Zaterdag 07/12/2019

Frieda Colpaert over het verdwijnen van haar zoon

'Ik begrijp dat de moeder van Elizabeth Brichet in die tijd dat alles over haar dochter in het ongewisse bleef naar Canada vertrok. Ik heb er ook ooit aan gedacht weg te gaan. Anderzijds, ik heb nog kinderen. En ik kan dit huis eigenlijk niet verlaten, omdat zich hier Vincents kamer bevindt''Ik denk nog altijd aan een open einde van Vincents tocht. Ik kan bijgevolg niet afronden en geen afscheid nemen. Verleden en heden, het loopt nog in elkaar over. Ik m��t ook kennelijk met de mogelijkheid van ��n procent rekening houden dat Vincent nog ergens rondloopt'

'Herinneringen en de inhoud van een rugzak, daar blijf ik mee achter'

Marijke Libert

Foto Tim Dirven

'Ik begrijp de ouders van verdwenen en vermiste kinderen zeer goed. Ik kan me prefect inleven in moeder Bouzet en vader Brichet na het vinden van Elizabeth. Die ouders kunnen eindelijk ergens een streep onder trekken, al trek je die streep uiteraard nooit. Maar het is belangrijk een lichaam te hebben, een rest, een ultiem bewijs, het feit ook dat wie weg is op een manier terug is gekomen. Je mag het vinden van stoffelijke resten absoluut niet onderschatten", zegt Frieda Colpaert (53).

Frieda is tegelijk een geknakte en trotse vrouw, met fiere én wankele stap, met vurige blik maar waterige ogen. "Vroeger weende ik ongeveer de dag rond", zegt ze. "Het stopte niet. Verdriet, gemis, schuldgevoel, angst, ontreddering, onmacht. Alles door elkaar voelde ik. Niets kon worden afgewerkt door Vincents vertrek. Niet voor mij en... (ze staat op) ook niet voor de buitenwereld, die me de afwezigheid van Vincent constant onder de neus bleef wrijven."

Frieda neemt een foldertje van de tafel en gooit het in mijn schoot. "Bijna dagelijks krijg ik ze binnen: reclamefolders, oproepingsbrieven voor verkiezingen, aansporingen om abonnementen te nemen, rekeningen te openen, van alles. Op naam van Vincent." Ze zucht en kijkt kwaad opzij. "Laatst nog heb ik Vincents bank aan de lijn gehad. 'We moeten hem dringend spreken, mevrouw', klonk het koel. Ik antwoordde: 'Kan niet, mijnheer'. En toen de man nog eens aandrong: 'Ik vrees echt dat u het met mij zult moeten doen, mijn zoon kan niet met u praten'. En opnieuw werd een vraag gesteld. 'Of ik er misschien voor kon zorgen dat hij terugbelde.' (Frieda's stem stokt, ze staat op en loopt de kamer rond). Bon, ik heb dus voor de zoveelste keer het verhaal mogen vertellen. Ook dat is moeilijk, telkens weer, dat relaas doen van het enige wat me rest: die weinige vaststellingen, die story waarvan iedereen steeds weer raar opkijkt. Terecht dat de mensen opkijken, want het blijft bijzonder bizar. Dat Vincent op 25 januari 2002 op een ochtend van huis wegging. Niet naar school, zo bleek later, ook niet naar zijn job bij Pizzahut. Maar naar het vliegveld, en vandaar naar New York. Op 31 januari, een week na zijn verdwijning, werd die bewuste rugzak teruggevonden naast de afgrond van de Niagara watervallen. Sindsdien geen getuigenis, geen teken van leven, geen bewijs, niets meer. Politiemensen zochten, ambassades en consulaten deden hun best, ik kwam op verschillende Amerikaanse zenders met mijn verhaal over de zoektocht. Nul effect." Frieda ploft weer in de ondiepe sofa neer, slaat haar benen over elkaar.

