Zaterdag 08/05/2021

Flaneren op het Franse platteland

In november 1906 reizen de twee bevriende schrijvers Cyriel Buysse en Maurice Maeterlinck per auto van Parijs naar Nice. Niet de bestemming maar de onderneming - verdwalen, zwerven, dronken worden van de roes - wordt het doel op zich. David van Reybrouck gaat het stel achterna.

Dirk Leyman

(samenst.)

Nice. Muze van Azuur

Stedenreeks 'Het oog in 't zeil'

Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 328 p., 24,50 euro.

Voor het eerst draagt iemand mijn koffers. Een zwarte medemens nog wel, gehuld in een azuurblauwe livrei. Hij draagt ze de kamer in, wenst me een aangenaam verblijf en vertrekt geruisloos. Ik kijk rond. Mijn schamele reistas en afgebladderde valies contrasteren nogal met het interieur. Op het tafeltje groeit een volmaakte orchidee. Het bed is zo groot dat ik er eenzaam van word. Voor het raam een weids terras. Daarvoor: de glinsterende Middellandse Zee. De ferry naar Corsica vaart net uit. Dit is zonder meer het meest luxueuze hotel waar ik ooit verbleven heb. In de badkamer dragen de kamerjassen, de flacons en de badkristallen alle hetzelfde sierlijke embleem, een verstrengeling van de letters H, P en M: Hotel Palais Maeterlinck. Dus dit was zijn kasteel in Nice dat hij op 67-jarige leeftijd kocht en waar hij de laatste jaren van zijn leven in wereldvreemdheid doorbracht. Hier legde hij 's avonds zijn vermoeide hoofd te rusten met een Corsicaans knipmes onder zijn hoofdkussen. Hier zat hij 's nachts uren op met een plaid op de schoot en een geweer in de aanslag, af en toe vurend op vermeende dieven. Hier blies hij tijdens een stormnacht in mei 1949 zijn laatste adem uit, 87 jaar oud. Een hartstilstand, waarover Le Figaro Littéraire zou berichten: "Mon Dieu, comme c'etait joli, la mort de Monsieur le Comte! Il a rendu le dernier soupir doucement, comme un oiseau." Zijn laatste verblijfplaats is ook mijn laatste halte op deze zoektocht. Wat een 'volupté', wat een luxe... en wat een contrast met de voorbije nachten in morsige pensions en in de kofferbak van mijn auto.

Een kille woensdagmorgen, Porte d'Italie. De chaos van de ochtendspits laat het niet meteen vermoeden, maar de toponymie van Parijs heeft enige logica: de Place d'Italie leidt naar de Porte d'Italie, die op haar beurt naar Italië voert. Ik heb net de 'périphérique' verlaten en rol mijn eerste kilometers over de Nationale 7, de rijksweg die toen er nog geen snelwegen waren Parijs met Lyon, Nice en uiteindelijk Rome verbond. Wat ooit de halsslagader van het Franse wegennet was, is nu een troosteloze aaneenschakeling van couscouspaleizen, bandencentrales en uitlaatcentra.

"Ruim vijftien kilometer slijk en narigheid", verzuchtte Cyriel Buysse (1859-1932) hier bijna een eeuw geleden in Per auto, een verzamelbundel waarin de rit Parijs-Nice uitvoerig werd beschreven. Het is november 1906, vroeg in de namiddag. Samen met Maurice Maeterlinck (1862-1949) is hij zopas weggereden van diens huis in Passy. Ze leerden elkaar kennen in de winter van 1890 tijdens een partijtje schaatsen op de Drongense plassen, in de buurt van Gent. In 1896 lieten beide vrienden België achter zich - Buysse trok naar Nederland, Maeterlinck naar Parijs - maar al die tijd zijn ze contact blijven houden. Maeterlinck heeft zopas een huis in het Zuiden gekocht en denkt eraan de Franse hoofdstad voorgoed te verlaten.

Gisteravond nog ben ik het adres van zijn Parijse woning gaan opzoeken. Maar zelfs in de zachte schemering bleek 69 rue Raynouard een zielloos appartementsblok uit de jaren zestig. Aan een lantaarnpaal voor de deur hingen annonces voor Poolse schilderwerken en Russische massages, tussen twee huizenrijen door priemde de Eiffeltoren in de purperen lucht. Ooit was het een residentiële wijk waar Rousseau en Balzac nog gewoond hadden. Maeterlinck had er een huis met een grote tuin die steil afdaalde naar de Seine. Hij hield er zijn bijen waarover hij in zijn immens populaire essay La vie des abeilles (1901) zou schrijven. Een tijdlang was hij bijzonder gelukkig met wat hij zijn "campagne en plein Paris" noemde, maar de erfenis van zijn vader en zijn aanzienlijke inkomsten als schrijver deden hem uitkijken naar meer. Tijdens een eerste verblijf in de Midi bezweek hij voor de charmes van een huis in het Zuiden. Nu wil hij Buysse graag zijn nieuwe optrek laten zien.

Naast vastgoed heeft Maeterlinck ook een auto, op dat moment nog een zeldzaamheid. Voor Buysse is het de eerste keer dat hij gaat toeren. Bij hun vertrek dragen ze lange mantels, petten met oorlappen en grote, ronde stofbrillen die wangen, neus en voorhoofd bedekken. Op de achterbank snuift de bulldog van Maeterlinck gulzig de wind op. Ze rijden de stad uit. Het is een herfstdag, bijna honderd jaar geleden.

Als het verlangen naar de Côte d'Azur deel is van de beleving ervan, dan begint de Franse Rivièra eigenlijk al bij de heenreis. Vandaar dat ik hun tocht, door Buysse uitvoerig beschreven, wil overdoen. Dit reisverslag verscheen aanvankelijk in het tijdschrift Groot Nederland in 1907, maar werd in 1913 onder de titel 'Naar het Zuiden' opgenomen in zijn verhalenbundel Per auto. Als literaire tekst kan het niet tippen aan Buysses klassiekers zoals Het recht van de sterkste of Het gezin van Paemel, maar als getuigenis van een literaire vriendschap én als beeld van de Rivièra toen vormt het een uniek historisch document. De Rivièra was niet alleen een oord, maar ook een droom. "O! wat is ze akelig en afschuwelijk-lelijk, de 'banlieue' van Parijs!", klaagt Buysse. Het is alleen maar erger geworden, bedenk ik. Op deze droge februaridag schuif ik van stoplicht naar stoplicht, rij langs sovjetrealistische woonblokken en verdwijn onder de landingsbaan van Orly. Duizend kilometer zuidelijker wacht Nice. Ik heb oldtimer noch stofbril, maar de achttien jaar oude Opel Vectra Break die ik thuis heb geleend maakt enige aanspraak op het predikaat 'voorhistorisch'. Hij walmt verschrikkelijk bij het starten, loeit als een stadsbus bij het terugschakelen en wordt in mijn geboortedorp alom als 'das Boot' omschreven. Waarom ik uitgerekend met zo'n pantserkruiser de weg naar het Zuiden wil aanvatten, heeft alles te maken met de laadruimte: twee meter matje en een dikke slaapzak zorgen voor een mobiele hotelkamer waar geen Formule 1-motel aan kan tippen.

In Fontainebleau breken het landschap en het wolkendek open. De zon streelt de glooiingen en tekent in de kale bomen de ragebollen van de maretak af. Aan weerszijden van de kaarsrechte weg staan platanen die ruim honderd jaar oud moeten zijn: de Nationale 7 is een historische verbindingsweg, volgens velen de meest mythische van het hele Franse wegennet. Sommige stukken ervan gaan zelfs terug op de Via Aurelia, de belangrijkste heirweg in Gallië die Parijs met Rome verbond. Wanneer ik even later door het woud van Fontainebleau rijd, valt me op dat een deel van de route nog steeds le Pavé du Roi heet, de koninklijke kasseiweg, een prerevolutionaire benaming. Lang, breed en recht, de rijkswegen waren in feite niets anders dan de grote broers van de paadjes in de Franse geometrische tuin. Aan de Franse machthebbers verschaften ze een aangename illusie van controle en overzichtelijkheid.

Voor Buysse en Maeterlinck bood de weg een mengeling van avontuur en ontspanning. Wie vandaag Buysses verslag leest, wordt nostalgisch van de gemoedelijkheid waarmee destijds werd gereisd. Geregeld wordt er gestopt om een stadje te bezoeken, een pijpje te roken of de hond terug te roepen wanneer die achter een konijn is gesprongen. "L'amour joyeux est là qui fait risette, on est heureux, Nationale 7", zong Trenet. Tegen de middag ben ik al in Nemours, de plaats van hun eerste overnachting. Hun dagetappes waren hooguit tweehonderd kilometer lang. Zij deden vijf dagen over het hele traject, ik wellicht slechts twee. Flaneren over de Promenade des Anglais in Nice begon voor hen al op het Franse platteland. De verplaatsing zelf werd in zekere zin doel op zich. "Een van de illusies van onze reis was", schrijft Buysse, "eens goed de Franse 'province' te zien." Nemours dus. Ik stap uit. Buysse noemde het "naïef en liefelijk". Er is net een marktje aan de gang waar patrijzen, varkensoren en salami's te koop zijn. Met een stokbrood en een stuk verse bloedworst installeer ik me in de zon en geniet van het leven op een doordeweekse dag in de provincie. Even later ga ik thee drinken in een brasserie op de markt. Er hangt nog wat vergeten kerstversiering aan het plafond, een labrador ligt te soezen in de zon, de leesbril van de ober danst telkens als hij de espressofilter afklopt in de bak met koffiedik. Zo'n manier van reizen dus. "Si on fumait une pipe? Fumons une pipe!"

Na de middag reis ik door het lieflijke landschap van de Loiret en de Allier. De autoradio blijft uit, zenders zijn moeilijk te ontvangen en als het toch lukt, hoor ik alleen opgewonden gekwebbel. Ik probeer daarom maar te genieten van wat Buysse omschreef als "het gezellig ritmisch zoemen van de motor" of "het deuntje van zijn vier cilinders".

Het is nauwelijks voor te stellen wat het betekend moet hebben, de opkomst van de automobiel rond de eeuwwisseling. Opvallend veel auteurs lieten er zich bijzonder enthousiast over uit: de Italiaanse futuristen, uiteraard, maar ook auteurs als Octave Mirbeau, Gabriele D'Annunzio, Thomas Mann en Maeterlinck. Waar kwam dat enthousiasme vandaan? Uiteraard was er de bewondering voor de techniek. Maeterlinck, nooit te beroerd voor wat metafysische speculatie, zag er zelfs een kosmisch principe in: de bougie vormde voor hem zowaar de ziel van "la bête merveilleuse", de carburator vormde het hart en het geheel gehoorzaamde, zoals alles in het Maeterlinckiaanse universum, aan een hogere, goddelijke intelligentie, hier gerepresenteerd door de wil van de chauffeur. De iets nuchterder maar ook iets minder bemiddelde Streuvels moest zich beperken tot de aanschaf van een rijwiel. Niettemin verklapte hij dat zijn fiets iets was "dat men zou willen liefkozen, strelen, meenemen naar bed". De Franse publicist Octave Mirbeau die met zijn roman La 628-E-8 (1905) de toon had gezet voor allerlei 'autoproza' vond zijn auto belangrijker dan zijn huis, zijn bibliotheek en zijn kunstcollectie: "Elle est ma vie, ma vie artistique et spirituelle." Naast de liefde voor de techniek speelde uiteraard de vrijheid om nieuwe horizonten te verkennen. Mirbeau hekelde de "voies prisonnières" en de "horaires tyranniques" van de spoorwegen en dokkerde vrij en blij over de steenwegen van Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Maeterlinck zou een fervent automobilist worden, Buysse zou hem volgen en Streuvels fietste Vlaanderen plat.

Voor Maeterlinck en Buysse was autorijden verwant aan schaatsen: doelloos maar wonderlijk-schoon. De ware vreugde van de auto was het rijden zelf. Verdwalen, zwerven, dronken worden van de snelheid was belangrijker dan de bestemming. In een voor zijn doen uitzonderlijk erotisch-suggestieve passage typeert Maeterlinck de "ivresse rouante", de tollende dronkenschap van het rijden als volgt: "Eerst komt de weg op mij af met een cadans van geluk, zoals een verloofde met palmtakken wuift. Maar dra beweegt ze al meer, springt ze op, draait ze dol, stort ze zich op mij, rijdt ze onder de wagen zoals een woeste rivier die me geselt met haar schuim, die me verdrinkt met haar golven, me verblindt met haar adem. Oh! die geweldige ademhaling!"

Het gezapige Franse land werd plotseling een hitsige vrouw. Ook Buysse vergeleek het autorijden met een sociale categorie die in alles het tegendeel bleek van de gecontroleerde, fatsoenlijke Victoriaanse burgerman: de landloper. Net zoals de nymfomaan was de zwerver een icoon van onrust, roes en euforie: "De auto is als 't ware de sterkere, vluggere, broer van de landloper, de echte, grote snelle en forse 'chemineau' van 't franse land, met zijn brede, schone wegen. Maar evenals zijn zwakkere broer, betaalt hij soms zijn prachtige onafhankelijkheid met scherpe beproevingen. Niet steeds blijken zijn krachten toereikend voor de te lange of te lastige reis, en wel eens slaapt hij langs de baan, in een vunzige stal onder een half verrot strodak, of zelfs op een dood-eenzame weg, om de hoek van een bos, als een poëet, onder de fluwelen sterrenhemel van de nachtelijke hemel."

Buysse wist waar hij het over had. Op de derde dag van hun reis - ze sliepen in Moulins, ik ben er net voorbijgereden - krijgen ze af te rekenen met een lekke band. De mysticus Maeterlinck stroopt zijn hemdsmouwen op, maar klaart het werkje veel te haastig: er ontstaat een nieuw lek. Ze verliezen kostbare uren, rijden dan maar in het donker door de bergen van de Lyonnais en beseffen dat ze Lyon niet meer halen. Uiteindelijk stranden ze in het stadje Tarare - een oord dat ondanks zijn vrolijke naam bij Buysse met slechts één kleur wordt geassocieerd: "grauwe, zwarte huizen" langs een "zwarte, modderige straat" onder een "grauw-zwarte lucht" waar ze logeren in een "zwart hotel" met "bijna zwarte kamers" en "saaie, bruin-zwarte kost" krijgen voorgeschoteld. Uitgerekend op die plek heb ik besloten om te overnachten, Tarare ligt halverwege Parijs en Nice en de lelijkheid van vandaag is vaak de schoonheid van morgen, zo hield ik me bij mijn routeplanning voor.

Ondanks de prachtige bergstreek is het een troosteloos industriestadje. Nog steeds is er maar één hotel, maar de dominante kleur is ondertussen oranje geworden. Het motel langs de uitvalsweg is namelijk 'très' seventies, niet omdat het weer 'in' is, maar omdat het nooit 'uit' is geweest. Het oranje tapijt is afgesleten en de bolle bruine lamp strooit na dertig jaar nog steeds zijn lichtvlak over de psychedelische gordijnen. Buysse werd overvallen door "een onoverwinnelijk gevoel van melancholie" en ik kan instemmen. De roes van het rijden heeft ook zijn kater.

Reken ik het goed uit? Vier en een half uur over 130 kilometer? Bon dieu, ik wist niet dat ik zoveel tijd verloren had in, langs en uit Lyon. Ik wou de N7 zo min mogelijk verlaten maar ik heb het geweten... Ondertussen heb ik de wirwar van tunnels, afritten en verkeerswisselaars achter me gelaten. De Rhône blinkt majestueus aan mijn rechterkant, ik volg de vallei nu recht naar het Zuiden. Vienne, Valence, de namen klinken toch al een stuk veelbelovender dan pakweg Roanne of Nevers. Ook Buysses beschrijving vult me met goede moed. Er was zon, zei hij, de jassen gingen uit, de oorflappen werden omgeslagen. "En wij vlogen, vlogen als lang gevangen vogels, die eindelijk hun vrijheid weergekregen hebben."

Naast goedmoedigheid wordt zijn reisverslag gekenmerkt door een typisch Rivièra-gevoel: lichtvoetigheid. Over literatuur werd tijdens de reis nooit gesproken. Nee, wie de olijke conversaties leest, zou bijna vergeten dat hier een esoterische symbolist en een soms zwaarmoedige naturalist samen op stap zijn. Zegt de Franstalige Gentenaar Maeterlinck nadat zijn hond uit de auto is gesprongen: "Khé hem lieren apportsjes zoeken en biestjes pakken!" Zegt Buysse wanneer Maeterlincks hand bloedt bij het verwisselen der binnenbanden: "O! Maeterlinck-dweepsters en vereersters, waar waren uw zakdoeken om dat illuster bloed op te vangen en als relikwie te bewaren!" Verder zal Maeterlinck, tot groot jolijt van Buysse, nog in een bergriviertje terechtkomen, met kleren en al en uitroepen: "Ce qui m'embête, c'est que mon tabac est mouillé." Op het moment van hun tocht zijn ze respectievelijk 45 en 47, maar de sfeer is vaak uitgelaten jongensachtig. Bij beide auteurs hebben literatuurhistorici rond dat moment een optimistische wending in hun oeuvre vastgesteld. Het gevloek en het gebulder van Het recht van de sterkste (1893) of Het gezin Van Paemel (1903) verstommen bij Buysse in luchthartiger werkjes als De vrolijke tocht (1911) en Wat wij in Spanje en Marokko zagen (1929). Maeterlincks fatalistische toneel en mystieke essays ruimden rond 1900 plots baan voor bespiegelingen over bijtjes en sprookjes over houthakkerskinderen. Was de intrede van die luchthartigheid te wijten aan zijn relatie met de actrice Georgette Leblanc, zoals vaak wordt beweerd? Misschien ligt de oorzaak ook deels bij de auto. Voor het eerst in de geschiedenis kon men zich vrij in de buitenwereld verplaatsen zonder de sociale controle van medereizigers in koets, diligence of coupé. Dat heeft zeker bijgedragen tot de uitholling van negentiende-eeuwse waarden als fatsoen, ernst en deftigheid. Mirbeau verlustigde zich in het beschrijven van andere weggebruikers als "la faune des routes", Buysses Vrolijke tocht bevat hilarische portretten van "pettenjagers", "gevaarlijke mensen op reis", Baskische voermannen en andere "schrikwekkende ontmoetingen". Onderweg met Maeterlinck becommentarieert hij eveneens met veel ironie de bediende van een telegraafkantoor en een aantal andere passanten. Grinnikend, is het woord dat hij zelf regelmatig gebruikt. De private sfeer was niet langer iets binnenskamers. Het autoproza van die dagen leest daarom als het geboortekaartje van de luim.

Na uren door een 'wasteland' van kleine stadjes, honderden rotondes en duizenden reclamepanelen voel ik me eerder zwaarmoedig dan lichtvoetig. De machtige Rhônevallei is vandaag een goot waarlangs alle verkeer moet: snelweg, rijksweg, spoorweg en binnenvaart. Dit is het Frankrijk van de 'zone industriel' en het 'centre commercial'. Trenet bedoelde het niet zo cynisch toen hij Parijs als "un p'tit faubourg d'Valence" bezong, maar heel Frankrijk lijkt hier inderdaad één grote voorstad.

De triomfboog van Orange waaronder de Via Aurelia liep, ik zie het aan. De glooiende wijngaarden van de Provence, niet onaardig. De witgevlekte stammen van de platanen, ze lijken op noga. De eerste olijfbomen, ze doen me niets. Buysse kon zich nog verkijken aan "de hoge, violette en blauwe bergen, de heldergroene bossen, de gouden-bruine huisjes met de lichtgroen-verkleurde jaloezieën, alles voorbijsnellend en vluchtend, als in de betovering van een cinematograaf". Het verlangen naar de Rivièra wordt nu pas echt tastbaar, het is bovenal het verlangen naar een palet van verzadigde kleuren.

Ik rij door tot Saint-Raphaël en bij valavond zie ik voor het eerst de Middellandse Zee. De clichés van turkoois water en azuurblauwe lucht ontroeren nog steeds. Er waait een mild briesje en langsscherende meeuwen krijsen. Na een hap in een restaurant parkeer ik de auto in de verlaten jachthaven van het stadje. De achterbank gaat plat, het licht uit, ik hoor de masten van de zeilboten klepperen en het water tegen de pontons klotsen. Morgen rij ik naar Maeterlincks paleis.

David van Reybrouck

Bij hun vertrek dragen ze lange mantels, petten met oorlappen en grote, ronde stofbrillen. Op de achterbank snuift de bulldog van Maeterlinck gulzig de wind opWie vandaag Buysses verslag leest, wordt nostalgisch van de gemoedelijkheid waarmee destijds werd gereisd. Geregeld stoppen ze om een stadje te bezoeken, een pijpje te roken of de hond terug te roepen wanneer die achter een konijn is gesprongen

* Deze tekst is een bewerkte, ingekorte versie van 'De ontdekking van lichtvoetigheid. Cyriel Buysse en Maurice Maeterlinck, en route naar de Rivièra', opgenomen in de bundeling Nice. Muze van azuur. Dit boek omvat eenentwintig verhalen en eigenzinnige bijdragen over schrijvers en kunstenaars die in de ban raakten van het mondaine Nice met zijn nostalgische hotelpaleizen en de sfeer van luxe, calme et volupté.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234