Woensdag 18/05/2022

Fotograaf Stephan Vanfleteren

'Ik had zeer graag Briek Schotte en Rik Van Steenbergen zien rijden. Het liefst had ik in de jaren vijftig geleefd. Ook om een andere reden: alle auto's waren toen zwart. Dat is de reden waarom er zelden of nooit auto's op mijn foto's staan. Omdat ze niet meer zwart zijn zoals vroeger''Ik wil verdrietig blijven om wat verdwijnt. Al van toen ik een jonge gast was en in de duinen rondhing, zat die oude man in mijn hoofd'

Liever de kasseiweg dan de macadam

De flandrien van de fotografie, het zou als verwijt kunnen klinken of als eretitel. Stephan Vanfleteren vindt het vooral een mooie vergelijking. 'Dat men mij een nostalgicus noemt, vind ik ook niet erg. Ik wil niet hip zijn, want hip is drama, hip is vergankelijkheid. In mij heeft altijd ergens een oude vent gehuisd.' Deze oude jongeman sluit straks een belangrijk hoofdstuk in zijn leven af: het portretteren van de koers en van wielrenners. Maar niet zonder eerst zijn visuele testament te schrijven. In boekvorm. Op zijn manier.

Marijke Libert

Foto Dimitri Van Zeebroeck

Misschien raar dat ik het doe, hem interviewen. Het hoort niet, omdat ik zijn antwoorden ken, nog voor ik er vragen bij kan bedenken. Het resultaat is dat wellicht van veel samen zijn, zien en maken. Van ontmoetingen tussen oog en lens, onderwerp en focus, woorden en korrels, gedachtestrepen en sluitertijden.

Maar misschien was dat nu net de reden om het toch te doen, het feit dat hij me al veel over zijn wereld had verteld. Kan ik die bij deze even aan de anderen presenteren. Hijzelf zal het niet doen. Hij schuwt interviews, laat zich zelden over zijn werk uit. Tenzij nu, hier, wij, op zijn lievelingsplek, een houten bankje, hoog op de Oost-Vlaamse Patersberg, het tussenpodium voor de echte flandrien. Hier wil hij praten, het liefst tot de zon ondergaat in een frambozenrozerode gloed, bibberend soms van de wilde lentefrisheid en met verstijfd achterwerk....

"Kijk eens hoe erg", zegt hij en wijst van op de top van de Patersberg naar beneden, naar het schuin aflopende akkerland, naar de palen die de voren van de berm scheiden, maar vooral naar dat fout in de hengsels gehesen ijzeren hek. "Wat is Vlaanderen lelijk."

En ik die dacht dat jij mijn geboortestreek koesterde. Je zegt steeds 'schoon, schoon' als je door dit landschap rijdt, strekt dan je rechterhand uit en doet alsof je over die glooiingen in de verte strijkt.

Stephan Vanfleteren: "Vlaanderen is schoon én lelijk. Het is vooral hybride. Het is willen en niet kunnen of wel kunnen maar niet willen. Vlaanderen worstelt met zijn pracht, chaos en wanorde. Elke creativiteit die zich in dit landschap vertoont, houdt meteen ook een grote droefheid in. Voor een fotograaf als ik is het moeilijk werken met dit Vlaanderen. Te veel dingen storen me. Ik ben steeds bezig met dingen weg kadreren. Rust en eenvoud, dat wil ik in mijn foto's leggen. Vlaanderen maakt het me daarbij bijzonder moeilijk."

Als je dingen weg kadreert, meer ideaal dan realistisch maakt, dan vervorm je dat landschap toch? Droom je dan werkelijk van een Vlaanderen van honderd jaar geleden?

"Ik hoor dit soort opmerkingen vaker, maar ik heb er geen last van. Het enige wat me stoort, is het besef niet op het juiste moment geboren te zijn. De meeste plaatsen bereik ik minstens twintig jaar te laat. Ik ben dan nog net op tijd om de restanten van een geschiedenis bijeen te rapen. Voor mij betekent Vlaanderen fotograferen het in beeld brengen van wat rest aan kleine verhalen. Ik focus bijgevolg niet op de shoppingmall in Wijnegem maar op de laatste dorpswinkels."

Die binnenkort verdwijnen. Afscheid nemen en weemoed larderen jouw beelden. Constant het verval staan registreren lijkt me een frustrerende bezigheid.

