Zaterdag 27/11/2021

'Formalistisch, bureaucratisch en harteloos'

Eerst kwamen het Lam Gods en de Brugse Madonna van Michelangelo terug. Toen begonnen die honderdduizenden andere kunstwerken aan de terugreis. Talloze eigenaars en erfgenamen botsten op een kille bureaucratie of belandden in een eindeloze zoektocht. De wonde werd nog eens opengereten.

Brussel / Eigen berichtgeving

Rudy Pieters

De Belgen waren bijzonder ongeduldig. Amper zes dagen na de Duitse overgave trok Leo Van Puyvelde, hoofdconservator van de Brusselse Musea voor Schone Kunsten, met een konvooi vrachtwagens richting Duitsland om er het Lam Gods en andere Belgische kunstschatten terug te halen. Maar de Amerikanen, die alles zelf onder controle wilden houden, stuurden Van Puyvelde met lege handen terug. Toen ook andere landen hun topstukken begonnen terug te eisen, toonden de Amerikanen zich wat inschikkelijker en besloten ze elk land al iets te geven, in de hoop de gemoederen te bedaren. Het Lam Gods kreeg de eer de spits af te bijten. De Brugse Madonna van Michelangelo volgde veertien dagen later, samen met vijftig van Frankrijks belangrijkste schilderijen.

Toen kwam de zondvloed. Die honderdduizenden andere teruggevonden kunstwerken en cultuurgoederen die aan hun terugreis waren begonnen, een gigantische operatie die tot diep in de jaren vijftig zou duren. Eerst moesten ze naar een van de vier Central Collecting Points (CCP) in Duitsland: Marburg, Wiesbaden, München en Offenbach. Het belangrijkste was dat van München, de fuik voor alles wat in Zuid-Duitsland en Oostenrijk gevonden was, dus ook de Hitler- en Göring-collecties, die respectievelijk in Altaussee en Berchtesgaden waren terechtgekomen. Het CCP bezette in de Beierse hoofdstad ironisch genoeg twee NSDAP-gebouwen, in een ervan, de Führerbau, hadden de nazi's hun topstukken gecentraliseerd alvorens ze naar hun opslagplaatsen af te voeren.

De teruggevonden werken gingen niet rechtstreeks van de CCP's naar de eigenaars. Eerst kwamen ze in het land van oorsprong bij de overheid terecht, die de eigenaars moest opsporen en over de claims moest beslissen. Het was een bijzonder moeizame operatie. De eigenaars waren vaak omgekomen, erfgenamen, als die al bestonden, waren vaak kinderen. "Regeringen zelf spanden zich nauwelijks in om erven te zoeken", zegt Anne Webber van de European Commission on Looted Art. "In Oostenrijk bijvoorbeeld werd na de oorlog een advertentie afgedrukt in een plaatselijke krant met de oproep aangifte te doen. Ik vraag u: hoe kun je op de hoogte zijn van zo'n annonce als je na Auschwitz naar Australië of Israël bent geëmigreerd."

De Dienst Economische Recuperatie (DER), die in België de teruggaves moest regelen, had wel een aparte cultuurcel, maar die was onderbemand en slecht gedocumenteerd, en ging, ondanks veel goeie wil, passief, rudimentair en onsamenhangend te werk. Een echt Belgisch verhaal lijkt het, want vaak was de DER niet op de hoogte van belangrijke informatie die bij andere diensten berustte en vaak waren dus verscheidene ambtenaren langs elkaar heen aan het werken. De resultaten van de DER zijn dan ook bedroevend laag. Uit Duitsland recupereerde België slechts 1.155 kunstwerken en tweehonderd kisten met boeken en archiefstukken, bijzonder zwak in vergelijking met Nederland en Frankrijk. De DER stelde zich tevreden met wat de Amerikanen uit Duitsland terugstuurden, zelf spoorde hij geen werken op. Het gebeurde meermaals dat wat voor België bestemd was in andere landen terechtkwam.

Ook de teruggave van de gerecupereerde werken liep helemaal fout. De DER hield zich vooral bezig met wat uit musea en overheidsinstellingen was verdwenen en met de vrijwillig verkochte werken die nu aan de Belgische staat toevielen (zoals de collectie-Renders, zie DM van gisteren), waardoor privé-personen in de kou bleven. Niet onbelangrijk: de meeste beroofden, zeker in de joodse gemeenschap, hadden niet de Belgische nationaliteit. Van de enkele duizenden geroofde werken die in België waren achtergebleven - nog steeds heeft men geen duidelijk zicht op de omvang van wat de Duitsers in Belgische depots hebben moeten achterlaten - vonden er slechts driehonderd hun weg terug naar hun eigenaars. Het ging daarbij om slechts twintig eigenaars. Van de (minstens) 885 werken die de Einsatzstab Rosenberg naar Duitsland had afgevoerd, gingen er amper 62 terug naar hun eigenaars. Daarbij ging het om slechts vier joodse verzamelaars.

Als er al iets terug bij zijn eigenaar kwam, dan was dat vooral dankzij de inspanningen van de Amerikaanse Monuments, Fine Arts & Archives (MFAA) Division, die er in vier jaar tijd in geslaagd was honderdduizenden stukken van Duitsland aan het land van herkomst terug te bezorgen, en dankzij de speurtocht van de eigenaars zelf. Zelfs identificatie was in België nog geen garantie voor terugkeer. De studiecommissie Joodse Goederen vond 166 voorbeelden van kunstwerken waarvan de MFAA niet alleen het land maar ook de eigenaar had geïdentificeerd zonder dat België ze nadien teruggaf.

Als de eigenaar of erfgenaam zelf op zoek ging naar zijn kunstwerken of meubels, dan werd het hem niet makkelijk gemaakt. De DER-depots waren slechts een beperkt aantal uren geopend, alles lag of stond er wanordelijk opgeslagen, wie iets terugvond, moest met precieze informatie de eigendom kunnen aantonen, wie niet naar de opslagplaatsen kwam, kon het helemaal vergeten - was de eigenaar dood of gevlucht, dan was de kous helemaal af voor de DER.

Het verbaast dan ook niet dat België meer dan 90 procent van alle cultuurgoederen dat het recupereerde niet aan de eigenaar of erfgenaam kon terugbezorgen. Die 'naamloze' rest, enkele duizenden cultuurgoederen, werd daarom openbaar verkocht, bijzonder snel al, van 1946 tot 1954, de waardevolste stukken via zes veilingen in het Paleis voor Schone Kunsten. Ruim zeshonderd stukken van museale waarde - waaronder 72 schilderijen - hield de staat voor zichzelf. Ze bevinden zich nu in de belangrijkste musea van het land. Zopas is de studiecommissie Joodse Goederen erachter gekomen dat de helft van die werken van joodse herkomst is (zie volgende aflevering). In Frankrijk werden dertienduizend werken verkocht en gingen er tweeduizend naar de musea.

"Als je het vanuit een puur legaal standpunt bekijkt, is dat allemaal correct verlopen, maar het grote probleem is natuurlijk dat de manier waarop het verlopen is, sterk te wensen overliet", zegt kunsthistoricus Jacques Lust, die in België pionierswerk verrichtte in de zoektocht naar nazi-kunstroof. "Formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos", zei de commissie-Ekkart in april over het Nederlandse teruggavebeleid. Bij (onvrijwillige) verkoop moest de eigenaar of erfgenaam die zijn werk terug wilde niet alleen het bedrag terugbetalen maar ook de kosten van de naoorlogse recuperatie (beheer, transport,verzekering), een regeling die ook in België bestond. "Uiterst kil en onrechtvaardig", concludeerde de commissie-Ekkart, "in het bijzonder omdat bij vele joodse eigenaren de ontvangen gelden uitsluitend werden gebruikt om te trachten het land te ontvluchten en omdat de ontvangen gelden in veel gevallen niet daadwerkelijk aan de eigenaren van de kunstwerken ten goede zijn gekomen." De financiële regeling heeft verscheidene Nederlanders ervan weerhouden een claim in te dienen.

In die kille context kreeg de vraag of een eigenaar zijn collectie al dan niet vrijwillig had verkocht een bijzonder wrange smaak. De regeringen in ballingschap hadden al tijdens de oorlog elke transactie met de de nazi's nietig verklaard, maar vrijwillig verkochte eigendommen kwamen niet aanmerking voor teruggave en vielen aan de staat toe. In België maakte Emile Renders dat mee. Van zijn twintig Vlaamse Primitieven - de belangrijkste collectie die de Duitsers hier buit maakten - werden er na de oorlog tien teruggevonden. De Belgische staat hield ze voor zichzelf, verkocht er twee en hing de rest in de musea, twee in het Groeningemuseum (allebei Memling), een in het Doornikse Museum voor Schone Kunsten (een vermeende Rogier Van der Weyden), twee in Antwerpen en drie in Brussel (waaronder een Quinten Massys). Renders spande een proces aan tegen de staat en verloor.

In Nederland, waar de gerecupereerde werken bij de Stichting Nederlands Kunstbezit terechtkwamen, vonden gelijkaardige rechtszaken plaats. Voor Lili Gutmann liep het nog goed af. In 1950 had ze op een SNK-tentoonstelling elf schilderijen en enkele tekeningen uit de collectie van haar vader, Friedrich Gutmann, herkend. De SNK stelde zich op het standpunt dat in 1941, toen de verkoop begonnen was, nog geen sprake was van confiscatie van joods vermogen. Pas na een rechtszaak die in 1952 afliep, kon Lili Gutmann de werken terugkopen.

In dezelfde periode was ook Desi Goudstikker, de weduwe van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, aan een lange juridische strijd bezig. Jacques Goudstikker was in 1940 tijdens zijn vlucht naar Engeland verongelukt. Zijn achtergebleven zaakwaarnemer verkocht de hele collectie - meer dan duizend werken - samen met de kunsthandel en enkele landgoederen aan Alois Miedl, een in Nederland wonende trawant van Hermann Göring (de man die voor de rijksmaarschalk ook de Renders-collectie aankocht). Een paar honderd teruggevonden werken viel aan de SNK te beurt. In 1952, na zeven jaar procederen, deed Desi Goudstikker afstand van rechtsherstel. Moegestreden en verkeerd voorgelicht door ambtenaren, zeiden de advocaten van Goudstikkers schoondochter in 1998. De geruchtmakende zaak duurt tot vandaag voort.

Voor velen valt er niets te procederen, om de eenvoudige reden dat hun gestolen kunstwerken nooit zijn teruggekeerd. De voor Hitler en Göring bestemde werken, ja, die werden vaak teruggevonden in een van de grote depots, maar een aanzienlijk deel van de buit was via het wijdvertakte netwerk van tussenpersonen (Miedl, Hofer en consorten) in de kunsthandel terechtgekomen en zo over de hele wereld verspreid geraakt. Dat gebeurde niet zelden via Zwitserland.

Andere werken raakten vermist in de chaos aan het eind van de oorlog, toen opslagplaatsen geplunderd werden, zowel door soldaten als door burgers, zowel door Duitsers als door geallieerden. In Berchtesgaden bijvoorbeeld had de plaatselijke bevolking zich tegoed gedaan aan de Göring-collectie, die daar deels in treinen lag opgeslagen. In München werd de Führerbau beroofd, waardoor de Schloss-collectie, die niet meer in de Oostenrijkse zoutmijn bij Altaussee was geraakt, voor een belangrijk deel verloren ging.

Een bijzondere categorie vormt de enorme hoeveelheid kunstwerken die door de trofeeënbrigades van het Rode Leger is meegenomen, als vergelding voor de Duitse plunderingen in de Sovjet-Unie. De Russen eigenden zich niet alleen Duitse eigendommen toe, zoals de inhoud van de Berlijnse en Dresdense musea (onlangs dook zo'n Dresdense Bruegel in Antwerpen op), ook de nazi-opslagplaatsen in de Russische bezettingszone werden zonder pardon leeggehaald. Over die massa kunstwerken, bibliotheken en archieven hebben de Russen veertig jaar lang in alle talen gezwegen. Het westen wist alleen dat Moskou zeer belangrijke collecties verborgen hield, zoals (een deel van) de schitterende Nederlandse tekeningencollectie van Franz Koenigs, die door de Sonderauftrag Linz voor het Führermuseum was aangekocht en zich nog steeds in het Moskouse Poesjkin Museum bevindt. In de Russische trofeeënmagazijnen zitten ook nog verscheidene Goudstikkers.

Het totale aantal vermiste kunstwerken in België bedraagt vandaag 3.273. Een officieel, zwaar onderschat cijfer, want veel erfgenamen hebben nooit een claim ingediend. In 1948 gaf de Belgische overheid een boekje uit met daarin een selectie van driehonderd vermiste werken, onder andere de tien Vlaamse Primitieven van Emile Renders. Sindsdien zijn zo goed als geen werken teruggevonden. Iedereen leed ineens aan geheugenverlies.

Morgen in deel 4: de nieuwe zoektocht in jaren negentig.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234