Vrijdag 19/07/2019

Frankrijk rouwt om zijn industriële kathedraal

Negentig jaar Franse sociale en industri�le geschiedenis wordt platgewalst. Wat komt er in de plaats van Renaults fabriek aan de Seine?

John Lichfield

De allereerste fabriek van de Franse autoconstructeur Renault beslaat een volledig ovaal eilandje in de Seine, op een viertal kilometer stroomafwaarts van de Eiffeltoren. Wat resteert van de witte assemblagehallen lijkt rechtstreeks uit de rivier op te doemen, wat stof kan opleveren voor extravagante vergelijkingen: een slagschip? Een vliegdekschip? Een soort Alcatraz-gevangenis voor het proletariaat?

Het eiland, en de fabriek, zijn zo'n halve kilometer lang en, op hun breedste punt, 150 meter breed. De graafmachines en bulldozers die het moeten platgooien lijken op gele, mechanische dinosaurussen die aan een gigantisch lijk knabbelen. Na twee maanden gekauw is driekwart van het karkas nog steeds onaangeroerd. De volledige afbraak zal langer dan een jaar duren.

Met de geaffilieerde ateliers aan beide oevers van de Seine was dit ooit de grootste en modernste fabriek in Europa, de geboorteplaats van klassieke modellen die het pragmatisme en de panache uitstraalden waarvoor de Fransen bekendstaan: de Dauphin in de jaren vijftig, de Renault 5 in de jaren zeventig, de Espace in de jaren tachtig. De fabriek in Boulogne-Billancourt, op de drempel van Parijs, werd het symbool van de Franse industriële kracht, een smeltkroes voor immigranten uit meer dan 40 verschillende landen, de geboorteplaats van de Franse communistische partij en de vuurproef voor de vakbonden in het land. Dit is de plaats waar Jean-Paul Sartre de verdwaasde arbeiders onderrichtte over het politieke belang van de studenten- en arbeidsrevoluties van mei 1968.

In 1992 rolde de laatste auto van de assemblageband toen Renault, een bedrijf dat intussen eigendom was van de overheid, zijn productie decentraliseerde over Frankrijk en de wereld. Twaalf jaar lang was de verlaten fabriek het onderwerp van esthetisch en sentimenteel getouwtrek. Moet het Île Seguin worden platgelegd om kantoorruimte, huisvesting en een park op te leveren? Of moet de sinistere maar indrukwekkende janboel van ateliers worden omgevormd tot iets nuttigs voor het moderne, postindustriële tijdperk, zoals een energiecentrale?

De grootste architecten ter wereld kibbelden druk, en brachten plannen binnen voor een van de grootste stedelijke vernieuwingsprojecten die Europa rijk is. Sommigen waren er voorstander van om alles plat te gooien, anderen stelden voor om in de gebouwen appartementen of ateliers voor artiesten in te richten. Ondertussen lijkt het lot van Île Seguin bezegeld. Of niet?

Op dit moment wordt een derde van het eiland, de westelijke kant ervan, met de grond gelijkgemaakt. De Franse selfmade miljonair François Pinault, een goede vriend van president Jacques Chirac en de eigenaar van Gucci, Christie's, Printemps en Fnac, wil in november al de eerste steen leggen voor zijn nieuwe visie van het Île. Pinault wil er het grootste privaat gefinancierde museum in Frankrijk optrekken, een schatkamer van Amerikaanse en Europese kunst, vooral onttrokken aan zijn eigen enorme maar veelal ongeziene collectie. Hij heeft de internationaal befaamde Japanse architect Tadao Ando ingehuurd om een gebouw te ontwerpen dat, volgens zijn eigen plan, de omvang en de grandeur zal hebben van het Guggenheim in Bilbao. Ando's recentste plan, dat onlangs werd voorgesteld, lijkt op een ruimteschip dat geland is in de Seine.

Op het nieuwe Île Seguin wordt Renault, het symbool van door de staat aangedreven industriële macht, vervangen door Pinault, de verpersoonlijking van de ondernemende boekanier. Productie wordt vervangen door cultuur en toerisme; industrie door diensten. Maar er zijn geruchten dat niet alles goed gaat met het sterrenschip Pinault. Tot nu toe was zijn overname van het Gucci-imperium een ramp. Hij wordt achtervolgd door rechtszaken in de Verenigde Staten, over zijn overname van een aantal portefeuilles van 'junk bonds' (waardeloze obligaties) bij een Californische verzekeraar in de jaren negentig, een deal die van de miljonair een miljardair maakte.

Heeft hij nog steeds het geld om een 152 miljoen euro kostend museum voor zichzelf te bouwen? Er zijn een aantal artikelen geweest in de Franse kunstpers die aan zijn performantie twijfelen. Pinault zelf wuifde de twijfels uiteraard weg: de Fondation Pinault gaat in 2007 open, beklemtoonde hij onlangs.

Als er vertragingen zijn, voegde hij eraan toe, zijn die zuiver toe te schrijven aan het gemeentehuis van Boulogne-Billancourt, dat maar geen beslissing wil nemen over wat het wil doen met de overige twee derde van het eiland. Van vijftig ingediende architecturale voorstellen heeft de gemeente er vier uitgekozen. Ze volgen allemaal het advies van de overheid, namelijk dat ze de oude fabrieksstructuren die ze vervangen, dienen te imiteren en bejubelen. Het winnende project wordt in september gepresenteerd.

Maar is het echt nodig om de gebouwen neer te halen voordat ze kunnen worden geïmiteerd? In 1988 bouwde de toen 21-jarige Louis Renault een kleine auto in het atelier van zijn ouders in Billancourt, in het westen van Parijs. Tegen 1909 kreeg hij de toelating om een fabriek te bouwen op een eiland in de Seine, dicht bij zijn huis. Tegen 1914 liepen er 4.000 arbeiders rond op het eiland. Tegen het einde van de jaren twintig, toen de fabriek elke vierkante centimeter van het eiland innam, werkten er 40.000 mensen.

Het Île Seguin kreeg een reputatie van vakbondsmilitantisme of, afhankelijk van hoe men het bekijkt, die van een voortrekker in sociale verandering. Stakingen op het eiland konden regeringen doen vallen, en lokale overeenkomsten leidden jaren later tot genereus betaalde vakanties in Frankrijk. Wat voor de Amerikanen Detroit was, en voor de Britten Manchester, was voor de Fransen het Île Seguin. "Wanneer Billancourt niest, is Frankrijk verkouden." Tegen de jaren zeventig begon de productie uit te zwermen. Volgens Renault kon het eiland de moderne, geautomatiseerde assemblagetechnieken in Amerikaanse en Japanse fabrieken niet meer bijbenen. Het uitvoeren van nieuwe auto's per schip was kostelijk en onefficiënt. En vanaf het begin waren er vermoedens van politieke inmenging: Billancourt was een eiland met arbeiders tussen twee relatief rijke forenzenwijken in. Er ontstond druk om alle rokerige fabrieken uit Parijs te doen verdwijnen.

President Valéry Giscard d'Estaing kwam in 1974 aan de macht, en beloofde een withete technologische revolutie. Het Île Seguin werd de verpersoonlijking van oude, zware industrie, die werd ingehaald door industriële innovatie. Renault emigreerde naar een nieuwe fabriek in Flins. "Het Île Seguin was een speciaal oord, een mythisch oord", zegt de 63-jarige Mokrane Hamil, die in 1965 immigreerde uit Algerije. "Het strekte tot eer te werken in een fabriek die nog steeds, ondanks wat men erover durfde te zeggen, een van de geavanceerdste in Europa was toen ze haar deuren sloot. En ondanks alle nationaliteiten, alle rassen, alle godsdiensten, waren er nooit raciale problemen op het eiland. We waren allemaal van Renault. De fabriek had zich kunnen aanpassen, zoals het haar al meermaals gelukt was. Er was geen reden om ze af te breken. Het bedroeft me nu een plaats die ooit de dagelijkse kost betekende voor zovelen, en een symbool werd voor sociale solidariteit, te zien veranderen in een schrijn voor het kapitalisme, een plaats die alleen bestaat om het ego van een miljardair te bewieroken."

Politieke interferentie of niet: men kan zich afvragen hoe een fabriek op een eilandje, met een warboel aan gebouwen waarvan de meeste zijn opgetrokken in de jaren twintig, kon worden aangepast voor de robotrevolutie. Maar konden de gebouwen worden gered?

Jarenlang zei Jean Nouvel, een van de meest vooraanstaande architecten in Frankrijk en de ontwerper van het Institut du Monde Arabe in Parijs en het Guggenheim-museum in Tokio, dat de fabriek een belangrijke architectonische en historische plek is, en dus moet worden behouden. "Die muur van buitenste gebouwen aan de waterkant geeft de fabriek een zekere noblesse, die men normaal gezien alleen vindt in kastelen of militaire burchten", schreef Nouvel in 1999 in de krant Le Monde.

Nouvel richtte een 'vereniging voor de transformatie van het Île Seguin' op, met het idee dat het lot van het eiland toonaangevend zou zijn voor stedelijke vernieuwing wereldwijd. Stedelijke ontwikkeling moet in de toekomst worden geworteld in respect voor het verleden, zei hij. "De tijd van bulldozerplanning is voorbij. We moeten uitgaan van het principe dat we, tenminste ten dele, bestaande structuren moeten houden, om twee geschiedenissen met elkaar te verweven, die van gisteren en die van vandaag. Kijk naar Londen: wie had kunnen denken dat het Tate Modern zou worden geïnstalleerd in een oude energiecentrale in het centrum van de stad, waarnaar niemand meer omkeek? In Frankrijk is er de tendens om een oud en versleten gebouw gewoon plat te gooien."

Nouvels campagne om tenminste een stuk van de gebouwen op het Île Seguin te behouden is verloren in de praktijk, maar gedeeltelijk gewonnen in de geest. Een blauwe brug over de rivier en een klein gebouw, het voormalige hoofdkwartier, met de naam 'Renault' is al wat overblijft van de originele structuren. En de lokale raad stipuleerde dat de ontwikkeling van de andere twee derde van het eiland - een park, een wetenschappelijk complex, appartementen en winkels - "de industriële herinnering van de plek" in ere moeten houden.

Op het nieuwe Île Seguin wordt Renault, het symbool van door de staat aangedreven industriële macht, vervangen door Pinault, de ondernemende boekanier in persoon

n De allereerste fabriek van de Franse autoconstructeur Renault beslaat een volledig ovaal eilandje in de Seine, op een viertal kilometer stroomafwaarts van de Eiffeltoren.(Foto Epa)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden