Maandag 10/08/2020

GA NAAR AaRLeN,U ONTVANGT GEEN 4.000 FRANK

Veel dieper dan Aarlen kun je in België niet zakken. In dat dieptepunt, waar eindelijk Het Monster berecht zal worden, ging Dimitri Verhulst eens kijken. Hij kwam sprekend terug, in naam van de bewoners. Met een lange litanie, in de tongval van het grijze bestaan in 'het poverste hol van het land' dat nu de wereld rondgaat. 'De dood komt scheten laten in onze stad, en haar geuren hingen hier al zo fel en buitengaats.' De stem van een gekwetst, verbijsterd stadje.

Dimitri Verhulst / Foto Stephan Vanfleteren

Na Tongeren is Aarlen de oudste stad van België, maar onze gedachten zijn ouder. Het verleden heeft zijn gewichten in onze gedachten gedumpt, dat verklaart de zwarigheid waarmee wij, Aarlense burgers, 's ochtends onze plaatselijke tabak rollen aan de toog van het café, terwijl wij hapsnap nippen van ons eerste glas. Zo beginnen dagen. In de nevelen van onze verzamelde sigaretten ontwaken wij langzaam en vaak met tegenzin, onze ogen staan al nat van een aangekondigde dronkenschap wanneer het middag wordt, en niemand die erin zwemmen komt, in die ogen van ons. Maar zingen doen we zelden. We hangen. We hangen onszelf als jassen op een stoel of op een kruk en kijken naar de muren die zijn gedecoreerd met kalenders van de brandweer of van de voetbalploeg. Cafés genoeg. Café Suisse, Café Du Nord, Café La Paix, Café La Poste... We lezen lusteloos de advertenties in de kranten, doch daarin staat ook nu weer geen werk voor ons. Maar Benoît Poelvoorde heeft gelukkig een nieuwe film uit, Podium. Iets over Cloclo, nee, over iemand die Cloclo imiteert; dat zal troosten, voor de duur van de film. Wij hebben een kleine cinema voor grote vluchten, en aan de kassa kun je pepermunt en Rolo's kopen.

Wij weten hoe er over ons wordt geschreven. Een nogal populaire reisgids heeft vijf zinnen veil voor ons en begint zijn hotelrubriek als volgt: "Als je ooit de pech hebt om in Aarlen te moeten overnachten..." Daarna volgt de lijst met veel te weinig hotels. Wij weten het, en wij dragen het, niemand viel ons daar tot op heden lastig mee. Maar ineens stroomt ons stadje vol, u weet onderhand waarmee, met journalisten, en u weet waarom, omdat De Pedofiel op onze grondvesten wordt berecht. Ze zijn al gearriveerd, met hun camera's, hun verlengdraden, hun microfonen en hun blocnotes, terwijl het nog twee weken wachten is vooraleer De Pedofiel, Het Monster, tot voor de rechter zal worden gebracht. En zij vervelen zich. Zij struinen door onze straten en begluren ons. Soms loopt zo'n journalist tegen een recordertje te praten, wat hetzelfde is als tegen zichzelf, maar dan moderner en schijnbaar minder zot. Hoe dichter wij de datum van het proces naderen, hoe vaker wij zien hoe zo'n journalist aan de kroegtafel zijn laptop openklapt. Zij noemen het een 'computer'; wij houden het op een ordinateur, daar klinkt tenminste nog het ordinaire van het ding in door. In het hotel op de place Léopold, l'Ecu du Bourgogne, gooien ze elkaar voor de camera, om een bezigheid te hebben, om nieuws te hebben dat er geen is, omdat het nieuws is dat over nieuws gaat, metanieuws, op te weinig graden gebakken lucht.

Een Vlaamse cameraploeg zette deze week nog een Zweedse journaliste voor de lens en vroeg haar wat ze hier kwam doen. Wij vragen ons dat ook af. Hebben zij thuis geen pedofielen misschien, geen kindermoordenaars? Maar ze had haar haar niet voor niets gekamd en keek heel diep in de lens. Op de vraag wat haar algemene indruk van België was, begon ze over onze beesten, die vol smeerlapperijen steken, over het vergiftigde vlees dat wij massaal naar binnen spelen. Over onze pralines geen woord. En terwijl de Zweedse haar indrukken deelde, gleed de lens af naar onze straten en onze markten. Aarlen levert het beeld dat weldra de hele wereld van ons o dierbaar België heeft. (Misschien krijgen we van de overheid nog bonnen voor gratis zeepsop, om onze borduren te schuren, en bloembakken, wie weet, voor het imago van het land.) Toen de Zweedse haar zegje had gekregen en er weer een meter of zeven filmlint was gedraaid zette de cameraploeg het op een triomfantelijk zuipen. Ze dronken Duvel, praatten met grote gebaren, gedroegen zich als lieden uit een regio met meer beschaving en autostrade. Om vijf uur 's ochtends zwalpten ze naar hun hotelkamer, een hoop verstand en vele euro's armer, en hadden ze zoveel gerookt dat ze de andere gasten wakker rochelden. De Madame van het hotel is het journaille beu, nu al, en smijt hen met hun klikken en hun klakken buiten wanneer het proces begint. Ze schenkt haar kamers gratis aan de families van de slachtoffers, als dat niet schoon is. En bij haar dochter die een brasserie uitbaat, mogen ze komen eten, ook voor niks. Omelet met een schel hesp. Als je ooit de pech hebt om in Aarlen te moeten overnachten, is het omdat ze godverdomme je kinderen hebben vermoord.

Straks wonen wij in het bekendste stadje van het land, en onze meningen worden weer van tel, al zijn ze nog zo simpel en eensgezind: wij hoefden deze heisa niet. Hoeveel geld kruipt daar niet in? Wat ons betreft hadden ze Het Monster in een gat mogen gooien. En als we dan de naam van Het Monster noemen, wat wij niet willen, dan rijmt onze zin. Toch in het Frans. Onze eenvoudige mening is een gedicht. Als we hem uitspreken in ons dialect, een mengeling van het Wallon en het Lorrain, dan smaak je nog beter de waarheid in die zin. Voor ons hoefde dat nieuwe gerechtsgebouw niet, dat gedrochtelijke spiegelpaleis op de place Schalbert. Het is een gerechtsgebouw dat geen strengheid toont.

Was het geen beter idee geweest om Het Monster te berechten in de Sint-Maartenskerk? Het is een mooie kerk, groot genoeg en zeldzaam in haar soort biedt zij overvloedig licht, en bovendien is Sint-Maarten de heilige van de kinderen. Hoeveel goedkoper en hoeveel symbolischer ware het niet geweest indien de rekwisieten op het altaar van onze Sint-Maartenskerk lagen uitgestald, en indien de jury zich na diep conclaaf in de sacristie kon uitspreken in termen van een Laatste Oordeel? Nu staat het kerkgebouw doorgaans leeg, op weekdagen zonder begrafenis zwabbert de poetsdame er de tegels proper op het ritme van de gregoriaanse gezangen die uit de luidsprekers schallen. Immer afgestoft is het altaartje in een van de zijbeuken, omdat daarop een herinnering aan de vermoorde meisjes staat. Een bidprentje. De foto van Julie en Mélissa, martelaressen, en de tekst: "Wij geloofden dat het leven mooi ging worden." En wij, wij die wel nog leven, meestal lelijk maar wij leven, wij denken daar dat wij wel beter weten op grond van dit en dat, maar wij zwijgen en slikken en slepen ons voort. Niet alleen de pastoor van de parochie, ook de uitbaatster van de schoonheidswinkel heeft een foto van de vermoorde meisjes uitgestald. Aan haar deur. Vier hoofden, vier doden. Ook daaronder een stuk tekst, dit keer een citaat van Albert Einstein, wat niemand van de uitbaatster van de schoonheidswinkel had verwacht: "De wereld is gevaarlijk om in te leven, niet alleen vanwege degenen die kwaad doen maar ook vanwege degenen die toekijken en niets doen." Dat hangt daar. We lezen het, het dringt tot ons door, en luttele seconden nadien kopen wij ons een kleurshampoo. Want het leven gaat verder, het maakt ons grijzer en we hadden het liever acajou.

De dood komt scheten laten in onze stad, en haar geuren hingen hier al zo fel en buitengaats. Er zijn niet alleen de vermoorde meisjes die onze gedachten verzwaren, er zijn ook de lijken uit onze oorlogen die maar niet verjaren. Hier, in de Oosthoek, dit stukgeschoten Land van Gaume, herinnert elke straathoek aan de dood. Er zijn net voldoende levenden om de monumenten voor de gesneuvelden te onderhouden. 'Helden', noemt men ze, geen mens die het wil zijn. Onze straatnamen verwijzen vaak naar de gevechtslinies die zich daar bevonden. En omdat Aarlen de eerste Belgische stad was waar de joden ooit een synagoge bouwden, kon het hier niet ontbreken aan een Gedeporteerdenstraat. Twee stappen verder staat een standbeeld van Etienne Lenoir, de uitvinder van de gasmotor. Toeval is zelden gelukkig. In de Gedeporteerdenstraat tref je vandaag het volgende opschrift op een raam: "Toilettage voor alle rassen". Een hondenkapsalon. De Duitse herders zitten nu onder dezelfde krulspelden en haardrogers als de Unterhunden, het heeft niet veel gescheeld of dat had helemaal geen waar geweest. Het zal de Amerikaanse journalisten straks plezier doen dat wij hen eraan herinneren dat zij het waren die ons van het fascisme hebben bevrijd. Toen onze grootmoeders nog dochters waren, werden zij op de tanken getakeld en zoenden zij zondig en langdurig de Amerikaanse soldaten. Dat zullen hun jongens toch hebben moeten missen in Irak, die meisjesachtige blijken van dankbaarheid. Er staat nog zo'n tank van hen op ons Leopoldsplein, van het type M10 Tank Destroyer (yeah!), de enige kar op het ganse plein die nooit een parkeerboete krijgt. Acht euro en oneffen is de prijs.

