus dat dit percentage geen bestaansrecht heeft of dat het genoegen moet nemen met anderstalige literatuur en cultuur. Met ingrijpende gevolgen: het Nederlands wordt geamputeerd; armen en benen worden verwijderd, zodat er een hulpeloze romp van een taal overblijft, slechts in staat tot wauwelend en kwijlend vegeteren.

Iedereen weet dat wij onvermijdelijk in en door onze taal leven. Niet alleen de correctheid of de verzorgdheid van die taal is belangrijk, ook wat ermee gebeurt, en wat ermee wordt gedacht en gedeeld, bepaalt het leven van die taal en van de mensen die haar noodgedwongen spreken. Ja, misschien is dat nog de beste definitie van literaire cultuurpolitiek: het leven beter en minder uniform maken door oneigentijds en ongehoord taalgebruik te stimuleren.

Christophe Van Gerrewey, schrijver

---

Ann Demeester

Beste minister,

In het Nederland van na de culturele 'Total Recall' die werd uitgevoerd door het kabinet-Rutte I, wijst de Raad voor Cultuur in zijn onlangs gepubliceerde verkenning van het culturele veld op een aantal trends en feiten die u in die geest hopelijk ook ter harte zult nemen.

Cultuurbeleid wordt, zo schrijft de Raad, steeds meer gedreven door economische rationaliteit en redeneert steeds vaker vanuit lands- of in het Belgische geval communautaire grenzen. Los van politieke voorkeuren zou cultuurbeleid net gestoeld moeten zijn op de diepe overtuiging dat wij wereldburgers zijn en dat het vermogen van de kunstenaar om - nu eens in mooie schilderijen of verleidelijke beeldhouwwerken, dan weer in onleesbare teksten of verwarrende installaties - de menselijke ervaring te analyseren en vorm te geven een ontontbeerlijk iets is. Onmisbaar, hoe 'luxueus' en overbodig het ook lijkt in een wereld die in staat van permanente crisis verkeert.

Ik had u in dat licht op duizend dingen willen wijzen: dat niet alleen de grote instellingen zoals musea aandacht en middelen behoeven maar dat een kapitaalsinjectie in het MKB - de kleine middenstanders van de kunst, middelgrote instellingen - essentieel is; dat matching een ideaal instrument is om private financiering en particuliere giften te financieren; dat onderzoek binnen de kunsten minstens zo vitaal is als wat aan 'de mensen' getoond kan worden.

Ik kies ervoor om te focussen op één gegeven: op de 'menselijke machine' zonder wie het culturele systeem tot stilstand zou komen. Et oui: de kunstenaar. Het is eenvoudig, maar mijns inziens stelt een gezond en transparant cultuurbeleid de kunstenaar, en niet louter het publiek of de instelling, centraal. Er hoeven geen standbeelden of monumenten voor de kunstenaar te worden opgericht, maar er moet wel te allen tijde in zijn of haar levensbehoeftes worden geïnvesteerd. Kunstenaars kampen met een stijgende verborgen werkloosheid en onderbetaling. Tegelijkertijd zijn zij de motor van ons culturele systeem. Je kunt goed voor de kar zorgen en het paard vergeten.

In het opperste echelon gaat alles goed, voor jong talent heeft men relatief veel aandacht en in bijzondere projecten van kunstenaars wordt door de overheid geïnvesteerd. Maar het gaat nu net om de continuïteit en dagelijksheid, niet alleen om toptalent en uitzonderlijke events. De ontwikkeling van midcareer talent stagneert en er zijn weinig regelingen voor kunstenaars die 'gewoon hun werk doen', geen astronomische bedragen verdienen met de verkoop van hun werk en de titel 'emerging artists' allang niet meer opgekleefd krijgen. Er is nog steeds een nadruk op nieuw, nieuw, nieuw en nu, nu, nu.

Kunstcriticus en architect Sam Jacobs heeft het in het advies van de Raad voor Cultuur over een Vomitorium, een bestel dat kunst alweer uitspuugt voor ze verteerd is. Ik wil u vragen om in uw beleid vooral dat 'braken' tegen te gaan. Zorg voor een systeem dat kunstenaars, dag in dag uit, gewoon en geregeld - door werktoelages en standvastige regelingen - de kans geeft om te doen waar zij goed in zijn en wij misschien wat minder: de wereld elke dag weer vanuit 'een scheve hoek bekijken' en telkens weer nieuw maken.

Vanuit Haarlem, de stad der brouwers, groet ik u,

Ann Demeester, directeur Frans Hals Museum

---

Michael R. Roskam

Geachte mijnheer de minister,

Wat zou ik doen als ik u was? Ik ben geen expert. Ik kan u wel zeggen wat u zou moeten doen als u een film zou willen maken. Maar misschien net omdat ik geloof in het collectief om succesvol te zijn en tegelijk het individu als onafhankelijke entiteit onmisbaar acht, zou ik een beleid voeren zoals ik denk dat film moet worden gemaakt. Met visie.

Als ik u was, zou ik niet onmiddellijk vragen hoeveel méér geld wij filmmakers willen. Want wie wil er niet extra middelen zien? Ik zou eerst vragen om een vervolg van het reeds succesvolle traject van de Vlaamse film uit te tekenen, samen met de sector: de Producentenbond, de ScenaristenGilde, de Gilde van Acteurs, de Unie van Regisseurs (wij zijn al verenigd in een overlegplatform, dus u hoeft niet met iedereen apart te zitten). En laten we vooral het Vlaams Audiovisueel Fonds niet vergeten - zij zijn onze interface. En dan zal vanzelf blijken welke middelen het audiovisueel project verdient.

En als ik u was, dan zou ik wellicht al weten dat deze sector meer opbrengt dan hij kost. Maar het kan beter. Deze sector, en ik kan het weten, bulkt van creatief, passioneel, toekomstgericht en hardwerkend talent. Onze producties bieden soelaas, vertier, troost en reflectie aan het publiek. Maar wij bieden evenzeer omzet en return on investment. Film is ook een industrie. Eentje waar veel geld in omgaat. Geld dat door de Vlaming wordt geïnvesteerd maar waarbij hij al tien jaar de zekerheid heeft dat het veelvoudige terugkomt. Economisch én op het vlak van imagoversterking. En dan reken er ik nog niet de export van series bij en de uitwisseling van formats en talent met het buitenland.

U zijnde, mag ik dan ook veronderstellen dat onze burgers recht hebben op dit succes? Want het reflecteert wie wij zijn. Niet enkel hier, te lande, maar ook internationaal. De impact die de audiovisuele sector heeft op het imago van ons land én van Vlaanderen is onbetaalbaar.

Daarom alleen al zou ik de mensen laten weten hoe waardevol het is voor Vlaanderen om, zoals het afgelopen jaar, de films van Carolien Strubbe te hebben in het MoMA in New York. Of Het vonnis van Jan Verheyen in Palm Springs, waar ik de mensen met ver- en bewondering over ons rechtssysteem zag discussiëren. Of om Felix van Groeningen met The Broken Circle Breakdown de wereld te tonen hoe universeel Vlaams verdriet is. Of hoe Stijn Coninx met Marina vertelt dat er ook zoiets bestaat als een American dream in Limburg. Of nu ook de jeugd met Labyrinthus kwaliteitsfantasy van eigen bodem krijgt. En vergeet niet de talloze unieke stemmen van onze documentairemakers en de innovatieve animatiefilms die de wereld 'letterlijk' dagelijks en met succes in contact brengen met de ziel van de Vlaams/Belgische cultuur en hun relatie tot de wereld. En hoe de scenaristen en makers van onze Vlaamse series ons week na week aan de flatscreen kluisteren.

Daarom is, zeker wat deze laatsten betreft, het samenvoegen van de portefeuilles Media en Cultuur onder uw hoede voor de audiovisuele sector zeker geen probleem. Wij zien vooral een 'opportuniteit' om deze twee zeer complementaire bevoegdheden elkaar te laten versterken. Ook dat is filmmakersmentaliteit. Overal mogelijkheden zien, en niet verkrampen bij problemen.

Dus als ik u was, zou ik vragen: breng mij jullie project. En we ontwikkelen samen de visie.

Hoogachtend, Michael R. Roskam, filmmaker

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden