Dinsdag 29/09/2020

Interview

Galerist Adriaan Raemdonck (De Zwarte Panter): ‘Na mijn eerste tentoonstelling wilde ik in ’t Scheld springen’

Adriaan Raemdonck: ‘Ik kan het jonge geweld mateloos bewonderen. Ik beleef plezier aan mijn jaloezie!’Beeld Stefaan Temmerman

Adriaan Raemdonck, exploitant van kunstgalerie De Zwarte Panter, schittert in de docu Ik schilder met schilders. Tijd voor een ‘lifetime achievement’-interview. ‘Kunst is mijn godsdienst. De realiteit vind ik vaak maar een gruwel.’

Je moet al heel oud zijn om nog te weten dat De Zwarte Panter oorspronkelijk een hoerentent was in hartje Antwerpen. Toen Adriaan Raemdonck in 1968 zijn kunstgalerie vestigde in dat pand in de Wissel­straat, behield hij de naam. Die drukte namelijk perfect uit hoe de kunst die hij op de wereld wou loslaten, zou zijn: wild en gevaarlijk. Explosief, duister, ongetemd.

En toen De Zwarte Panter twee jaar later verhuisde naar de Hoogstraat, kreeg ook het historische Sint-Julianus­gasthuis de naam van het voormalige oord van verderf. Al wordt er onder die profane noemer nog steeds een religie beleden: het geloof in de kunst. Als ik aan Adriaan Raemdonck vraag hoe hij het liefst genoemd wil worden: de pooier of de pastoor van de kunst, aarzelt hij geen moment: “Pastoor!”

Sinds de vieringen van 50 jaar De Zwarte Panter is de galeriehouder een grotere celebrity geworden dan de verzamelde kunstenaars die hij in portefeuille heeft. Ik schilder met schilders, de film van Jacques Servaes die donderdag 23 januari in De Studio in première gaat, is het voorlopige orgelpunt van die cultus. De beelden van director of photography Renaat Lambeets en de muziek van Bert Joris zijn prachtig, en Raemdonck is onnavolgbaar zichzelf: altijd hinkend op minstens drie gedachten tegelijk, onophoudelijk pratend tegen zijn hond Fleur, zijn dagelijks bezoek aan bloedbroeder Fred Bervoets steevast openend met de woorden: “Hallo meester!”

Adriaan Raemdonck toen hij nog academiestudent was, in 1968, hoek Wisselstraat en Oude Beurs.Beeld RV Galerie De Zwarte Panter

Een gesprek met Adriaan Raemdonck is als een surrealistische collage. Er is niet noodzakelijk een direct verband tussen zijn antwoorden en de gestelde vragen, de conversatie wordt voortdurend onderbroken omdat hij in een andere ruimte een document of boek wil opdiepen, een gast moet verwelkomen of telefoontje beantwoorden. En elke wat langer volgehouden bespiegeling zijnerzijds bevat, in volstrekt willekeurige volgorde, drie elementen: een scène uit zijn onbezorgde jeugd in het Pajottenland, een verwijzing naar de kunstgeschiedenis en een levensles van eigen vinding.

Zoals in: “Twee jaar hebben ze aan die film gewerkt. Niet alles wat ik gedaan heb kon erin, natuurlijk. Heb ik wel genoeg gedaan, vraag ik me soms af. Het is confronterend hè, zo’n film. Ik denk tegenwoordig vaak terug aan mijn kinderjaren. Aan Pepingen, het dorp waar ik vandaan kom. Ik zie me daar nog zitten als jong manneke. Het begin van de televisie, nog in zwart-wit. ’s Zondags gingen we naar de kerk. ‘Je weet nooit waar het goed voor is’, zei mijn moeder. En daarna naar de cinema. Weet je wat me van die tijd is bijgebleven? En eeuwig zingen de bossen!”

De bossen?

Adriaan Raemdonck: “Een film over het leven op het platteland, gemaakt door een Zweed of een Noor. (Deel 1 van de verfilmde romantrilogie ‘Het geslacht Björndal’, van de Noor Trygve Gulbranssen uit 1933, red.) Een heel simpel verhaal: de oude boer sterft en op hetzelfde moment wordt er een kind geboren. Nu ik ouder word, begin ik stillekesaan de werkelijkheid onder ogen te zien: ik ben zelf een oude boer, en rond mij is een compleet nieuwe wereld ontstaan: een nieuwe generatie galeristen, nieuwe kunstenaars, nieuwe stromingen. Ik sta nog met twee voeten in die wereld, ik voel me gerespecteerd, maar toch, die vaststelling...”

Still uit de documentaire 'Ik schilder met schilders', met Fred Bervoets. ‘Dat ik zelf geen kunstenaar ben gebleven, is grotendeels zijn schuld.’Beeld RV Ik schilder met schilders

Wat is de vaststelling? ‘Ik was maar een kleine garnaal’ of ‘Ik was belangrijker dan ik zelf dacht’?

“Een mengeling van de twee. (denkt na) Het is niet simpel om in je leven iets te doen waarvan je denkt dat het iets bijbrengt. Het is een gevecht geweest. Het grootste deel van de tijd was het overleven. Na mijn eerste tentoonstelling wilde ik al in ’t Scheld springen, haha! Maar we hebben volhard. De meeste van mijn vrienden-kunstenaars zijn nu boven de zeventig. Of ze zijn er niet meer. We zijn op een leeftijd dat we moeten opletten voor verbittering en jaloezie. Verbitterd ben ik niet, ik denk dat ik dat wel van mezelf kan zeggen. En gezond jaloers ben ik alleen op de goeie artiesten en galeristen. Ik kan het jonge geweld mateloos bewonderen. Ik beleef plezier aan mijn jaloezie!

“Ik denk dat we in de kunst, en meer in het bijzonder in de schilderkunst, wel iets bereikt hebben. In de jaren zestig riepen allerhande kunstpausen: ‘De schilderkunst is dood en komt nooit meer terug.’ En kijk nu: er wordt meer geschilderd dan ooit. Ik denk dat de fabrikanten van verf en doek nog nooit zoveel werk hebben gehad.”

Hoe bent u in de kunst terechtgekomen?

“Ik zou het niet weten. In mijn familie was er in elk geval niemand die van ver of van dichtbij iets met kunst te maken had. Ik was domweg gelukkig in Pepingen. Mijn achtergrond is, euh, onbevlekt. Niemand die iets bijzonders had uitgevreten in de oorlog, noch in het verzet, noch in de collaboratie. Ik heb mij tegen niks of niemand moeten afzetten in mijn jeugd: niet tegen mijn ouders, niet tegen de kerk, niet tegen de geschiedenis. Toen mijn moeder stierf, heb ik maar één ding gevraagd uit haar nalatenschap: de twee obussen die thuis op de schouw stonden. Vroeger groeven de mensen die op en kregen ze een plaats in hun interieur. Ik heb nooit goed begrepen waarom. Readymades van de vijand, haha. Gek, hè?

Het begin van De Zwarte Panter, in 1970 in de Hoogstraat. ‘Waarom komen de mensen graag naar Antwerpen? Toch ook omdat het vandaag dé galeriestad van het land is?’Beeld RV Adriaan Raemdonck

“Nu, op den buiten moet je fantasie hebben, want er gebeurt niet veel. Ik was een kind dat veel tekende en beelden maakte. En ik had de natuur! De glooiende landschappen van het Pajottenland, dat waren de schilderijen van Jean Brusselmans en Constant Permeke, besefte ik later. Aan het Atheneum van Halle sprak de juf Frans over Gaugain, Van Gogh en Ensor. Hun werk kregen we zelden te zien, maar mijn belangstelling was gewekt. De grote bevrijding kwam echter uit een andere hoek: de muziek. Eerst de rock-’n-roll, daarna de jazz. Elvis schudde alles los.”

In een dorp heeft iemand met artistieke interesses doorgaans weinig medestanders. Was het niet eenzaam in uw fantasie?

(lacht) “Nee, ik was onbezorgd. Na drie jaar Atheneum trok ik naar Sint-Lucas in Brussel. Elke dag met de tram heen en weer. Als ik een keer niet op de tram zat, zeiden de andere reizigers tegen elkaar: ‘Onze Picasso zal ziek zijn.’ (Hij spreekt de naam uit met de nadruk op de eerste lettergreep, red.) Haha! Op den buiten was je d’office ne Picasso als je eruitzag als een moderne artiest.”

