Vrijdag 04/12/2020

Flandrien met de handen, niet met de benen

Twee van de drie heren die afgelopen week werden genomineerd voor de titel Sportman van het Jaar zijn wielrenners: Tom Boonen en Philippe Gilbert. Zij werden de voorbije twee jaar elk al uitgeroepen tot Flandrien van het Jaar. Maar, zo ontdekt schrijfster Ann De Craemer, de geschiedenis heeft haar rechten: met wielrennerij hadden de échte flandriens niets te maken.

Op de markt van Kachtem trekt een vrouw de schouders op tegen de vroegtijdige winterkou. Ze praat tegen een kalende man die de helft van zijn verkleumde gezicht achter een sjaal verbergt. Bij Sterslager Geert & Marleen ('Ster, staat voor kwaliteit!') baadt de charcuterie in neonlicht, maar slechts één klant wacht op zijn bestelling. De gordijnen van café 't Nieuw Gemeentehuis zijn dicht. Voor de kerk prijkt een beeld van Jezus als zandkleurige heiland. De bloembak voor zijn sokkel is leeg, en herfstbladeren spelen aan zijn voeten. Achter Zakenkantoor Kerkhof BVBA verrijst een windmolen. Misschien zijn de reuzen der nieuwe energie de reden waarom op de markt drie huizen te koop en twee te huur staan, want, zo berichtte een Vlaamse krant in juni, in Kachtem 'worden buren van de windmolens gek van de slagschaduw'.

Wie niet in Kachtem hoeft te zijn zou er nooit halthouden, maar in dit leeglopende West-Vlaamse dorp van drieduizend zielen woont een flandrien met een verhaal dat verteld moet worden - nu het nog kan. Stelt u zich bij 'flandrien' geen strak in het pak gestoken sportman voor die tijdens een televisiegala een trofee in de handen krijgt geduwd en door krantenmannen wordt bewierookt als een held wiens aderen gebeeldhouwd op de granieten kuiten liggen. De Nederlandse taal heeft woorden waarvan de ware betekenis is bedolven onder het stof der mythologie, en 'flandrien' is daar een van.

De legendarische wielerjournalist Karel Van Wijnendaele (1882-1961) is verantwoordelijk voor de huidige interpretatie van flandrien als heroïsch coureur. Eigenlijk stal hij het woord en ontdeed hij het van zijn oorspronkelijke betekenis, want volgens de geschiedenis is een flandrien geen renner à la Briek Schotte, maar een seizoensarbeider die minstens twaalf per uur dag met de blote handen werkte.

Halverwege de negentiende eeuw steeg het bevolkingsaantal in Vlaanderen. De lapjes grond van de boeren werden steeds kleiner en konden niet langer genoeg monden voeden. Duizenden Vlamingen trokken naar streken waar ze wel geld konden verdienen: Wallonië, maar vooral Noord-Frankrijk. Ze belandden er op de bietenvelden, en later in de ast, een droogoven voor tabak of cichorei. Om een stukje hemel te verdienen, moesten ze zwoegen in een hitte die het vagevuur tot leven bracht. Rond de eeuwwisseling werkten ruim 50.000 Vlamingen op de Noord-Franse suikerbietenvelden. Elk jaar lieten ze overwegend West- en Oost-Vlaanderen achter zich, de baluchon op de rug, een laatste keer omkijkend naar vrouw en kinderen die ze maandenlang niet zouden zien.

Over de generaties die Jef uit Kachtem voorafgingen, verhaalde Stijn Streuvels in Leven en dood in den ast (1938). Zijn personages dragen namen als Fliepo, Blomme en Hutsebolle, en waren door God en zelfs klein Pierke vergeten. 'Zij leven hier met hun vijven', aldus Streuvels, 'afgezonderd, buiten alle gemeenschap met de wereld, als op een schip in volle zee, dag en nacht aan 't porren en wroeten om de torenhoge stapel wortelen - die van ver aangebracht, altijd maar hoger wordt - af te voeren, door de snijmolen te draaien, op de ast te laden, waar de bonen gekeerd en gewend, boven de vuren gedroogd, in zakken gevuld, weer de wereld ingaan.'