"Ik ben moe verteld, moe geweend, moe gedacht en moe van moe verteld, geweend en gedacht te zijn. Ik doe de laatste minuten van het samenzijn van Vincent over en over. Ik loop door zijn kamer, lees opnieuw zijn gedichten, zoek. Of ik doe het tegenovergestelde: ik weiger nog iets te lezen, ik vertik het om naar de laatste video waarop hij staat te kijken, wil niet meer naar zijn muziek luisteren. Maar zowel het opzoeken als het vermijden van die herinneringen illustreert hoe ik aan mijn jongen vasthang."

Frieda gaat naar de kamer en komt terug met een gedicht, 'Kameleon'. Ze leest: 'Ik ben de acteur/pas me aan/ben wel een beetje vals/maar wie niet/zie daar, hij komt eraan/en nu maar hopen dat hij ons niet ziet'.

Probeert zijn moeder te achterhalen wat Vincent daarmee wou zeggen?

"Ach, Vincents grote onbehagen over het leven, zijn existentiële ongemak zat veel dieper dan je kunt bevroeden. Vincent was, hoewel ik hem nooit liet testen, naar alle waarschijnlijkheid hoogbegaafd. Als puber al las hij Nietzsche en Schopenhauer. Toen hij zestien was, wou hij uit het leven stappen. Hij sprong van een zes verdiepingen hoog appartement toen we aan zee verbleven. Als bij wonder overleefde hij die val. Een vol jaar heeft hij in een rolstoel gezeten, want Vincent had zowat elk bot in zijn lichaam gebroken. Hij zette door, had veel wilskracht, gedrevenheid, humor vooral... (Frieda stokt weer) Heel contradictorisch klinkt dit, maar Vincent was geen depressieve gast om te zien. Hij had een vrolijke aard, was bijzonder spitsvondig en grappig. (vat weer moed) Enfin, hij overleefde die moeilijke tijd na die zelfmoordpoging, leerde weer lopen, begon zelfs weer te joggen. Velen dachten dat in die overlevingsdrang het bewijs lag dat hij voor zichzelf een toekomst creëerde die een stuk positiever was. Ik echter bleef vrezen, ik controleerde hem toen hij een paar minuten te laat was, belde hem op zijn gsm, stelde hem almaar dezelfde vraag 'Vincent, jongen, je doet het toch niet weer, hé.'.. Wat zijn antwoord was? (beverig) 'Maar allez, mama, toch. Ik beloof het jou, hand op het hart'."

Het blijft minutenlang stil, Frieda haalt een vers pakje kleenex, zucht opnieuw en vervolgt dan. "Ooit schreef Vincent: 'Ik ben een vogelbekdier, ik kan niet vliegen want ik heb geen vleugels en ik kan niet zwemmen want ik heb geen vinnen, ik voel mij nergens thuis'. Waarom heb ik het uiteindelijk alweer niet zien aankomen? Hoe kon ik zo stom zijn (ze schudt weer heftig van nee). Waarom geloofde ik hem? Ik wist dat hij Salinger las, dat hij het gedicht 'The Raven' zo koesterde, dat zijn lievelingsschilderij De schreeuw was van Munch. Allemaal duidelijke aanwijzingen, toch?"

Altijd dezelfde wanhopige vragen teisteren mensen die geconfronteerd werden met zelfmoord. En meteen komt bij dergelijke interviews die typische reflex van de bevrager. Even ter troost snellen, of uit eigen verleden iets oprakelen als mager tegenbewijs. Zeggen bijvoorbeeld dat menige jongere, buiten het blikveld van de ouders, in die dark ages verzeild geraakt. Jijzelf ook. Geen Poe of Salinger drapeerden toen donkere schaduwen rond jouw jongvolwassenheid, wel Jotie T'Hooft met zijn Schreeuwlandschap ('Op een dag zal ik weg zijn en wat dan?') en Goethes Het lijden van de jonge Werther. In je hoofd ploft spontaan het obligate gedicht dat je zelf componeerde. 'Zoëven was ik weer alleen/de schreeuw van weg/de volheid één/ de leegte/ een ravijn opzij/ en niets meer dan jouw reuk voor mij.' Ook een ravijn.

"Het klopt", zegt Frieda. "Elke jongere zoekt en wroet, maar die zoon van mij is er nooit uit losgekomen. En Vincent had ook een pak redenen om zich slecht te voelen. Hem werden ongeveer dagelijks bewijzen geleverd voor het feit dat het leven één grote brok lijden was. Mijn huwelijk was kapot, er was een groot financieel probleem gegroeid mede door toestanden met mijn ex-man, maar waarover ik hier niet verder uit wil weiden. Hoe dan ook, we zijn in een paar jaar tijd op de sociale ladder helemaal naar beneden getuimeld. Van luxevilla met vaste werkster en gouvernante werd het plots sociale woning in een achtergestelde buurt. Vincent moest later naar een nieuwe school toe, werd gedwongen nieuwe vrienden te maken. Het viel hem allemaal behoorlijk zwaar. Moeilijk voor hem was ook de afwezigheid van zijn vader. Die vader heeft zich na de eerste zelfmoordpoging van Vincent nog even op de voorgrond bewogen, maar is daarna definitief uit Vincents leven verdwenen. Mijn zoon was verdrietig en kwaad tegelijk. Dat versukkelen, dat in uitersten vallen, zich van alles de dupe voelen, verlatenheid kennen. Voeg daar de literatuur aan toe die hij verzwolg en je hebt... tja wat we hier gekregen hebben." We moeten opnieuw onderbreken. Het duurt even voor Frieda haar verhaal weer oppikt, maar haar betoog gaat nadien gewoon verder. "Ik ben behoorlijk dwaas bezig geweest, almaar op zoek naar werk, om geld te verdienen, om ons gezin op poten te krijgen. Intussen bleef ik onzeker over Vincent, ik verstikte hem bijna met mijn overdreven zorg.

"Hij had een geschiedenis van verlaten worden. Vincent heeft ook nog twee zussen en een daarvan verkoos bij de vader te blijven, ook haar zag hij niet meer. Vincents vriendinnetje zette een punt achter de relatie en toen mijn zoon nadien grote bewondering toonde voor een studente die in de Pizzahut werkte en aan de universiteit filosofie studeerde, ging ook dat mis. Hij kon geweldig goed met dat meisje praten. Zij was echter vijf jaar ouder dan hij en ging niet in op zijn avances. Vincent stelde voor zichzelf vast dat het leven een lange ketting was van kennismaken en afscheid nemen. Elke vondst hield verlies in, elke ontmoeting betekende achtergelaten worden. Dat kon hij niet meer hebben en na een tijd is hij zelf begonnen met afscheid te nemen. Bewust, al hebben we dat pas na zijn verdwijning doorgehad. Hij is bij zijn ex-vriendinnetje geweest. Hij ging naar oma toe, om haar bij vertrek drie zoenen te geven, wat absoluut niet zijn gewoonte was. Mij heeft hij de ochtend van zijn vertrek ook bewust gedag gezegd. Ik had echter niets door. Een paar uur later bleek hij al op een vliegtuig naar de Verenigde Staten te zitten."

Het valt op, zeggen we tijdens een korte pauze in ons gesprek, hoe Frieda wanneer ze het over Vincent heeft, afwisselend van verleden naar tegenwoordige tijd springt. 'Vincent is..', 'Vincent deed..'

"Het klopt dat ik dat doe, ik verwissel de tijden, alles is dan ook zeer verwarrend. Met welke gegevens blijf ik tenslotte achter? Met herinneringen die ik uiteraard vrij interpreteer en met de inhoud van een kleine rugzak. Met een kast vol muziek van Vincent. Bach, altijd maar Bach. De Goldberg Variaties bijvoorbeeld. Nog het liefste gespeeld door de pianiste Rosalyn Tureck. Of het Adagio for Strings van Samuel Barber. Je moet daar eens naar luisteren, je valt omver. Ik kan het de laatste tijd niet meer. (haalt diep adem) Ik heb vorig jaar Vincents laatste reis overgedaan, het hele traject, ik heb toen ook de trein genomen zoals hij deed van New York naar de Niagara Falls. Ik heb in de buurt van die vuilnisbak aan de rand van de watervallen gestaan. Mij viel overigens op dat je daar heel makkelijk in kunt springen. De Amerikanen beweren dat alles goed afgeschermd is, maar dat klopt niet. Je wringt je door die bomen en stapt er gewoon in. Er springen per jaar zo'n zestig mensen naar beneden en zelden vindt men iets terug. De lichamen drijven naar Canada, drijven weg."

Heeft Frieda intussen het boek gelezen dat in de rugzak stak, The Catcher in the Rye van JD Salinger? Het boek handelt uitgerekend over een jongen, een puber van zestien, die door New York slentert en ook bij 'zijn' afgrond terechtkomt. Een bekend stuk uit dat boek, verwijzend ook naar de titel luidt: "...Dan zie ik steeds die kleine kinderen in het koren spelen en zo. Meer dan duizend kinderen. En verder niemand in de buurt. Ik bedoel, geen groten, behalve ik. En dan sta ik aan de rand van de afgrond. En wat ik dan moet doen: ik moet ze opvangen als ze in de afgrond beginnen te vallen..."

Frieda: "Vincent had dat boek al veel eerder gelezen. Ik zag het op een dag op zijn bureau liggen. Vincent zei: 'Mama, allez, ken je dat boek niet, het is een bestseller uit uw tijd, heel mooi'. Ik beloofde hem dat ik het zou lezen, maar deed het uiteindelijk niet. Te veel werk, altijd bezig. Nadat we het boek, een nieuw exemplaar overigens dat hij in de Verenigde Staten had gekocht, in de rugzak vonden, ben ik wel gaan lezen. Een drietal keer heb ik het boek doorploegd, van voren naar achteren. Ik ben gaan interpreteren en heb vergelijkingen getrokken. Meteen bleek dat dit overduidelijk Vincents verhaal was. Hij heeft zich volledig geïdentificeerd met het hoofdpersonage Holden Caulfield. Ook zijn vader was advocaat, ook hij trok naar New York op zoek naar zichzelf, weg uit de wirwar die zijn jonge leven was. Maar, dat vond ik wel opmerkelijk, het boek had een open einde. Enfin, ik lees het toch zo. Maar uitgerekend dat open einde van het boek maakte dat ik ineens ook aan een open einde van Vincents tocht moest denken. Zo kon ik me geen werkelijk idee vormen, kan ik bijgevolg niet afronden en dus geen afscheid nemen. Dat is ook de reden waarom ik, zoals jij opmerkte, de werkwoordsvormen dooreen haal. Verleden en heden, het loopt nog in elkaar over. Ik móét ook kennelijk met de mogelijkheid van één procent rekening houden dat Vincent nog ergens rondloopt.

(begint opnieuw te huilen) Er is gezocht in de buurt van de Falls, door politiemannen en later door onszelf. We zochten mensen die mogelijk met Vincent gesproken hadden, hem op de trein zagen, hem in de taxi naast zich hadden, of bij hem zaten in het vliegtuig, naar getuigen die hem eventueel zagen springen, kortom naar íéts. Maar alles blijft nevelig. Ik kan die zoon dus niet afgeven, ik wil het ook niet. Ik heb er verdorie tien jaar moeite voor moeten doen om hem te krijgen. En dan heb je nog die grote contradictie in mijn leven. Ik beheerde vroeger een belangrijk adoptiebureau. Ik heb honderden kinderen naar België gebracht om ze hier een nieuw leven te geven. Ik heb alle mogelijke landen bezocht, toen adoptie nog niet zo evident was. Ik heb van daaruit kinderen vanuit hun moeilijke omgeving naar een bijna verzekerde toekomst laten overvliegen. Uitgerekend ik moet een van mijn eigen dierbare kinderen afgeven, uitgerekend mijn zoon vliegt weg van ons naar een ander deel van de wereld, zijn dood tegemoet." (Ze stapt naar de wandkast, waar een beeldje staat met een ingekaderde tekst ernaast) "Kijk, dit heeft hij die laatste maanden gemaakt, een kleiwerkje voor school, in de vorm van een doos." Ik lees: "Net als bij de doos van Pandora, waar alleen de hoop nog inzit, symboliseert dit werk de hoop. De doos is vol, vol van hoop, het enige dat ons nog rest, de doos is dus vol en leeg tegelijk. Het hangt er eigenlijk van af wat je ermee aanvangt. Vincent."

Frieda: "Hij heeft zich, zo blijkt intussen, maanden voorbereid op zijn vertrek. Hij heeft een paspoort en een ticket aangevraagd. Niemand werd daarvan op de hoogte gebracht. De reis die ik vorig jaar gemaakt heb, Vincent achterna, heeft me, nadien gezien, weinig concreets opgeleverd. Ik voelde wel een verbondenheid toen ik in zijn voetsporen naar die watervallen stapte, ik was uiteraard heel geëmotioneerd toen ik zijn lievelingsbloemen, witte orchideeën, in de diepte gooide, maar toch heeft die tocht me niets tastbaars opgeleverd. Integendeel, ik kwam thuis met een nieuw schuldgevoel. Ik zei constant: waarom ben ik niet vroeger gegaan, misschien had ik nog iemand ontmoet die hem kende. (wacht even) Ach, wat helpt het allemaal, mijn reis toen, dit gesprek hier. Eigenlijk zou je dit interview moeten laten vallen en in de plaats op die bladzijde van jouw krant een volledig zwart blad laten maken. Eén groot zwart gat. (pauzeert) "Ik ben kwaad als de zon schijnt. Ik haat zondagen, die lange lege dagen, symbolen van complete inertie en lusteloosheid. Vincent en ik fietsten vroeger veel op zondag. Ik haat het om in deze julimaand op straat te komen. Het is vakantie, er lopen veel jongelui buiten, ik kan niet anders dan ze nauwlettend bekijken. Ze spelen of lummelen wat. Ik bedenk dat mijn zoon er nu twintig is, dat hij groeit, dat hij hoewel een vaststaand beeld in mijn herinnering toch nog groter wordt, er anders gaat uitzien. Ik stel me voor dat hij aan de universiteit zit en economische wetenschappen doet, zoals hij het twee jaar geleden wou. Na zulke wandelingen en bedenkingen kom ik weer thuis en vraag me meteen af welke les ik daaruit moet trekken. Wat is mijn aandeel, mijn schuld, wat voor boete moet ik doen, tegenover wie moet ik wat inlossen? Hoe los ik het in hemelsnaam op? Naar welke film kan ik nog gaan zonder te denken: die had Vincent graag gezien. Laatst zag ik op televisie The English Patient en ik zei: Vincent zag die graag. Hoe lang zal ik nog de zender Klara mijden op mijn autoradio. Wanneer kan ik naar een tentoonstelling toe zonder bij elk voorwerp te bedenken: hij zou... hij zou..."

Waarin vindt ze een minimum aan troost?

"Troost? (zucht) Ken ik niet. Ach, ik heb uiteraard mijn andere dochter, die ik koester en voor wie het evenmin makkelijk zal zijn. Ik heb vrienden, maar die zijn mijn verhaal na twee jaar wellicht ook kotsbeu. Dus herkauw ik alles voor mezelf, laat ik alle feiten elke dag opnieuw de revue passeren. Niet dat het helpt, maar het houdt me bezig. Zoals mijn huidige job me verschrikkelijk motiveert en bezighoudt. En misschien moet ik in de toekomst ook iets structureels omtrent vermiste kinderen gaan doen. Al val ik ook bij de verschillende verenigingen een beetje uit de boot, wegens de aard van de verdwijning. Mijn zoon is vermist en ook weer niet, omdat men bijna zeker weet wat zijn laatste rustplaats is. Misschien wil ik op termijn nog een vereniging voor ouders van vermiste kinderen oprichten, want die bestaat eigenlijk nog niet. Er zijn veel verdwenen kinderen, maar er zijn weinig onopgeloste zaken van onrustbarende verdwijningen. Ik meen dat dit percentage slechts 2 procent van de totaliteit uitmaakt. Nu, voorlopig neem ik geen initiatieven, ik richt me nogal fanatiek op mijn werk en zo bouw ik mondjesmaat een nieuw leven op."

'Ik begrijp dat de moeder van Elizabeth Brichet in die tijd dat alles over haar dochter in het ongewisse bleef naar Canada vertrok. Ik heb er ook ooit aan gedacht weg te gaan. Anderzijds, ik heb nog kinderen, nietwaar. En ook belangrijk is: ik kan dit huis eigenlijk niet verlaten, omdat zich in dit huis Vincents kamer bevindt. Ik vrees dat als ik wegga alweer iets zal worden doorgeknipt.

"Ik heb een paar weken geleden nog iets enorm emotioneels meegemaakt. Ik ging voor het eerst na heel die toestand fietsen. In het hok beneden stonden de fiets van Vincent en van mij met elkaar verbonden door een fietsslot. Ik weet niet hoe lang ik in het berghok heb staan huilen, omdat ik voor de eerste keer dat slot open moest doen en onze twee fietsen van elkaar losmaken."

Frieda wil even op adem komen, zoekt en vindt de video met daarop de laatste beelden van Vincent, een paar weken voor hij vertrok. De beelden tonen een grapjas, een imitator van bekende politici in verschillende talen. Zijn schoolvrienden en -vriendinnen brullen van het lachen. Vincent was wel het haantje-de-voorste van de klas, merken we op, maar Frieda reageert niet. Ze kijkt met gefronste wenkbrauwen naar het scherm. Na acht minuten 'Vincent kijken' draait ze zich weer om.

"Weet je, ik kan ook bij jou, in dit nochtans heel open gesprek, niet verwoorden wat ik écht denk en voel. Wat ik maar niet van mij af kan schudden is dat gevoel dat ik schuldig ben. Ik sta op en ga slapen met de gedachte dat ik veel boete moet doen. Maar ik doe mijn best voor de mensen die ik koester. Ik wil ook niet dat ze van me weglopen."

Maar het was tenslotte zijn eigen keuze om te springen. Toch?

Frieda: "Ik hoor dat van mijn therapeut, dat zal misschien kloppen maar ik kan Vincents definitieve vertrek niet als een bewuste keuze zien. Ik vind het vooral een zeer jammere daad. Anderzijds... ik heb ook volgende gedachten en ik weet niet wat ik ermee moet: Vincent heeft zijn rugzak voor hij sprong afgelegd en is gaan vliegen. Vliegen met de rugzak ging waarschijnlijk niet. Want, weet je (voor het eerst breekt iets wat op een glimlach lijkt door) die eerste keer, toen Vincent van dat flatgebouw sprong, had hij zijn armen en zijn benen wijd open gespreid, alsof hij wou vliegen. Dat is nadien gebleken. Misschien heeft hij het daar bij die watervallen net zo gedaan. Misschien was het ook die tweede keer meer dan weglopen, proberen weg te vliegen. Ach, ook daarmee kom ik natuurlijk niet vooruit. Wat me wel steeds duidelijker wordt, is: Vincent heeft die rugzak afgelegd, bij het vuilnis gegooid, en ik heb intussen een loodzware rugzak aangebonden."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234