Waarom bent u in plaats van kunstenaar galerist geworden?

“Dat is grotendeels de schuld van Fred Bervoets. Op een dag kwam ik hem tegen op café. We kenden elkaar nauwelijks, we zagen elkaar af en toe in de kroeg. ‘Hedde gij geen tubeke verf voor mij’, vroeg hij. Ik had toen net een zak vol verf van Lefranc & Bourgeois bij me, grote tubes. Fred nam me mee naar zijn atelier. Als een wildeman begon hij mijn tubes leeg te spuiten – op het doek, op de grond, overal – en vervolgens uit te smeren over het doek. In een mum van tijd was al mijn verf op. En was mijn eigen carrière als kunstenaar voorbij. Wat Fred daar bij elkaar toverde was zo intens en zo schokkend, dat ik op slag mijn geloof in mijn eigen kunstenaarschap verloor.”

Wie zijn de drie belangrijkste kunstenaars die u in uw leven bent tegengekomen?

“Goh, dat is moeilijk. Fred heeft mijn leven veranderd, dat is een feit. Ik zie hem nog steeds omzeggens elke dag. Als een van ons twee komt te gaan, blijft de ander verweesd achter, dat is een zekerheid. Dan is er Jan Cox (Belgische schilder die in 1980 zelfmoord pleegde, red.). In 1976 spoelde hij hier aan, recht uit de VS, helemaal aan de grond. Cox bracht Amerika binnen in de galerie. Hij had in New York gewerkt, toen het wereldcentrum van de hedendaagse kunst, en was prof geweest aan het Museum of Fine Arts in Boston...”

In de film beschrijft u hoe u Jan Cox hebt aangetroffen na zijn zelfmoord.

“Ja. (slikt) Hij zat rechtop op een stoel, met de long rifle waarmee hij zich door het hoofd had geschoten nog onder zijn kin. Als een beeld, met de fierheid die een beeld kan hebben. En al dat bloed op zijn gezicht leek rechtstreeks te verwijzen naar zijn schilderij Bloedregen. (stil) Jan was manisch-depressief. Zijn zelfgekozen dood was onvermijdelijk, vrees ik. Ik denk nog elke dag aan hem, aan wat hij allemaal wist en zei. Hij was een fijnbesnaarde, haast aristocratische intellectueel.

Met Iris Clert, begin jaren zeventig. 'Met haar heb ik twee tentoonstellingen gemaakt in Parijs. Zij was dé galeriste van de avant-garde, mijn grote voorbeeld. 'Beeld RV Privéarchief Adriaan Raemdonck

“Ach, er waren en zijn er zovelen: Jan Vanriet, met wie ik nog op de academie heb gezeten. Ysbrant, die hier nu weer tentoonstelt. Hugo Heyrman, die samen met Panamarenko en Wout Vercammen de eerste happenings deed in de jaren zestig en ineens begon te schilderen. Pjeroo Roobjee, die volgens mij nog steeds niet genoeg naar waarde wordt geschat. En de jongere garde, niet te vergeten: Sam Dillemans, Benjamin Demeyere, Nick Andrews, Tom Liekens...”

De Zwarte Panter stond, en staat nog altijd, voor figuratieve schilderkunst. Is dat van meet af aan een doelbewuste keuze geweest?

“Ja. Ik ben trouw gebleven aan de saus van het schilderen.”

De saus?

“Ik druk het zo uit, want wat we hier de jongste vijftig jaar getoond hebben, is natuurlijk wel wat anders dan klassieke, academische schilderkunst. Daar hebben de kunstenaars die ik vertegenwoordig en verdedig net tegen gerebelleerd! Maar je kan over het algemeen wel zeggen dat hun werk gedrenkt is in een saus van plasticiteit en schilderkunst.

“Toen ik in 1968 begon, had je hier in Antwerpen de Wide White Space Gallery van Anny De Decker en Bernd Lohaus. Die was heel internationaal georiënteerd. Fantastisch! Carl Andre, Marcel Broodthaers, Hugo Heyrman, Panamarenko, Christo en Gerhard Richter werden er getoond, dat is nu geschiedenis tot en met! (stil) Ik ben gelukkig niet zo dom geweest om hetzelfde te willen doen. Ik zag wat daar gebeurde, ik volgde het op de voet, maar ik heb een ander pad gekozen. Ik heb mijn eigen smaak, mijn eigen passies en mijn eigen kunstenaars laten primeren.

Ik kon de schilderkunst niet loslaten. (lyrisch) Het plezier, de rijkdom, de sensatie van het schilderen. Als ik nu naar Broodthaers ga kijken in het M HKA, dan raakt mij dat enorm. Ik heb altijd van Broodthaers gehouden. Maar een schilderij van Ensor kan mij echt vertederen, begrijp je? Conceptuele kunst prikkelt mij intellectueel, van een goed schilderij word ik emotioneel, dat is het verschil.”

De internationale treinen van de heden­daagse kunst hebt u daardoor wel gemist, om van de trans-Atlantische verbindingen nog te zwijgen. Is dat het gat in uw geschiedenis?

“Ik heb in mijn leven keuzes gemaakt. En ik ben niet ontevreden over hoe het gelopen is. Ik heb altijd in de eerste plaats gedacht aan: actie! Dingen doen, dingen laten gebeuren. Heel veel miserie in de kunst komt voort uit het feit dat er geen actie is. Doordat er te veel wordt nagedacht en te weinig wordt gedaan. Wanneer ik ’s morgens wakker word en in mijn bed begin na te denken over alles en nog wat, breekt het angstzweet me uit. De enige oplossing die ik daarvoor kan bedenken is: fluks mijn bed uit en iets beginnen te dóén. Ik heb geen goesting om over de onbenulligheden van het leven te liggen piekeren. Ik denk dan: ‘Boef! (slaat hard op tafel) Wat gaan we doen vandaag?’ Hoe ouder ik word, hoe erger het wordt. Soms sta ik stijf van de stress. Maar een leven zonder stress, dat kan ik me ook niet voorstellen. Ik beleef steeds meer plezier aan wat ik doe.”

Chinese studenten op bezoek.Beeld RV Privéarchief Adriaan Raemdonck

Een internationale positie heeft u nooit geïnteresseerd?

(geërgerd) “Internationaal, internationaal, altijd maar dat ‘internationaal’. Ik ben voorzitter van de Belgische én de Europese vereniging van galeries voor hedendaagse kunst. Ik heb vier, vijf jaar op Art Basel gestaan, de belangrijkste kunstbeurs van de wereld. Ik ben bijna dertig jaar lang aanwezig geweest op Art Brussels. Begin jaren zeventig al heb ik twee tentoonstellingen gemaakt met Iris Clert in Parijs, toen dé galeriste van de avant-garde. Zij was mijn grote voorbeeld. Ze werkte met kunstenaars als Lucio Fontana, Yves Klein en Ad Reinhardt. Maar het belangrijkste wat ik van haar heb geleerd is: ga je eigen weg. Je moet kiezen, je kunt niet alles doen.”

De grote, globaal opererende galeries van nu verzoenen probleemloos water en vuur. Conceptueel en plastisch, figuratief en abstract, dode kunstenaars en springlevende, oude en jonge...

“Ik heb ervoor gekozen mijn kunstenaars te volgen, de mensen met wie ik begonnen ben. Als galerist was het mijn opdracht – nee: mijn plicht! – om mijn kunstenaars zichtbaar te maken. Om hun werk te verdedigen, door dik en dun, en op lange termijn.

“Ik ben begonnen als pilootgalerie, meer gericht op het tonen van nieuwe kunst dan op het verkopen. En ik ben pilootgalerie gebleven. Ik ben nooit een pure verkoper geweest. De titel van de film zegt het juist: ik schilder met schilders. In het begin weigerde ik zelfs naar kunstveilingen te gaan – daar verkocht de kunst haar ziel aan de duivel! Ik heb gezweet, dat mag je gerust weten. Het was een gevecht, het was overleven. Pas de laatste jaren heb ik op dat vlak wat gemoedsrust.