Vandaag kennen we de seizoensarbeiders in wat onze eerste fabrieken waren als 'fransmans' of 'trimards', maar door de lokale Noord-Franse bevolking werden ze 'flandriens' genoemd. Het was een naam waaruit zowel bewondering als misprijzen sprak: Vlamingen hadden in de vlasoogst bewezen noeste werkers te zijn en knapten het vuile werk op waarvoor de Fransen hun neus ophaalden, maar omdat de arbeiders vaak troost zochten in drank, werd 'flandrien' ook een scheldnaam. 'Drie arbeiders', schrijft de Waalse journalist Auguste De Winne in zijn beroemde Door Arm Vlaanderen (1904) na een ontmoeting met een aantal flandriens, 'komen nog na ons in hun zondagskleren het café binnen. Ze zijn al lichtjes aangeschoten en zijn luidruchtig en twistziek. De bazin bekijkt ze met medelijden en welwillendheid.'

Onbeschoft en boertig

Terug naar De Winnes collega-journalist Van Wijnendaele, die ook sportdirecteur was en in 1913 een ploeg van West- en Oost-Vlaamse renners liet aantreden op de wielerpiste in Schaarbeek. Daar gedroegen ze zich zo 'wild' dat ze door de Franstalige pers werden omschreven als flandriens, met de negatieve bijklank van die term: onbeschofte, boertige Vlamingen. Van Wijnendaele had een hekel aan de 'fransch-schrijvende stoeferskliek' en maakte van flandrien een geuzennaam om er stoempende coureurs mee aan te duiden: zo hard als de Vlamingen in Noord-Frankrijk konden werken, zo hard konden ze ook op de pedalen duwen. Als Vlaams-nationalist wilde Van Wijnendaele daarmee bijdragen aan de ontvoogding van het Vlaamse volk: 'De sport moet als een krachtige factor gebruikt worden, om de lichamelijke en zedelijke verbetering van het ras te bewerken.'

De oorspronkelijke betekenis van flandrien raakte door het gebruik in Van Wijnendaeles razend populaire krant Sportwereld vergeten. Een flandrien was niet langer een seizoensarbeider die ter plaatse trappelde, maar een Vlaamse renner die zich fietsend uit de klei had getrokken. Vaak ging het effectief om boerenzonen die op die manier de armoede ontvluchtten, maar Van Wijnendaele bleef ze wel voorstellen als eenvoudige jongens, terwijl Cyrille Van Hauwaert, de allereerste flandrien, 36.000 frank per jaar verdiende - een bedrag waarvoor een gewone arbeider 23 jaar lang 12 uur per dag moest werken.

De geschiedenis heeft haar rechten: de flandriens zijn niet uitgestorven met de dood van Briek Schotte in 2004. Een der laatsten woont in Kachtem, in een huis met kraakwitte gordijnen en porseleinen beeldjes achter de ramen. Jef Vermandere (74) had als jongeman niet eens een koersfiets waarmee hij zijn duivels kon ontbinden in de straten van het dorp waar hij het licht zag gloren, en het ooit zal zien doven. Jef was slim genoeg om te studeren, maar als boerenzoon en oudste van vier moest hij de kost verdienen. Vanaf zijn veertiende hielp hij vader op de boerderij. Na zijn legerdienst trok hij als seizoensarbeider naar Noord-Frankrijk. Een jaar op de bietenvelden in de Calvados. Daarna vier jaar in een gebouw dat vandaag bijna overal uit het landschap is verdwenen, of, indien het nog overeind staat, vaak wordt omgebouwd tot dure loft: de ast.

De eerste Vlamingen die in de ast werkten, kunnen daar niet langer over vertellen. Ze leven verder in de verhalen van Stijn Streuvels, en in Suiker van Hugo Claus, die in 1947 zelf 'fransman' was in Noord-Frankrijk. Ook van de finale jaren van leven en werk in de ast zijn nog weinig getuigen. Jef kan ervan meespreken. Elk jaar is er in Lichtervelde een stoet die de seizoensarbeiders herdenkt, en elk jaar dunt de groep verder uit.

Terwijl Jef, de handen haast roerloos op tafel, zijn verhaal doet, breit zijn vrouw, schijnbaar met slechts een half oor luisterend, naarstig aan een wollen sjaal. "Voor mijn kleindochter. En om bezig te blijven." Haar tikkende naalden wedijveren met de seconden die voorbijglijden in de houten klok tegen de muur. Jef glimlacht wanneer hij het woord flandrien hoort.

"Ik deed gewoon mijn werk. Het was zwaar, maar ik kon tegen een stoot. Ik was net afgezwaaid van de troep toen ik naar Noord-Frankrijk trok. Mijn vader was boer, hier in Kachtem." Hij wijst naar de tuin van het huis waar hij tweeënvijftig jaar later nog steeds woont. "Ik hielp vader en werkte in de vlasroterij. Dat verdiende niet slecht, maar veel mensen uit de streek gingen in het voorjaar naar de bietenvelden in Noord-Frankrijk. Daar werd je beter betaald. Ik was gewaarschuwd voor het zware werk, maar dat hield me niet tegen."

Op zijn eenentwintigste verliet Jef voor het eerst zijn dorp. In Paris-Nord zag hij getaande boeren op zoek naar werkvolk, waarna de ene na de andere bus werd volgeladen met jongemannen die meer centen wilden verdienen dan thuis ooit mogelijk was. Italianen, Spanjaarden, West-Vlamingen. Jef kwam terecht op een bietenveld in de Calvados, waar hij in mei en juni meer dan twaalf uur per dag voorovergebogen stond. "Dat is het lastigste wat ik ooit deed. 's Morgens zongen de Italianen nog uit volle borst, maar na de middag hoorde je ze niet meer piepen." Jef moest de bieten 'op één zetten', of op de gewenste afstand plaatsen, want het eenkiemige zaad was nog niet uitgevonden, en de bietenplantjes stonden anders te dicht naast mekaar.

Het jaar nadien keerde Jef niet meer terug. Een makker op het vlasveld vertelde hem over zijn werk in de ast in Audruicq, een dorp in Nord-Pas de Calais. "Elk achterjaar, in oktober en november, ging hij daar met zijn nonkel cichorei drogen. Maar de man werd te oud en ik besloot zijn plaats in te nemen, want in de winter was er niet genoeg werk in het vlas. De dag voor ik vertrok, ging ik naar het emigratiekantoor in Tourcoing om mijn arbeidscontract en papieren in orde te brengen. De volgende ochtend namen Rafaël en ik de trein naar Audruicq, waar onze ast stond. Of we niet met de fiets gingen?" Jef tikt met zijn vinger tegen het voorhoofd, knipoogt daarna: "Nee, gij. We namen onze fiets wel mee, maar alleen om een cognac te kunnen drinken in de asten in de buurt."

Werken, slapen, eten

Jef en Rafaël deden in 'hun' ast alles met zijn tweeën. "Eerst de cichorei wassen en snijden. De snijmachine draaide op een dieselmotor die Onze Lieve Heer nog had gemaakt en die de hele tijd poef poef poef zei. Als ik erop terugkijk, was het levensgevaarlijk." Eenmaal de cichorei gewassen en gesneden werden de wortels tot boven in de ast gebracht. Daar strooiden Jef of Rafaël ze op een dikte van zestig centimeter uit op een droogplaat. Beneden moest het vuur worden aangemaakt en brandend gehouden door er steeds opnieuw cokes op te gooien. Wanneer de cichorei van de bovenste plaat droog genoeg was, werd ze naar de middenplaat getrokken. Daar kon ze in zakken worden geladen, die werden opgestapeld in het magazijn.