"Het is een frustrerend leven. Dagelijks rijd ik rond met pijn in het hart omdat ik weer iets mis, iets wat er was, maar verdween. Gebouw weg, muur oververfd, mens gestorven. Ik denk trouwens dat op dit moment de hele wereld in een ijltempo verandert van uitzicht."

Je houdt van deze Vlaamse Ardennen, maar je geliefde landschap is dat van de zee. Je groeide op in Oostduinkerke.

"De Vlaamse Ardennen leerde ik pas twaalf jaar geleden kennen, toen ik foto's kwam maken voor de koers. Ik ben hier inderdaad graag en ik bekijk alles met grote emotie wegens de rennersheroïek. Ik ben echter van de kust, dat klopt. Geen zee- maar een duinenkind.

"Aan de kust leven is speciaal. In de zomer wordt je dorp ineens een stad. Het weer is mooi, je gaat uit, eerste disco, cocktails drinken, vrijpartijen tussen de strandhokjes en in de duinen. Dat staat in een schril contrast met de winter, als ineens alles weg is. Mensen, zon, strandhokjes, muziek en liefjes. In plaats van naar de monokini's te liggen gluren in de duinen lig je te turen naar konijnen en helmgras.

"Als knaap van dertien kon ik urenlang in die duinen rondlopen, met mijn hond. Ik heb hem daar ook op een heuvel begraven. In de winterperiode kwam mijn melancholische kant naar boven. Uren in de natuur zijn, kijken en nog meer kijken en in dat vertrouwde landschap weer nieuwe dingen zien. Zoals duinen die verschoven. Dat vond ik fascinerend, dat een landschap verdwijnt en zich elders weer opzet, langzaam of snel, steeds spectaculair. Misschien is toen die klik gekomen: dit wil ik in het oog blijven houden, hoe de dingen veranderen."

Je speelde ook soldaat in de duinen.

"Jawel, perfect decor en attributen in overvloed dankzij de bunkers, opgegraven kogels en schrapnels. De oorlogsgeschiedenis werkte formidabel in op mijn fantasie, maar maakte me tegelijk bewust. Ik heb in die duinen niet alleen een verleden maar ook de toekomst gevonden. Ik ontmoette er de eerste Franstaligen en de eerste Marokkanen. Ze zaten in het homeland van Charleroi. Het waren mijnwerkers- en migrantenkinderen met vakantie. We vochten ertegen en riepen ze na met 'espèce de conard'. Niet omdat we de betekenis van die woorden kenden, wel wegens de volheid van die klanken. Ergens moet daar mijn fascinatie voor Wallonië zijn ontstaan en vooral voor Charleroi. In dat landsdeel loopt alles gelukkig minstens tien jaar achter. Eigenlijk struin ik in Wallonië de hele tijd in mijn eigen kindertijd."

Wist je als kind al dat fotografie je roeping was?

"Nee, want ik wou trucker worden. Dat leek me romantisch, van buitenland naar buitenland, veel vrijheid hebben en vooral een beetje cowboy zijn. Nu, die fase verdween nogal snel. Ik nam me dan maar voor architectuur te doen. Tot ik besefte dat ik dan afhankelijk zou worden van het geld, de smaak en de wil van een ander. Fotografie was de perfecte combinatie. Vrijheid, onafhankelijk werken en ook rondreizen, in Europa of Afrika. Toen ik rondreisde in mijn eigen land ging ook dat me ineens boeien. Ik geniet er nog dagelijks van. Ook nu weer, hier op de Patersberg op dit bankje. En straks wordt het helemaal mooi als de zon gaat zakken."

Twaalf jaar geleden pas kwam je naar hier, om foto's te maken. Was je toen al een wielerfanaat?

"Jawel, al van kleinsaf was ik geboeid door die sport, de heuvels, de helden op de fiets."

Van wie was je fan?

"Ahum... Van Eric Vanderaerden."

Hè?

"En pas op, het wordt nog erger. Op een bepaald moment wou ik ook zulke krulletjes in mijn haar. Mijn moeder heeft me gelukkig tegengehouden. Tja, waarom Vanderaerden? Ik was te jong voor Eddy Merckx, had enkel nog een klein beetje Freddy Maertens meegemaakt. Eric was de figuur uit mijn puberjaren: een goede klassieke renner maar natuurlijk niet de wereldtop."