Ach, die Amerikaanse journalisten straks, zo ze komen, ze gaan verschieten. Zij hebben ons dan wel bevrijd, maar in Aarlen is niet eens een McDonald's. Dat komt omdat wij gaarne frieten eten. Misschien schrikken ze nog harder wanneer ze onze menukaarten lezen en vaststellen dat zij die Duitsers zestig jaar geleden voor niks hebben verdreven. Wij drinken bier uit grote kroezen, en brouwen onze eigen Duitse drankjes voor diepe roezen. Maitrank is onze trots, de drank van mei, Duits geschreven, Frans gearticuleerd. Het is een mengeling van witte moezelwijn met cognac, geparfumeerd met het onkruid dat in onze bossen groeit. Het goedje gaat naar binnen als frisse lucht, we bakken en marineren er zelfs onze geïmporteerde vissen in. In onze magen sloten de Duitsers en de Fransen al veel langer vrede met elkaar.

Wij weten hoe er over ons wordt geschreven, gedacht, en wij dragen het. Al jaren dragen wij het met ons mee het poverste hol van het land te zijn. Als de mensen weer rond de tafel zijn gebracht, laat ons zeggen rond een Monopoly-bord, en wanneer zij de teerlingen zenuwachtig laten knisperen in hun zweethanden, vrezen zij met hun pion te zullen stranden op het vakje dat hen dwingt een 'kanskaart' te nemen. Wij kennen de monkellachjes op de gezichten van de tegenspelers wanneer de loser hardop zijn opdracht van zijn kanskaart leest, 'Ga naar rue de Diekirch, Aarlen, indien u langs start komt, ontvangt u geen 4.000 frank'. Aarlen, dat is het laagste, het goedkoopste. En al is het maar een spel, geen enkele speler zal het in zijn hoofd halen in Aarlen te investeren, niemand wil er huizen, niemand zet daar een hotel. Om dan nu te komen klagen dat er te weinig hotels zijn om al die journalisten een bed onder de rug te kunnen schuiven.

'Ga onmiddellijk naar de gevangenis', dat is de enige kaart die hier vandaag nog telt. Daarom wordt onze stad bezet, als decor voor Het Monster voor de camera gezet.

De boekhandelaar in de buurt van het justitiekot ziet ze ook lopen, de persmuskieten, de boekaniers van het nieuws. Hij ziet ze voorbijlummelen en met hun telescopische blik onze dagelijksheid penetreren. Hij ruikt hun honger, hoort hun maag vanachter zijn toonbank rommelen en roffelen om weetjewatjes van ons kleine bufferland, en heeft een nieuwe lading titels voor zijn raam gelegd. Wissewasjes over de witte wasjes van ons zwarte geld. Les Secrets des Scandales Belges, Les Grands Procès de l'Histoire (drie delen), L'affaire Cools... Hij moet ook leven, desnoods op de kap van ons imago. Wij slepen de iconen van onze driekleur zelf naar buiten, want als je de kat zelf bij de melk zet, trekken ze tenminste niet ongevraagd je ijskast open. De bazin van het krantenwinkeltje daar recht tegenover, daar waar wij 's zaterdags vijf minuten in dichte drommen van de grote speelpot dromen, plaatste alle albums van 'Tintin' voor haar etalage. Wij geven haar geen ongelijk, van haar sigaretten wordt ze toch niet rijk. Maar ze had net zo goed, en wellicht beter, strips kunnen verkopen van 'Spirou'. Die werden getekend te Marcinelle, voor eeuwig en nog even het dorp van de kinderkelder, de knekeltuin, het gruwelhuis, het dorp van Het Monster. Het dorp dat de voornaam van Het Monster draagt.

Onze schuld is het niet, want dat proces had hier niet gehoeven wat ons betrof, we zeggen het nogmaals, in een gat had hij geworpen mogen worden, De Monsterlijke, gedumpt en vermorzeld onder het beton, maar het proces is hier nu eenmaal en de rest van het land zal ermee moeten leven dat wij zoveel maanden model staan voor de natie. Als een koningsgezinde staat zal België door het wereldnieuws gaan, omdat wij hier voor welhaast elke vorst en elke vorstin een standbeeld hebben geplaatst. We noemden pleinen en markten naar hen. Want zo zal het gaan, vroeg of laat zal dat proces gaan vervelen, zodra het sensationele is verdwenen onder de technische saaiheden van de advocatuur zullen de rioolscribenten de rechtszaal verlaten om te verdwalen door onze straten. Op de Sint-Donaasheuvel zullen ze de stad bekijken, en misschien lyrisch worden van onze kleine, schattige huisjes, er niet aan denkend dat het opgelapte krotten zijn waarin wij onze echtelijke ruzies nooit verborgen kunnen houden voor de buren. Misschien zakken ze dan af naar de plaats waar zich de bron van de Semois bevindt, jawel, iets ontspringt in onze stad en het loopt meteen heel ver van ons weg. Een paar druppels zijn het, ze pruttelen zomaar uit de grond, afgeschudde pis uit de hel, om elders een meanderende rivier vol kajakkers, hengelaars en joelende scouts te worden. Maar hij verdwijnt in Aarlen onmiddellijk weer onder de grond, de Semois, om onze vlakten om te zetten in moeras. Hier, hoog boven in de stad, 490 meter verheven boven de strandemmertjes van Blankenberge, zijn we er nog in geslaagd een vijvertje te maken van de bron, en er zit dode vis op. Onze jongeren komen er soms prutsen aan elkaar, want er staat een houten zitbank waarin ze hun initialen kunnen kerven voor wat zij daar nog houden voor de eeuwigheid.

Het zal in Aarlen carnaval zijn wanneer het proces begint, maar feest wanneer er een eind aan komt. En er komt een einde aan. Ooit is daar de dag dat vader Marchal zijn koffers van de donkere, houten trappen van het hotel naar beneden draagt. Het hotel dat hem uit diep medeleven gratis onderdak bood, dat mag worden herhaald. Voordat hij de laatste maal zijn kamerdeur dichttrekt, zal hij nog even kijken door zijn raam, naar de Amerikaanse tank waar hij vanuit zijn bed naar keek, vele weken lang. Een laatste maal zal hij luisteren naar het flapperen der vlaggen op de place Léopold. Een moeilijk afscheid gaat altijd traag, en traag zal hij die trappen naar beneden nemen, nog een laatste blik werpend op de naaimachine in de hal, een Singer, zich afvragend waarom zoveel huizen en hotels voorzien zijn van een naaimachine die nimmer wordt gebruikt, en hij zal plaatsnemen aan de ontbijttafel, die uitziet op het zandgele gebouw van de provinciegouverneur, de Michel-groene affichepaal, de parkeerautomaat, de wagens van de post. In zijn broodmandje zal hij een croissant, een stuk stokbrood, een pistolet, een plastic bakje boter en dito kuipje jam aantreffen. Op de achtergrond: de waanzinnige drukte en het onbegrijpelijke enthousiasme waarmee Franstalige radiopresentatoren steeds weer een liedje weten te presenteren. Hij zal kijken naar het stoffen behang met de pastorale afbeeldingen, dezelfde stof als die waarmee de lampenkappen zijn bekleed, de zware staande klok en de getaxidermeerde everzwijnenkoppen in de aanpalende herberg. Onze eenvoud die wij hem schonken. Hij zal Madame bedanken voor haar gastvrijheid, en Monsieur met zijn lederen schootsvel en zijn voortdurend grote glimlach de hand drukken. Het zal voorbij zijn. Het Monster zal berecht zijn, het verlies niet ongedaan. Hij zal onze heuvel afrijden om zijn leven te hervatten, en wij zullen kijken hoe de karavaan journalisten en getuigen en zondaars en advocaten en tolken en magistraten de stad verlaat, op weg naar een ander spektakel met betere zitplaatsen, want dat komt, dat komt, de monsters volgen in razend tempo elkander op, en ook wij zullen dan weer het leven proberen te leven uit de tijd dat niemand er belang in stelde.

'Straks wonen wij in het bekendste stadje van het land, en onze meningen worden weer van tel, al zijn ze nog zo simpel en eensgezind: wij hoefden deze heisa niet. Hoeveel geld kruipt daar niet in? Wat ons betreft hadden ze Het Monster in een gat mogen gooien''Het zal in Aarlen carnaval zijn wanneer het proces begint, maar feest wanneer er een eind aan komt''De rest van het land zal ermee moeten leven dat wij zoveel maanden model staan voor de natie'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234