Alles speelde zich af in de ast: werken, slapen, eten. De soep herinnert Jef zich nog het best. "Kraantjeswater gingen we bij de buren halen. We maakten een volle emmer soep in één keer, want we waren geen chef-koks en hadden weinig tijd. Maar de soep was zuur nog voor je alles kon opdrinken. Verstaat ge, het was daar dikwijls zo warm dat je niet alleen rap moest werken maar ook rap eten." De muizen kwamen elke keer trouw mee aanschuiven. Zes vallen hadden Rafaël en Jef, en elke dag vingen ze zes muizen.

Behalve knaagdieren zagen Jef en Rafaël weinig levende wezens. "We werkten van drie uur 's morgens tot drie uur 's middags. Na afloop waren we zo bezweet dat het sop uit de badhanddoek liep waarmee we ons afdroogden. Nu en dan renden we naar de raampjes om genoeg lucht te krijgen. De afvoerbuis die de rook moest wegvoeren, zat vol gaten."

Om de andere dag waren Rafaël en Jef van wacht. "Elk uur, van drie tot negen uur 's avonds, moesten we dan cokes op de vuren gooien, zodat ze niet zouden uitdoven. Om negen uur gingen we op onze kafzak liggen, maar diep slapen zat er niet in. Bij het minste verdachte geluid werden we wakker - dat was ook onze plicht. Als het hard waaide, begonnen de golfplaten boven ons hoofd te schudden en beven."

Iedere ochtend kwam de postbode met Het Volk: zodra de astmannen vertrokken, werd de vakbond daarvan op de hoogte gebracht en kregen alle seizoensarbeiders gratis de krant. Eén keer per week zagen ze de biermarchand; één keer per week de bakker, en één keer per jaar mijnheer pastoor. "Goh, goh, pasterke Dejaeger", schudt Jef glimlachend het hoofd. "Ik zie hem nog komen aantuffen in zijn Volkswagentje. Dat hij nooit in de beek is gesukkeld - het is een waar mirakel. Nooit heb ik hem nuchter gezien."

Getuige daarvan Leon Bruggeman, die als secretaris van de ACV-voedingscentrale 34 jaar lang de belangen van de Vlaamse seizoenarbeiders in Frankrijk verdedigde, samen met 'pasterke' Dejaeger. In Asten, bieten en... mensen (1986) deinsde Bruggeman er niet voor terug om het alcoholgebruik tijdens hun tochten ter sprake te brengen: "Het is ook niet te verwonderen als men van de ene ast naar de andere trekt. Bij Pier is het een glas wijn, bij Pol een koffie met cognac of rum helft om helft. De inhoud is groter dan normaal want in sommige plaatsen wordt hij geschonken in tassen en spoelkommen, of uitgewassen glazen mostaardpotjes. En dan: 'Allé, drinkt uit, één is geen', of 'Ene soldaat vecht niet'."

Op zondag, of als Jef en Rafaël eerder klaar waren, namen ze hun fiets om in andere asten een glaasje eau de vie te drinken. Maar vaak gebeurde dat niet. "Er was weinig tijd voor ontspanning. Maar we verdienden veel geld. Veertigduizend frank per maand - het dubbele van wat ik had tijdens de maanden in het vlas. Op zon- en feestdagen kreeg je bovendien driehonderd frank extra, zonder dat je hoefde te werken."