Vanderaerden heb je niet geselecteerd voor je boek.

"Heel juist. Ik heb gekozen, zoals de titel het zegt, voor de echte flandriens. Dus voor de twee Riks, Van Steenbergen en Van Looy, voor Merckx, Maertens, De Vlaeminck. Vanderaerden hoort niet in dat rijtje thuis. Hoewel... één keer heeft hij de Ronde van Vlaanderen op spectaculaire wijze gewonnen. Het was een zware rit, met slecht weer, veel valpartijen. Heroïek alom."

Museeuw staat wel tussen de grote goden, terwijl...

"Een dubbel gevoel is dat, uiteraard, maar hij mocht er uiteindelijk toch bij. Hij is voor mij de laatste actieve flandrien geweest. Een vreemde gast vind ik hem, maar ik hou van een paar dingen in hem. Zoals dat bekrompen West-Vlaamse trekje van achterdochtig zijn en moeilijk doen."

En de krulletjes in het haar.

"(lacht) Museeuw staat ook voor een prachtige manier van rijden, dat is een monumentaal lijf op de fiets. Aan zijn carrière zijn ook grote thema's verbonden, zoals De Knie en De Val en Het Prachtige Verliezen. Weet je nog, die keer tegen Bugno? Dat was fenomenaal mooi verliezen, heel belangrijk bij het wielrennen. Typisch aan de koers is dat de beste bijna nooit wint. Het is zo'n complexe sport, het heeft niet alleen met de goede benen, de sterke moraal, maar ook met geluk en ploegenbelang en onnoemelijk veel andere dingen te maken."

Je stopt met wielerreportages en -fotoreeksen precies op het moment dat een nieuwe generatie Vlaamse renners zich laat opmerken.

"Ik weet het, die jonge generatie van de Kevins Van Impe, de Nuyens en uiteraard Tom Boonen. Die laatste zou ik nog willen fotograferen. Toch vind ik dat een bepaalde periode voorbij is en dat ik rustig afscheid kan nemen. Meteen zal die jaarlijkse onrust verdwijnen die in de maand april steevast kwam opzetten. Ik hoef nu niet meer dagen voor de koers alle heuvels af te kammen of langs kasseistroken te trekken, of op de dag zelf in die kolkende massa verdrukt te zitten.

"Ik stop ermee op een moment dat de wielersport afstandelijker en professioneler is geworden. Het staat nu vol dranghekken langs de weg. Vroeger kon je de coureurs over de rug wrijven of naar boven duwen. De renners kunnen nu ook na de rit niet meer worden aangeraakt. Ze verdwijnen in hun bussen en treden er even later proper gewassen uit naar buiten. Dat is het mooie aan Parijs-Roubaix, waar wel nog gemeenschappelijke douches worden gebruikt. Oude aftandse vertrekken zijn het, bijna gaskamers, waar iedereen in zijn bloot gat staat. Je kunt er Zabel interviewen terwijl hij bij wijze van spreken zijn lul staat te wassen. (schatert)"

In je boek bemerk ik weinig tot geen foto's van zwoegende renners tijdens de rit, of beelden van de overwinningen, of zelfs van de 'meet'.

"Er zit wel een demarrage in van Van Petegem, maar het is inderdaad zo dat ik de renners vooral toon na het gebeuren. Zoals die letterlijk gevallen en mentaal gebroken Sven Nys die moest opgeven in Parijs-Roubaix. Ik vind het ook prachtig om studioportretten te maken met coureurs die heroïsch in de verte turen. Een 'meet' heb ik nog nooit gefotografeerd, tenzij die ene keer tijdens een kermiskoers in Nazareth.

"Ik maak liever beelden van onderweg. Ik fotografeer ook graag de fans, de kijkers, of gewoon wat gebeurt naast de weg. Ik merk wel dat ik de laatste jaren nog eenvoudiger en nog meer naar de mens werkte. De actie interesseerde me steeds minder. Vroeger zou ik de wielrenner nog bij zijn fiets hebben gefotografeerd. Nu staat er in de buurt van de wielergoden niets wat aan wielrennen refereert. Het zouden net zo goed oude filmsterren kunnen zijn."

En op al die foto's merk ik hoe je ook hier bij de oudere generatie de schade ging opmeten, de plooien in het gezicht, de littekens, de geleden pijn, de leeftijd.

"Ik zou veeleer zeggen: hoe ik hun geschiedenis vertolk. En uiteraard kom ik weer te laat. Ik had zeer graag Briek Schotte en Rik Van Steenbergen zien rijden. Het liefste had ik in de jaren vijftig geleefd. Ook om een andere reden: alle auto's waren toen zwart. Dat is de reden waarom er zelden of nooit auto's op mijn foto's staan. Omdat ze niet meer zwart zijn zoals vroeger."

Tenzij die ene zwarte die je recentelijk voor je fotoreeks 'In de mist' maakte: een oude Mercedes, als wrak neergepoot midden in de braamranken, brandnetels en het hoge gras.

"Het wrak intrigeerde me ook omdat mijn grootvader vroeger precies dezelfde auto had. Ik deed de deur open en rook ineens het leder. Die herinnering, gecombineerd met de esthetiek van die wagen. Dat was een intense beleving, geloof me."

Je wou echter niemand vertellen waar die auto zich bevond.

"Inderdaad, omdat ik bang was dat de Mercedes nadien uit die context van wildernis weg zou worden gehaald. Hij stond daar perfect tentoongesteld in de vrije natuur. Ik mag er niet aan denken dat door mijn loslippigheid een verzamelaar die wagen zou vinden, stukken zou ontvreemden of die gewoon weg zou laten halen. Ik moet ervoor zorgen dat de situatie blijft zoals ze is."

Meer nog conservator dan fotograaf?

"Hmm, misschien wel. Ik zei het al, ik voelde fysiek pijn als er een mooi oud gebouw neer werd gehaald en op dezelfde plek een nieuw gezet. Ik moest daar een oplossing voor vinden, anders was het niet meer leefbaar. Ik heb me dus aan het inventariseren gezet van wat kan verdwijnen.

"Twee jaar geleden heb ik Buda Marly tot in de puntjes gefotografeerd, omdat ik wist dat het industrieterrein volledig plat zou worden gelegd. Ik heb daar nachten rondgelopen, in de kou, ik bleef fotograferen. Fabrieken, van binnen en van buiten. Hoekjes, plekken, gevels en torens. Toen ik vorig jaar over de brug van Vilvoorde reed op de dag dat ze de beruchte twee torens neer zouden halen keek ik ernaar met weemoed maar ook met een bevrijdend gevoel. Goed zei ik, straks zijn ze weg, maar ze zitten in mijn archief. Maar toen ik 's avonds opnieuw over die brug reed en merkte dat de torens nog recht stonden, weliswaar rokend en in de fik, voelde ik het aan als een kleine overwinning."

Je legt materie, maar ook mensen, voor hun verval of vertrek vast zonder dat je meteen wilt publiceren. Werk je dan aan een soort privé-prentenkabinet?

"Dat verzamelen is geen doel op zich. Het gaat hem vooral om mijn eigen zielenheil. Het feit dat ik alles op foto heb, stelt me gewoon gerust."

Het is een beetje de geest in de fles vangen.

"Voilà. Er gebeurt dan wel niets met die foto's en financieel is het soms bijna zelfmoord omdat ik dagen achter iets zit te jagen dat ik niet te gelde maak. Niets echter weegt op tegen het goede gevoel dat ik er uithaal."

Wat mis je in die collectie?

"Heel veel. Bijzonder erg vind ik dat ik nooit de mijnwerkers heb kunnen portretteren. De Limburgse kompels ontbreken. Anderzijds ben ik soms net op tijd geweest, zoals uit mijn wielerboekje blijkt. Het feit dat ik Briek Schotte nog heb gezien, ontmoet, op de valreep op pellicule vastgelegd. Ik ben nadien nog twee keer bij Briek thuis geweest. Ik heb nog samen met hem en zijn vrouw op de sofa naar de Vuelta zitten kijken. Het was alsof ik zou opstijgen, zo'n gevoel kreeg ik. Ik dacht: ik zit hier bij een halfgod koffie te drinken en naar wielercommentaar te luisteren. Ook dat is Vlaanderen: je kunt nog bij de mensen aankloppen en binnen gaan. Het zou met Mohammed Ali niet waar zijn, denk ik."