“Nu, als je in de kunst je verdienste afmeet aan je verdiensten, aan je financieel succes, ben je verkeerd bezig. (lacht) Soms komt een jonge artiest bij mij klagen: ‘Adriaan, het museum van dit of dat wil iets van mij kopen, maar als ik dat doe komt mijn werk in de kelder terecht, in het depot.’ Dan antwoord ik: ‘Alleen als je in de kelder begint, kun je er ooit uitkomen.’ Haha! (ernstig gezicht) De meeste kunstenaars die sterven hebben nooit in een museum kunnen exposeren, hè. Die zijn zelfs niet in de kelder geráákt!”

Stinkend rijk bent u er met andere woorden niet van geworden?

“Heel mijn leven heb ik wakker gelegen! Er is geen nacht geweest dat ik me géén zorgen maakte over de volgende ochtend, de volgende dag, de volgende maand. Nooit is er een moment geweest dat ik dacht: nu heb ik het mooi voor mekaar. (lacht) Ik denk dat ik blijf voortdoen om dat punt te bereiken.

“Ik huur dit pand van het OCMW. Ik ben het Antwerpse stadsbestuur, en álle politieke families die erin vertegenwoordigd zijn, oneindig dankbaar dat ik dat kon doen. Als ze mij hier buiten zetten heb ik... een probleem. De voormalige smederij van de stad, hier recht over de deur, is ooit verkocht voor 1 miljoen frank (25.000 euro). Achteraf besef ik: ik had dat gebouw moeten kopen. Maar ik was er niet mee bezig, begrijpt ge? Ik was bezig met de kunst, niet met immobiliën en beleggen. En ineens zijt ge een ouwe vent.”

Wandelend Antwerps erfgoed, dat wel. Zou De Zwarte Panter hebben kunnen bestaan buiten Antwerpen?

“Andy Warhol kon alleen een New Yorker zijn, Henri Matisse alleen een Fransman en Piet Mondriaan alleen een Hollander. En Fred Bervoets kon alleen een Antwerpenaar zijn. Je komt ergens vandaan en je schiet ergens wortel, daar is niks aan te doen, dat kun je niet verstoppen.

‘Ik had dingen anders kunnen doen, maar ik denk niet dat ik veel méér had kunnen doen.’ Beeld Stefaan Temmerman

“Al meer dan vijftig jaar lang zijn wij hier veel meer dan een galerie. We hebben een eigen druk­atelier gehad, waar prachtige kunstmappen zijn gemaakt met bijdragen van beeldend kunstenaars en schrijvers. Een science­fiction­congres gehouden, concerten georganiseerd met Jos Van Immerseel, under­ground­films gepresenteerd, boekvoorstellingen georganiseerd, noem het allemaal maar op. Eigenlijk waren we een ongesubsidieerd cultureel centrum. (stilte) Ik had dingen anders kunnen doen, maar ik denk niet dat ik veel méér had kunnen doen.

“Waar ik ondertussen wel van overtuigd ben, is dat je alleen iets goeds kan doen, iets kan betekenen, binnen je eigen generatie. Stel dat ik vandaag met een nieuwe generatie kunstenaars zou beginnen: dat zou toch potsierlijk zijn? Dat is gelijk sommige ouwe venten achter jonge vrouwen aanlopen. Haha! Sommigen doen dat klassevol, maar meestal is het toch een beetje meelijwekkend. Wat kan ik op mijn 75ste nog doen voor een kunstenaar van 20 jaar? Welk perspectief kan ik hem of haar nog bieden?”

Wat vindt u als ongesubsidieerde culturo van de voortdurende besparingen op cultuur?

“Er is in dit land nooit genoeg geld geweest voor kunst en cultuur, en er zal nooit genoeg geld zijn. Als het een troost mag zijn: in andere landen is het niet anders. En toch hebben we met heel weinig middelen heel veel gedaan, zelfs de wereld veroverd met Luc Tuymans en co.”

U relativeert die besparingen, met andere woorden?

“Helemaal niet! Tegen de beleidsmensen wil ik maar één ding zeggen: de overheid heeft de verdomde plicht om jonge mensen te steunen. Toen ik als jong manneke van de academie kwam en nog in de waan leefde dat ik zelf kunstenaar zou worden, heeft het toenmalige ministerie van Nederlandse Cultuur een schilderij van mij gekocht. Twintig of vijfentwintigduizend frank kreeg ik ervoor, een groot bedrag in die tijd.

“Aankopen door de overheid waren de beurzen van toen. Welnu, je kunt niet geloven hoe belangrijk dat is geweest. Ook psychologisch. Voorál psychologisch! Voor mijn bewustwording, voor mijn gevoel van eigenwaarde, om mezelf te legitimeren tegenover mijn eigen familie en vrienden: ik ben iemand, ik word iemand. Ik ben het levende bewijs dat startsubsidies, projectsubsidies, hoe ze ook mogen heten, van wezenlijk belang zijn. Want ik was niet zo’n jongen die van thuis genoeg geld had meegekregen om het te maken in het leven, hè. Ik was een gastje met lang haar en wilde dromen.

“Een groot kunstenaar ben ik niet geworden, maar ik meen toch te mogen zeggen dat ik iets heb kunnen betekenen voor de kunst. En ik denk dat wij het vertrouwen dat de stad en de overheid in ons hebben gesteld, niet beschaamd hebben. Wij hebben, denk ik, samen met vele anderen, onze bijdrage geleverd aan de heropleving van de Antwerpse binnenstad. Waarom komen de mensen graag naar Antwerpen? Toch ook voor de cultuur? Toch ook omdat Antwerpen vandaag dé galerie­stad van het land is, waar de topkunstenaars tentoonstellen, maar waar je ook altijd nieuwe dingen kunt ontdekken?”

U maakt zich niet al te veel zorgen over de verrechtsing, de polarisering en het mis­prijzen voor kunst en cultuur dat ermee gepaard lijkt te gaan?

“Ach, links of rechts, een mens wordt nogal gauw ergens bij ingedeeld, hè? Terwijl ik soms zelf niet weet waar ik nu eigenlijk bij hoor. De ene dag denk ik: potverdekke, ik ben precies nogal rechts. En een uur later denk ik links. Volgens mij bestaat er geen formule om 24 uur per dag hetzelfde te denken. Ik kan het in elk geval niet. En van de mensen die hier over de vloer komen – kunstenaars, verzamelaars, schrijvers, vrienden en vriendinnen – ken ik er geen twee die over alles hetzelfde denken.

“De Zwarte Panter, deze kleine biotoop, en de kunst in het algemeen staan voor mij voor vrijheid. (orakelt) Vrijheid is het hoogste goed! We mogen het de mensen die onze vrijheid bedreigen gewoon niet gunnen dat we bang worden en onze dromen opbergen. Die mensen houden niet van schoonheid, die houden niet van vrijheid, die houden niet van het leven tout court. Die hebben alleen maar beton in hun kop. (denkt na)

“Weet je wat het ook is? Ik ben te oud geworden om mij nog dagelijks druk te maken over wat er allemaal fout loopt, in de maatschappij en in de kunst. Ik heb daar gewoon geen goesting meer voor. Ik wil de tijd die mij nog rest doorkomen op een aangename manier. (lacht) In mijn galerie!”

Als een patroonheilige van de kunst.

(lacht) “Laat ons zeggen: als een kapelaan. Kunst is mijn godsdienst. Kunst is wat mijn leven de moeite waard heeft gemaakt, en kunst is wat mij vandaag nog op de been houdt. Kunst is ook het enige wat mij verbindt met andere mensen en met de wereld. Kunst is wat mij vriendschappen en liefdes heeft opgeleverd én gekost.

“Kijk, uwe kost verdienen is het gemakkelijkste wat er is: ge gaat werken en ge zijt klaar. Maar iets méér vinden in het leven dan wat het vanzelf met zich meebrengt: dat is andere koek! Gelukkig heb ik de kunst. Want de realiteit vind ik eerlijk gezegd vaak een gruwel.”

Ik schilder met schilders, de documentaire over Adriaan Raemdonck, draait vanaf 29/1 in ZED, Leuven en Studio, Antwerpen.

Voor meer info: ikschildermetschilders.be

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234