Vrijdag 06/12/2019

Geachte Frits van Egters,

Wanneer het sneeuwt, denk ik aan jou.

Meer bepaald aan de desolaatheid van het boek De avonden waarin je ronddoolt, het gevoel opgesloten te zitten in een krimpende wereld, de vertwijfeling. Het is merkwaardig hoe ik al die jaren dat prachtige werk van je inktvader met sneeuw heb geassocieerd, terwijl ik bij herlezing van de eerste twee hoofdstukken geen vlok kan bespeuren. Je houdt het volstrekt droog.

De sneeuw, de altijd vergoelijkende sneeuw die zich in een decembermaand, of later, over ons heen legt. De sneeuw die alle voorwerpen ontdoet van hun vertrouwdheid, de tijd laat stokken tot we op onze handen en voeten vooruit glibberen, vrijwillig ijzeren scharen onder onze schoenen binden om toch maar opnieuw de snelste, de beste, de snuggerste te zijn. Wij, die ons in dat verstikkende deken over de wereld en de stad hullen, in die stolp nestelen, waarin elk geluid ons gedempt voorkomt. Een klok die zichzelf opsluit.

Jij bent bekend met het gekmakende tikken van de wijzers. Dicterende vingers die ons gluiperig op de vermorste tijd terecht wijzen. Zo meteen is het weer zover, twaalf slagen. Geen oliebol of foie gras die de holte achter onze buikwand kan vullen. Vanavond zullen we elke vuurpijl of gillende keukenmeid die ons om de hals vliegt, turven als een gemiste kans in het afgelopen jaar.

Zullen we onder het gefluit van het vuurwerk vannacht op elkaar botsen, aan de Amsterdamse Schilderskade, of op de Antwerpse Amerikalei, elkaar blauwneuzig en minzaam de hand schudden en op zoek gaan naar onze Maria van Dam? Of, terwijl alles ontspoort door die sneeuw (auto's schuiven, fietsers vallen, flessen breken), het café induiken op zoek naar een kolenkachel of centrale verwarming? Dan kunnen we de knetterende lucht die dampen van zwavel, verschroeid haar en ondraaglijk gelach aandraagt, verdrijven met de geparfumeerde rook van onze zelfgerolde sigaretten, de geur van as en zwarte longen.

Door het raam valt het merkwaardige maanlicht in het café binnen, gevangen in een eeuwige weerspiegeling tussen sneeuwlaag en wolkendek krijgt het zijn rozige kleur, terwijl ik jouw glas onophoudelijk met de beste wijn blijf vullen, zodat je niet meer aan dat waardeloze appel-bessensap moet denken. We praten over de laatste nieuwe ingebeelde ziekte die ons vast en zeker op gruwelijke wijze de das om zal doen, de vliegende tering of de olifantsziekte waarbij je op je ballen als op een poef zit, vrienden die met steeds minder zijn - op mijn gekloofde hand zijn ze snel geteld -, de kaalhoofdigheid die ons stilaan overvalt.

Om vijf na twaalf zullen we samen het donker vervloeken, dat steeds vroeger op de dag zich als een zeppelinbom op onze hoofden stort, hoe onopgemerkt we in het gedrum van dit nieuwe jaar blijven. We zullen kankeren en onschuldigen beschimpen, dat we niets van deze radeloze wereld verwachten, en er al helemaal niets te hopen valt, tenzij lief te hebben met heel het hart en al ons bloed. Immers: de dood nadert, het graf gaapt. We zullen elkaar mededogen voor onze ouders aanleren, voor hun zure haring, de onwetendheid, en op onszelf inpraten dat we ooit uit deze benarde positie worden bevrijd, maar dat we voor nu ademenen, bewegen, leven, lallen dat het niet vergeefs is geweest.

En het zal blijven sneeuwen, daar ben ik zeker van. Het zal hard en onverbiddelijk sneeuwen, tot we spoorloos zijn.

Maarten Inghels

Maarten Inghels is dichter en schrijver en is coördinator en samensteller van De eenzame uitvaart. Hij schrijft geregeld bijdragen voor deze krant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234