Vandaar dat die halfgod 'Albéric' uw boek opent en sluit.

"Briek is ook de reden waarom ik dit boekje moest maken. Hij sneuvelde vorig jaar met een timing om u tegen te zeggen. Het startschot echode nog in de oren van de coureurs. Op dat moment legde Briek zijn kop neer en viel het doek. Dat symbolische vertrek kon zelfs ik niet negeren."

Ik weet dat je dat eigenlijk fundamenteel haat, symboliek. Je past ervoor in je foto's, gaat er in een ongelooflijke bocht omheen.

"De foto op zich moet spreken. Ik haat symboliek en ik haat folklore. Ik ben niet met Bokrijk bezig. Bokrijk is voorbij. Ik maak beelden van wat er nog effectief is, maar niet meer zo zichtbaar.

"Neem de Marollen in Brussel. Iedereen stelt vast dat die wijk de laatste jaren grondig is veranderd. Gedaan met dat overheersende beeld van de ouwe peekes met hun pijp, van kapotte matrassen in de zijsteegjes. De armoede zou er uit weg geborsteld zijn. De Marollen zijn het asiel geworden voor hippe brasserieën, reclamelui en advocatenkantoren. Als je echter lang genoeg kijkt en er lang genoeg rondloopt, zie je dat ze er wel nog leven, de Marolliens. Groter in getale dan men vermoedt. Ze vertonen zich minder dan vroeger op straat, hun sociale weefsel en hun cafés zijn verdwenen. Ze zijn naar achteren geduwd, naar binnen, in hun zetels. Ik zit er nu bij, probeer met hen een soort contact op te bouwen en ze te fotograferen. Dat blijft natuurlijk het doel."

Eigenlijk ben je gewoon zelf een oude man in het lichaam van een dertigjarige.

"Dank je, ik vind dat een compliment. Ik wil geen nieuwlichter zijn. Ik wil verdrietig blijven om wat verdwijnt. Reeds van toen ik een jonge gast was en in de duinen rondhing, zat die oude man in mijn hoofd. Ik wil niet hip zijn, ik wil degelijk zijn, goed mijn best doen. Hip is drama, dat is per definitie vergankelijk."

Nostalgicus!

"Inderdaad, nog iets wat me tegenwoordig naar het hoofd wordt geslingerd. Vroeger was het bon ton om respect voor het verleden te tonen. Nu is het een verwijt geworden. Het krijgt de toon mee van 'conservatieveling', van willen terugkeren naar de goede oude tijd. Wees gerust, dat verhaal doe ik niet. Ik verheerlijk niet wat vroeger gebeurde, wil geen oude waarden heropwarmen, dommel 's avonds niet weg naast een Leuvense stoof. Ik leef met vandaag, ik heb computers, een gsm en een snelle wagen. Maar ik heb ook mooie droombeelden. Al onze herinneringen zijn droombeelden die door de tijd hervormd zijn en naar je eigen hand gezet.

"Ik trok in mijn levensloop vrij snel de conclusie dat ik niet genoeg met de tijd mee kon om op alles rondom mij vat te krijgen. Dus wat doe ik sindsdien? Ik snel door het land en door mijn leven om niet door de snelheid ingehaald te worden. Ik heb echter niet alleen die weemoedige en bloednerveuze kant, ik ben ook een vrolijke jongen. Als de benen goed zijn, om het in wielerjargon te zeggen, kan ik een nacht lang op de dansvloer doorbrengen. Ik weet echter dat er ook donkere wolken boven kunnen drijven. De milieurapporten bijvoorbeeld vind ik beangstigend. Ik besluit daaruit dat we op de rem moeten staan, anders bereiden we onze ondergang voor.

"Toen ik in het derde middelbaar zat, zei mijn leraar geschiedenis ineens: 'Wie kan er nu tegen de vooruitgang zijn?'. Ik wou mijn vinger opsteken en 'ik' roepen, maar ik deed het niet. Ik durfde het toen niet te zeggen, dat de vooruitgang ook de versnelling inhoudt van de Apocalyps. Het klinkt misschien pathetisch, maar ik ben er nog altijd van overtuigd dat het zo is."