In 1964 trok Jef voor het laatst naar de ast. Het was niet dat hij niet meer wilde terugkeren, maar de flandriens waren niet langer nodig. In 1953 werkten nog 438 Vlamingen in de ast - al bijna 200 minder dan het maximum van 622 na de Tweede Wereldoorlog. Frankrijk kampte met hoge werkloosheid, en buitenlandse arbeidskrachten werden geweerd. Het was echter vooral de mechanisatie die de astmannen overbodig zou maken. Cokesvuren werden vervangen door mazout. Ventilatoren die boven in de ast werden aangebracht bespoedigden het droogproces. Maar vooral de droogtrommel zorgde voor een revolutie. De eerste dook op in Grande Synthe bij Ringo, waar een veel groter gebouw werd geplaatst, dat eruitzag als een echte fabriek en waar arbeiders niet langer overgeleverd waren aan pure handenarbeid maar knopjes bedienden. Vanaf 1960 zette de daling van het aantal astmannen in sneltempo in. Vandaag staat hier en daar in Noord-Frankrijk nog een vervallen ast, opdoemend als een stervende reus in het landschap. Ook de suikerfabrieken, waar de bieten werden verwerkt, zijn verdwenen. Of zoals Claus het verwoordde in Suiker (1958): 'Nu is het afgelopen met de suiker, zeg ik. Het leven in de suiker bestaat niet meer.'

Ook de ast van Jef is niet meer. De stenen die na afbraak overbleven, werden gebruikt voor een nieuwbouwwoning. "Maar hij gaat nog doodgraag kijken naar de plek waar zijn ast stond", zegt zijn vrouw. "Ik heb die streek al zeker tien keer gezien." Jef glimlacht, verlegen bijna. Zij laat haar breiwerk op de bank liggen, verdwijnt in de keuken en keert terug met een geopende pot cichorei. "Wij drinken altijd cichorei." Jef knikt. "Het is gezonder dan koffie. En goedkoper. Maar alleman drinkt nu, hoe heet het weer, van die Senseo."

Eind oktober vonden in Audruicq nog de jaarlijkse cichoreifeesten plaats. Er werd een reus ingehuldigd met de naam 'Albert le sécheur de cichorei', naar het evenbeeld van Albert Supeene, een van de oudste nog levende astmannen, die ook Jef goed heeft gekend. Aanwezig op de viering: twaalf astmannen. Rafaël was er niet. Hij overleed twee jaar geleden. Ook Jef kon er niet bij zijn. "Volgend jaar misschien", zegt hij. "Ik zal zien." Dan, kijkend naar zijn cichoreidrinkende vrouw: "Wij zullen zien."

In 1964 dreef de technologie Jef voorgoed terug naar Kachtem, waar hij zijn vader opvolgde als boer in het dorp waar in 2012 de technologie der windmolens sommigen doet beslissen weg te trekken. Het waren harde tijden in de ast, en toch zou Jef het zo opnieuw doen. Zijn broer werd licentiaat geschiedenis, maar Jef heeft geen spijt dat hij niet mocht studeren. "De slimmeriken weten dingen die ik niet weet, maar ik weet dingen die zij nooit zullen weten."

Sukkelaars, zegt Streuvels

Al geeft hij toe dat hij blij is vandaag geen arbeider te zijn. "Wij waren veel minder opgejaagd dan de mensen nu. We werden op het veld per meter betaald, en in de ast per kilo. Je deed zoveel je kon, maar er was geen machine waarvan je het moordende tempo moest volgen. Vandaag moeten de mensen benauwd zijn dat de bazen met hun werk elders naartoe lopen. Ik zei het vorige week nog tegen mijn vrouw toen ik op de televisie de mensen van Ford Genk zag: er is maar één ding dat nu telt voor de fabrieken, en dat is zo goedkoop mogelijk produceren. Punt, gedaan. Mijn twee stiefdochters werken ook in de fabriek. Ze doen dat graag en goed, maar als het daar plots afgelopen zou zijn, zoals het bij mij op een dag afgelopen was in de ast, waar moeten zij dan naartoe? Ik kan daarvan wakker liggen. Streuvels schreef dat wij sukkelaars waren, maar ik vraag me dikwijls af: is het nu per se beter, en het was toen per se slechter?"

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234