Zondag 09/05/2021

Reportage

Frénk van der Linden koos bij scheiding van zijn ouders voor vader: ‘Grootste fout van mijn leven’

 In 2011 komt het hele gezin voor het eerst in veertig jaar weer samen. Beeld Prive-archief Frénk van der Linden
In 2011 komt het hele gezin voor het eerst in veertig jaar weer samen.Beeld Prive-archief Frénk van der Linden

Toen zijn ouders uit elkaar gingen, koos Frénk van der Linden als puber resoluut voor zijn vader. Want was zijn moeder niet ‘die snol’ die voor een ander had gekozen? In En altijd maar verlangen ziet de Nederlandse journalist (63) de grootste fout van zijn leven onder ogen.

Niet lang voor de dood van mijn moeder maakte mijn vader van zijn rechterhand een pistool dat hij tegen haar voorhoofd zette. “Als ik vroeger een geweer zou hebben gehad,” zei hij, “had ik je kapotgeschoten, weet je dat? En die klootzak van je erbij.”

Het was 2011. Voor de eerste keer in veertig jaar zaten we bij elkaar: pa, mam, mijn zus Désirée en ik. De reünie van ons gezin was harmonieus begonnen, maar zodra het echtscheidingsverleden en de minnaar van mijn moeder ter sprake kwam, leek het mis te gaan. Zij, alzheimerpatiënte, schrok zich rot. Toch bleef ze rustig. Intuïtief krulde ze haar vingers om de loop van het wapen dat op haar was gericht. “Dat begrijp ik”, zei ze. “Echt waar, Jan. Des te fijner dat we weer samen zijn, hè? Daar ben ik je ontzettend dankbaar voor.”

Ik zag mijn vader slikken. Hij drukte een kus op haar vingers en ging weer zitten. Zo ontwapenend had ik mijn moeder nog nooit meegemaakt.

Held

Ooit was mijn vader mijn held. Stoer zat hij dag in, dag uit achter het stuur van de twintigtonner waarmee hij vanuit de Bollenstreek (streek in de provincie Zuid-Holland, red.) tulpen, hyacinten en narcissen naar de havens van Rotterdam en Amsterdam vervoerde. Hoe klein van stuk hij ook mocht zijn, op zijn cabine stond in hoofdletters ‘KING OF THE ROAD’. Bij ons in Hillegom gold hij eind jaren 60, begin jaren 70 als de beste chauffeur in de wijde omgeving. Collega-truckers stonden te applaudisseren als hij zijn DAF met aanhang­wagen in één keer achteruit door een smalle poort bij een garage naar binnen manoeuvreerde. Op de laadklep had hij een sticker bevestigd: ‘Pas op dames, die van mij is achttien meter lang.’

Tussen de voetbalposters waarmee de muren van mijn slaapkamertje waren behangen, hingen foto’s van Jan van der Linden als twintiger, een gerold sigaretje in een mondhoek, gezeten op de motorkap van een vrachtwagen waarmee hij na barre tochten steden als Berlijn, Parijs en Praag had bereikt. Eén kiekje met kartelranden sprak extra tot de verbeelding: pa in Bastogne. Midden in een bos laadde hij daar boomstammen voor een Noord- Hollandse houtzagerij. “We moesten uitkijken dat we niet op een handgranaat trapten”, vertelde hij keer op keer. “Het was 1946, het stikte nog van de wapens die de Duitsers na het Ardennenoffensief hadden achtergelaten.”

Kon het spannender? Ik wilde óók trucker worden.

Mijn moeder Erica kon haar enthousiasme over de vrachtwagenliefde van haar echtgenoot wel in toom houden. Als schoonheidskoningin uit Haarlem (ze werd bij ons in de buurt ‘stadsjuffertje’ maar ook ‘Greta Garbo’ genoemd) genoot ze in den beginne volop van mijn vaders ­adoratie. Op kermisdagen pronkte hij met haar aan de arm alsof ze een prijs was die hem in een schiettent ten deel was gevallen.

In mijn puberteit merkte ik dat het minder idyllisch in elkaar zat. De ­zestigurige werkweken van modelchauffeur Jan bevielen mijn moeder helemaal niet, de zater­dagen dat hij reparaties aan zijn DAF uitvoerde evenmin. Ik hoor het haar nog zeggen: “Jij ligt nog liever onder die vrachtwagen dan onder mij”.

Lege sherryfles

Breed hadden we het niet. Geen geld voor vlees op doordeweekse dagen, geen geld voor een krant, geen geld voor een vakantie, geen geld voor schoolboeken. Om bij te verdienen ging mijn moeder bollen pellen. In de schuur van J.C. Müller ontmoette ze ‘een man met lange smalle handen, hele lichte ogen en een accordeon’, zoals ze later aan een therapeut zou schrijven. John. Ze viel als een blok voor hem. Als mijn vader in Goes, Groningen of Gorinchem een lading aan het lossen was, stond ze met meneer in onze keuken te vrijen ­terwijl mijn zusje Désirée en ik naar Catweazle keken. John liet op kosten van mijn vader een enorme bos bloemen bezorgen voor mijn moeder. John vroeg voor pa ‘Huilen is voor jou te laat’ van Corry en de Rekels aan op de radio. John bracht mam midden in de nacht bij ons op de stoep een aubade. En alsof dat allemaal niet genoeg was, tufte John iedere avond met zijn rode Opel Kadett over het plein waaraan wij woonden – toeterend naar de vrouw die bij ons de spinazie à la crème op tafel zette.

Had ik een ontaarde moeder? Was ze liefdeloos, egocentrisch, kil? Verre van. Ze belichaamde het begrip ‘warm bad’. Iedereen roemde de stralende ogen waarmee ze je luisterend aankeek, de handen die ze even op de jouwe kon leggen, haar koesterende lichamelijkheid. Tegelijkertijd was ze neurotisch en chaotisch – een vrouw uit duizend stukken. Ze had geen greep op het leven. Niet eens op zichzelf. Misschien kwam het door het vroege overlijden van de man wiens oog­appel ze was geweest: haar vader, die tuberculose had opgelopen in de oorlogsjaren dat hij Duitse dwang­arbeid verrichtte. Ze verlangde naar aandacht, wilde gezien worden, gestreeld. John gaf mijn moeder wat zij in haar huwelijk al zo lang ­tekortkwam.

Ik bracht haar dagelijks ontbijt op bed. Beschuitje met confituur. Zachtgekookt ei. Kopje thee. Op het nachtkastje stond regelmatig een lege sherryfles naast het bekende doosje antidepressiva. Soms moest ze met een ambulance naar het ­ziekenhuis worden gebracht. “Vertel me, Frénk,” zou ze op haar oude dag eens zeggen, “waarom mag een vrouw wél van meerdere kinderen houden, en niet van twee mannen? Ik kon niet kiezen tussen Jan en John. Ik werd gek.”

Ze verdween een maand of wat in een gesloten zenuwinrichting. Elektroshocks. Isoleercel. Kalmerende injecties. Vervolgens keerde zij terug bij pa, Désirée en mij – om korte tijd later de draad van haar verhouding met John op te ­pikken. Een familielid haalde haar van een spoorlijn bij Bennebroek, waar ze met suïcideplannen naartoe was gefietst. Wéér opgenomen ­tussen psychiatrische patiënten.

Uiteindelijk gooide mijn moeder werkelijk de deur achter zich dicht. Tot groot verdriet – en minstens zo grote woede – van mijn vernederde vader. Huilend kroop hij op zijn knieën door de woonkamer, om zijn hoofd tot bloedens toe tegen de ­ribben van een cv-radiator te slaan. Désirée en ik deelden zijn gevoelens. Zonder dat hij het wist, schreven we samen een brief aan de rechter die ­uitspraak moest doen in de echtscheidingszaak: onze moeder had alle ellende veroorzaakt, wij wilden haar nooit van ons leven meer zien en wensten te worden toegewezen aan pa. De jurist, een oude, wijze man, nodigde Désirée en mij uit voor een gesprek – op tafel een fles Chocomel en een pak koek. Rustig onderzocht hij of we het méénden. Nou en of. Zijn beslissing luidde dat de kinderen bij hun vader bleven wonen.

Erica van der linden met haar zoon Frenk. Beeld Prive-archief Frénk van der Linden
Erica van der linden met haar zoon Frenk.Beeld Prive-archief Frénk van der Linden

Waardoor ben ik dit splijtende moment (indertijd was ik 13, nu 63) in de loop der jaren gaan beschouwen als de grootste fout van mijn leven? Hoe vielen me de schellen van de ogen?

IJskoud

“Ik heb een nieuwe moeder voor jullie gevonden’’, zei mijn vader toen we een jaar met z’n drieën hadden geleefd. Kippen- of tomatensoep, De Efteling of Ponypark Slagharen, voetbal of schaatsen kijken: wat we deden en wat we lieten was al die tijd een gezamenlijk besluit. Dat pa plomp­verloren Greet en haar drie kinderen bij ons liet intrekken, ondermijnde onze band. Niettemin bleven we hem trouw. Hij verdiende het, hij was het slachtoffer in de liefdesoorlog tussen onze ouders.

Een tweede wond bleef hem niet bespaard. Benno, het kind dat Greet en hij samen kregen, werd achter ons huis doodgereden door een vrachtauto van zijn eigen transportbedrijfje. Het vergrootte de rancune jegens onze moeder. Zij en John hadden inmiddels twee kerngezonde dochtertjes.

Mijn vader noemde mijn moeder ‘dat gekkenhuis’. Schilderde haar af als snol. Zei voortdurend dat hij haar haatte. Pas na tien jaar voelden Désirée en ik de behoefte de andere kant van het verhaal te horen. Het was te zwart-wit; we begonnen zelf in relaties te ontdekken hoe ingewikkeld, gelaagd en veelkantig de liefde is.

Op mijn 23ste stond ik met mijn zus weer tegenover de vrouw aan wie wij het leven te danken hadden. Ik stak een hand uit, zij stak een hand uit, en voor ik het wist vielen we elkaar in de armen. Het leek alsof ik een dier was. Zo ruikt maar één levend wezen, realiseerde ik me: mijn moeder.

Samen port drinken en Havana’s roken, samen op bezoek bij een therapeut, samen een weekend in Parijs, samen liedjes van Robert Long zingen, samen terug naar Hillegom. We deden het allemaal – mijn moeder en ik. Jarenlang probeerden we in te halen wat we hadden gemist. Stukje bij beetje drong de les tot me door: Désirée en ik hadden een vader en een moeder die beiden op hun eigen manier ‘schuldig’ waren aan hun amoureuze mislukking.

Het was een dans geweest, en net als bij een echte dans weet je niet wie er leidt, en wie er volgt. Zelf klunsden wij ook wat af in verhoudingen. Ieder van ons, zeiden mijn zus en ik tegen elkaar, moet met de liefde zijn eigen omgangsregeling uitdokteren.

Het is makkelijk om je ouders achteraf de maat te nemen. Het is moeilijk om hun schoenen aan te trekken en met hen mee te voelen. In de praktijk bleek het confronterend om te horen (en echt tot me door te laten dringen) dat mijn moeder het vaak ijskoud had gehad bij Jan van der Linden, de charmante grote-bek-trucker die zichzelf gods gift aan de mensheid achtte. Net zoals het schrikken was om te overdenken wat het diep vanbinnen met hem had gedaan om keer op keer te worden belogen en bedrogen door Erica van den Brink, zijn echtgenote.

It takes two to tango: hoe krijg je je ouders daarover in gesprek na veertig jaar zwijgen over en weer? Op welke manier kun je bijdragen aan ­verzoening? Désirée en ik hadden als kinderen door die noodlottige brief richting de rechter de echtelijke strijd extra hoog laten oplaaien. Naarmate het levens­einde van onze ouders ­dichterbij kwam, voelden we meer en meer dat het aan ons was om een oplossing te verzinnen.

Rode roos

En toen kwam alzheimer. Mijn moeder raakte zo vergeetachtig dat de medische conclusie na verloop van tijd onontkoombaar was: zij dementeerde. “Die man, dat was ik”, zei ze, wijzend naar een pasfoto van zichzelf. Hoe haar zoon heette, wist ze niet meer. Wel herinnerde zij zich de beginzin van ‘Suzanne’, uitgevoerd door Herman van Veen. In het verpleeghuis waar ze woonde, dansten we elke week op haar favoriete lied. Zo zong ze het:

‘Suzanne neemt je mee naar een boot op het water’

“Nee mam”, fluisterde ik dan in haar oor. “Het is ‘naar een bank aan het water’.”

Waarop zij steevast antwoordde: “Maar met een boot kun je samen naar de overkant, lieve jongen.”

Het was haar ziekte die mijn vader in 2009 over de drempel hielp. Omdat mijn moeder niet lang meer te leven had, stemde hij in met een ontmoeting. Op voorwaarde dat zij door het stof zou gaan: ze is bij mij weggegaan, dus moet ze weer bij mij aankloppen. Zo geschiedde. Op het moment dat mijn moeder bij hem binnenstapte, nam mijn vader op straffe toon het woord. “Erica, nou moet jij eens even goed naar mij luisteren.” Hij legde beide handen plat op zijn borst. “Ik ben nog nooit zo verdrietig geweest als toen jij me verliet. En…” Diepe zucht. “En ik ben verdomme nog nooit zo blij geweest als nu jij hier weer staat.”

Omhelzingen. Kussen. Drie uur lang zaten mijn ouders als tortelduiven naast elkaar op de bank. Hand in hand haalden ze herinneringen op. Eigenlijk hadden ze het “hartstikke goed met elkaar gehad”. En die vier decennia haat en nijd, ach nou ja, als je er rustig over nadacht: nergens voor nodig. Een vuiltje, spijtig dat het niet eerder was weggepoetst.

Tot het overlijden van mijn ­moeder, een paar jaar later, zou het zo blijven: pais en vree. Op het zeldzame ogenblik na dat mijn vaders razernij van weleer opspeelde en hij een ­pistool van zijn hand maakte. Bij haar dood legde hij een rode roos op de kist, en kuste hij het hout.

Tijd is de grote heelmeester, heb ik aan den lijve ondervonden. Maar zo nu en dan legt hij pijnlijke dingen bloot. Pas de afgelopen jaren ben ik gaan inzien dat aan het dierbare contact met mijn moeder iets belangrijks ontbrak: de durf om ruzie te maken. Bijvoorbeeld over de even onbeholpen als genadeloze wijze waarop zij ons gezin had verlaten. Ik haalde het niet in mijn hoofd, ooit had ik haar per slot van rekening al tien jaar leed bezorgd. Ook zij ging frictie uit de weg. Ongetwijfeld omdat ze niet wilde riskeren dat ik mij wéér van haar zou afwenden. Welbeschouwd heeft het iets tragisch als moeder en zoon het niet wagen elkaar af en toe de waarheid te vertellen.

Daad van moed

Ook met mijn vader liet ik een heikel onderwerp onbesproken. Nooit vertelde ik hem recht in zijn gezicht hoe begrijpelijk ik het op latere leeftijd vond dat mam hem in het verleden de rug had toegekeerd. Weggaan bij zo’n op zichzelf gerichte man: in mijn ogen was het bij nader inzien een daad van moed. Zelfs op pa’s sterfbed, drie jaar terug, in de rust van een hospice, kreeg ik het niet over de lippen.

Sinds ik definitief afscheid moest nemen van mijn ouders, schreef ik beiden een kleine honderd brieven. Niet om hen lastig te vallen met oordelen. Niet om hen louter verwijten te maken. Niet om hun vragen te stellen die geen mens kan beantwoorden. Ik pakte de pen op om de gesprekken te voeren die ik niet had gevoerd toen zij nog leefden. Maar wat begon als een poging om de twee mensen te begrijpen die me op de wereld hadden gezet, werd automatisch ook een zelfonderzoek. We blijven allemaal tot onze laatste ademtocht in gesprek met onze ouders, of we het willen of niet, en misschien leren we nog het meest van hen als ze er niet meer zijn.

null Beeld RV
Beeld RV

Frénk van der Linden, En altijd maar verlangen. De liefdes­oorlog van mijn ouders, Luitingh-Sijthoff, 240 p., 20,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234