Je ziet het leven vrij zwart-wit. Toevallig zijn dat ook de uiterste schakeringen die je in je beelden legt, want de kleurenfotografie beoefen je niet, tenzij voor familiefoto's.

"Misschien zal ik het ooit nog doen, wie weet. Feit is echter dat ik niet alleen fotografeer in het zwart-wit maar ook in zwart-wit waarneem. Als ik naar buiten kijk, zie ik uiteraard kleur, maar ik interpreteer meteen alles. Dat is het misverstand dat soms heerst als ik met mensen onderweg ben. Ik hoor dan naast me zeggen: 'Kijk eens Stephan hoe prachtig, die lucht en dat groen en die schakering' en dan moet ik soms zeggen: 'Eigenlijk niet'. Het is prachtig om dat even vast te stellen, maar in het zwart-wit klopt dat niet. Mijn oog reageert gewoon anders op licht, op gradaties, het is altijd bezig met grijswaarden en contrasten."

Zou een leven in zwart-wit mooier zijn?

"Het zou grafischer zijn, maar of het ook mooier zou zijn...? Mmm goede vraag. Ik ben blij dat ik kleur zie, omdat kleur ook veel verraadt. Als je naar iemand glimlacht en die slaat bleek uit of krijgt een heel rozige huid, dan lees je daarop een emotie af. Uit kleuren leer je dan iets over intimiteit, over hormonenspiegels of gewoon over hoe iemand omgaat met gevoel. Dat zou je in een zwartwitwereld verliezen."

Welke is de mooiste mens of wat de mooiste omgeving die je ooit op beeld kon vastleggen?

"Ik kan dat niet zeggen omdat ik andere parameters hanteer. Bij mensen fotograferen is voor mij de ontmoeting belangrijk. Of de herkenning, zien dat mensen met dezelfde dingen bezig zijn als ik. Of dat dan muzikant Stef Kamil Carlens is of bouwmeester bOb Van Reeth, of Piet Chielens van het museum Flanders Fields in Ieper; de gemene deler is dat dat 'schone mensen' zijn. Uit welke discipline ze ook komen, ze doen hetzelfde. Er is een soortgelijk enthousiasme, eenzelfde verwondering, respect, gedrevenheid maar ook kwetsbaarheid. Bij zulke mensen blijf ik na het fotograferen ook af en toe hangen voor een praatje. Ik kom uiteraard ook eikels tegen. Ik kan dan snel die knop omdraaien, technisch professioneel werken en weer vertrekken, zonder naspel zeg maar. Dan is het automatische piloot geweest en enkel wie me heel goed kent, merkt dat in de foto."

Zo'n twee jaar geleden besloot je ineens dat je geen politici meer wou fotograferen. Je had er geen gevoel meer bij, je was ze beu.

"De goesting is gestopt op het moment dat Dehaene niet meer meedeed. Dehaene was zo'n beetje de Briek Schotte van de politiek. Er was altijd iets te beleven met en rondom hem. Er was plezier, het gonsde, iets klonk luid of dissonant, steeds gebeurde er wat. Nu is alles zo proper, professioneel, zo poldermodel, weet je wel. De politiek wordt nu gestroomlijnd en gemanaged. Niet zo bij Dehaene. Zijn woorden waren van hem, zijn hemd zat meer uit dan in zijn broek en er lagen al eens schilfertjes op de schouders. Elke politicus van nu is letterlijk ingepakt en afgeborsteld en denkt vier keer na voor hij zich voor de lens vertoont.

"Het laatste wat ik gefotografeerd heb, waren de glimlachjes op de verkiezingsaffiches. Dat was eigenlijk mijn antwoord en mijn besluit voor mezelf. Ik wou ook niet langer in de Wetstraat staan wachten tot Verhofstadt diezelfde trap naar beneden nam na alweer een crisis. Ik hield het voor bekeken."

Hét portret van Verhofstadt interesseert je pas weer over tien jaar, als hij onthaast in Toscane met half uitstaande baard op een tractor zit?

"(lacht) Misschien dan weer wel, inderdaad. Omdat hij dan niets meer te verliezen zal hebben, geen charmes zal hoeven uit te spelen en weer puur zal zijn."

Weg hoofdstuk politiek en wielrennen. Wat rest jou aan thematiek voor de toekomst?

"Wellicht zal ik me nu storten op mijn grote België-project, noem het maar de ultieme inventaris. En daarna? Wie weet, misschien ga ik dan meer naar het buitenland om daar op de manier waarop ik België getackeld heb mijn ding te doen. Thematisch ben ik hier in Vlaanderen misschien eindig, toch zijn er nog een pak portretten die ik wil maken. Er zijn nog veel mensen en landschappen om van te houden.

"Ik heb wel afgeleerd om polyvalent te zijn. Vroeger wou ik alles goed kunnen. Nu is dat niet meer zo. Ik kan het nog het best met de terminologie van de wielrenner zeggen. Ik rij liever de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en de Omloop Het Volk. Ik ben geen ronderenner en ik val gegarandeerd op mijn smikkel tijdens de zesdaagse van Gent."

Met andere woorden: eigenlijk ben jij gewoon zelf een flandrien?

"(opgewekt) Dat ben ik misschien wel ja, vooral qua mentaliteit, ingesteldheid en verbetenheid. En ik kies uiteraard voor de kassei, in plaats van voor de macadam."

En voor de donkere kamer in plaats van voor de diskette, voor de korrel in plaats van voor de pixel?

"Pas op, nu ga ik echt lyrisch worden. De doka, dat is nog zoiets wat stilaan verdwijnt. Ik zit er zo graag, alleen in het donker, met enkel dat gele of rode lampje aan. Niets anders doen dan afdrukken. Geen telefoon in de buurt, geen computer, enkel eventueel wat muziek. In het huis slapen mijn vrouw en de kinderen. Er is alleen mijzelf, mijn werk en de duisternis. Een ongelooflijk gevoel is dat. Het heeft iets celebraals."

Dit interview is vrij uitzonderlijk, je doet het zelden om niet te zeggen nooit. Ook na je Worldpress-prijzen meed je de grote aandacht. Waarom?

"Ik doseer dat enorm. Ik ben bang om naar buiten te komen. Nu wil ik de aandacht wel aangrijpen om mijn boek te presenteren. Ik ben gelukkig, een fiere vader. Succes echter is gevaarlijk. Ik heb daar altijd zo over gedacht. Ik kon na mijn legerdienst vrij snel aan het werk, bij kranten en weekbladen, en ik kreeg ook vrij snel prijzen. Ik was er een beetje het hart van in. Ik dacht, nu komt de keerzijde, de balans zal overslaan. Het ging te snel, ik moest op de rem staan. Een paar momenten in mijn privé-leven zorgden ervoor dat ik gas terug kon nemen. Onze kinderen bijvoorbeeld kwamen er op het moment dat ik internationaal aan het doorschieten was. Ons eerste kind was bijgevolg een godsgeschenk.

"Ik blijf dus graag in de luwte werken, daar ben ik ongehinderd en vrij. Ik kan overal naartoe, niemand kent me. Hoewel. Laatst stapte ik in de Antwerpse haven een café binnen. Aan de toog riep een arbeider die mijn fototoestel opmerkte: 'Ha, de pers is daar'. Na een half uur praten met hem vroeg hij of ik Stephan Vanfleteren kende. Ik zei dat ik dat was. Ineens begon hij foto's te beschrijven die ik ooit gemaakt had en diepte hij uit zijn portefeuille mijn adres op. Hij had me willen schrijven, maar durfde het niet. Ik moet zeggen: dat heeft me meer geraakt dan welke recensie ooit. Dat die gast mijn werk apprecieerde.

"Mijn gelukkigste moment als fotograaf maakte ik dan weer vorige zomer in Perpignan mee, tijdens het fotofestival. Ik toonde er toen aan een zaal van 2.000 man een reeks portretten uit mijn armoedereeks. Ik zat gewoon tussen het publiek, dat muisstil werd tijdens de presentatie. Erna sprongen de mensen spontaan recht en volgde er een lang applaus. Het is vreemd hoor, voor een fotograaf, applaus krijgen. Vooral omdat je niet echt het gemakkelijke parcours neemt. Je koos niet voor de sierlijke macadam, maar voor de kasseien. Niet de souplesse overheerste maar het zwoegen en dokkeren."

Flandrien van Stephan Vanfleteren is uitgegeven bij Merz en ligt vanaf volgende week in de boekhandel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234