Zaterdag 23/01/2021

Fladderen om de verlossing

Het proces-Adam G.

Bernard Dewulf was afgelopen week toeschouwer op het proces-Adam G. Het was zijn tweede assisenproces, na dat van Hans Van Themsche vorig jaar. 'Al krijgt de dader nog duizend jaar, niets kan er staan tegenover de resterende jaren verdriet en eenzaamheid van de ouders en de vriend. En al schieten alle woorden finaal tekort, we hébben het er tenminste over.'

Tekening Jan Vanriet

Het is de ochtend van een rustige nazomerdag wanneer ik op het Poelaertplein in Brussel voor het Justitiepaleis sta. Het is geen weer voor gruwel.

Het paleis blijft een verpletterend bouwwerk - van de Joseph Poelaert van het plein. Grondoppervlakte: 26.006 m2. Koepel: 24.000 ton, 142 meter hoog. Het gebouw is dit jaar 125 geworden en staat in de steigers, een rinoceros op krukken. Weinigen hebben er ooit een goed woord voor overgehad. Architect par excellence Victor Horta: "Cyclopische architectuur ontsproten aan de verbeelding van een dwerg, zonder kennis van de menselijke schaal."

Horta had er duidelijk nooit een assisenproces bijgewoond. In dat onmenselijke gebouw bevinden zich, zo bleek mij al snel, menselijke ruimten.

Ik ben hier voor het proces-Joe Van Holsbeeck.

Mijn tweede assisenproces. Op het eerste, bijna een jaar geleden, stond Hans Van Themsche terecht. Nu Adam G.

Wat ik mij herinner van toen, die eerste keer: de geruststellende gang van zaken in de zaal in het oude gerechtshof van Antwerpen, na de hysterie buiten de zaal. Er werd gewerkt aan gerechtigheid, niet aan wraak of kijkcijfers. Dat was een kleine openbaring.

Ook nu valt mij meteen op: de kleinschaligheid. Ik heb aan de ingang mijn identiteitskaart getoond, ben volgens de politieagent niet verdacht en stap naar binnen in een betrekkelijk kleine, vriendelijke ruimte. De akoestiek, vooral bepaald door het vele hout en de hoogte van de zaal, zorgt voor een sfeer van zachte ernst. Het gedempte licht wekt een gevoel van saamhorigheid.

Zijn hier verzameld: hof, jury, beklaagde, advocaten, pers, publiek. Een bont gezelschap, gekleurd door alle bevokingslagen en samengekomen rond een vreselijke gebeurtenis. En iedereen mag komen kijken en luisteren, de deur staat ostentatief open, maar echt veel volk zit er niet op de onverslijtbare houten publieksbanken, waar ik plaatsneem.

De uren dat ik er zal zitten krijgen het woord: de moeder, de vader en de broer van Joe Van Holsbeeck, de zeventienjarige jongen die op 12 april 2006 doodgestoken is in het Centraal Station van Brussel door de Poolse jongen Adam G.. Verder: de beste vriend van Joe, Gil, die bij Joe was toen de misdaad plaatsvond, en diens ouders.

Het idee 'het woord krijgen' staat in een assisenproces centraal. Net als vorige keer stel ik ook nu vast: een assisenproces verloopt vooral in taal. Niet in juridisch jargon, maar in dagelijkse taal. Elkeen die het woord mag nemen - ouders, vriend, broer - krijgt de tijd om volledig te spreken. Er is geen haast, niemand wordt verplicht om telegeniek in zestien seconden zijn drama samen te vatten. De voorzitter van het hof neemt alle tijd en maakt er een zaak van om nuanceringen, toelichtingen en verduidelijkingen een kans te geven.

En hoezeer misschien ook een andere indruk kan ontstaan bij het 'grote publiek': hier wordt niet in oneliners gesproken. Hier wordt ook gestameld, geaarzeld en gemompeld ("Pourriez-vous parler un peu plus fort, s'il vous plait?"). Binnen deze muren is de mediatisering niet meer dan een teek op een stevig been.

Wat ik te horen krijg in die zaal: publieke pogingen om te zeggen wie en hoe Joe Van Holsbeeck was, als mens, als zoon, als vriend; pogingen om te zeggen welke wonden, scheuren, onherstelbare letsels zijn dood hebben veroorzaakt; pogingen om uit te leggen dat er 'eigenlijk' niet uit te komen is, uit dit verdriet.

Want dat is het wezenlijke verdict: al krijgt de dader nog duizend jaar, niets kan er staan tegenover de resterende jaren verdriet en eenzaamheid van de ouders en de vriend.

Dát, vermoed ik, is wat ze allen hier willen komen zeggen. En al is het niet te zeggen, al schieten alle woorden finaal tekort, we hébben het er tenminste over, hier in de zaal. Enkele tientallen mensen zijn samengekomen om te luisteren naar het onzegbare.

In hun aanwezigheid, in het spreken en het luisteren, schuilt een vorm van genade. En genade kan soms gewoon voortkomen uit 'verdomde plicht'. Zoals de moeder van Joe Van Holsbeeck het verwoordde in haar publieke brief aan haar vermoorde zoon: "Niets doen zou aanvoelen alsof ik me neerleg bij de barbaarse daad van je moordenaar, vandaar mijn aanwezigheid in deze assisenzaal."

Aanwezigheid én spreken als protest tegen het onherroepelijke.

Maar een assisenzaak is meer dan een gelegenheid om nabestaanden, getuigen en anderen het 'hart te laten luchten'.

Het is ook een oefening in precisie en grondigheid.

Dat is niet voor iedereen altijd even spannend. Naast mij dommelt langzaam een cameraman in. Zijn dieper geworden adem is hoorbaar op de publieksbanken. De in de zaal aanwezige politieman tikt de slapende tot de orde.

Van de vriend, die bij Joe was, wil de voorzitter behalve de aard van zijn vriendschap en zijn gemoedstoestand na het drama ook een minutieus verslag van de feiten horen. Dat verslag bestaat al, schriftelijk en in meerdere versies. Maar een assisenproces is bij uitstek een mondeling gebeuren.

Het valt de vriend soms moeilijk, maar de voorzitter dringt even vriendelijk als kordaat aan. Niets mag hier ongezegd blijven, niets mag hier over het hoofd gezien worden. De vriend is een kroongetuige, herhaalde malen moet hij spreken over het fatale mes - hoe het eruitzag, wanneer hij het voor het eerst zag, waar het precies uit kwam. Er zitten kleine tegenstrijdigheden in zijn geheugen en die wil de voorzitter het liefst weggegomd krijgen.

Maar de vriend herhaalt: het ging allemaal zo snel.

Lange minuten lang wordt er stilgestaan bij de enkele seconden waarin het drama zich voltrok.

In zekere zin fascinerend zijn de vragen van de voorzitter naar de momenten vóór de fatale momenten. Naar het tempore non suspecto, toen Joe Van Holsbeeck en zijn vriend gewoon zaten te wachten in het station. Zoals dagelijks ontelbare mensen doen.

Het zijn, zoals dat heet, onbewaakte ogenblikken en de voorzitter wil weten wat er toen 'gebeurde' - omdat die ogenblikken van zitten-en-wachten, hoe onbestemd en onbeduidend ze in andere omstandigheden ook gebleven zouden zijn, nu beladen zijn en iets onheilspellends hebben gekregen.

Maar hoe moet men zich 'onbewaakte ogenblikken' herinneren? Men let dan niet echt op, waarom zou men ook? Er was helemaal niets aan de hand in die momenten. Een geheugen ligt dan maar wat te dommelen.

En toch dringt de voorzitter aan.

Vooral wil zij te weten komen wanneer juist het onheil is ontstaan, op welk moment precíes - een fractie van een seconde - de twee vrienden die aanvankelijk gewoon antwoordden op de vraag van de twee Polen naar een straat in Brussel 'begrepen' hebben dat ze in gevaar waren. Het is een haast onmogelijke dissectie van de tijd, van een vredestijd die in minder dan een oogwenk een moment van gruwel is geworden.

De vriend doet zijn best, maar tegen de snelheid waarmee de dingen toen gebeurd zijn, is niemand, geen enkel geheugen opgewassen. Als ze toeslaan, en zelfs als ze niet toeslaan, pakken de feiten ons altijd in snelheid.

En terwijl in de zaal de 'reconstructie' van feiten, gevoelens, levens en liefdes langzaam en zorgvuldig doorgaat, terwijl intussen mensen in- en uitlopen, terwijl advocaten regelmatig onder elkaar bezig zijn, terwijl cameralieden nu en dan statieven verplaatsen, terwijl juryleden plichtsgetrouw toehoren, terwijl weer andere mensen achter het hof met raadselachtige bedoelingen in en uit een immense deur gaan en komen, zit achter het glas van een hem beschermende 'kooi' moeilijk zichtbaar: de dader.

Naast hem zit een oudere vrouw te tolken. Het gemurmel van haar voortdurende vertaling begeleidt, als een onwezenlijk neuriën, haast als een litanie, de procesgang. Geen woord, zo te horen, wordt de beklaagde onthouden, maar niemand die weet of hij luistert en zo ja, wat hij denkt of voelt. Daar is geen tolk voor. En bijna zeker zullen wij het nooit te weten komen, zo wij het al zouden willen weten.

Voor mij, op de banken, zit zijn familie: zigeuners. Mannen, vrouwen en kinderen die, zo heb ik gelezen, in een erg gesloten gemeenschap in Polen leven, met eigen wetten en regels en een eigen koning én opperrechter. Die heeft Adam G., lees ik, binnen de eigen gemeenschap veroordeeld tot "twintig jaar". Dat wil zeggen: "Niemand mag met hem spreken, niemand mag hem in huis opnemen."

Wat voor zinnigs kan ik over deze mij volkomen vreemde mensen zeggen? Ze hebben hun best gedaan om goed voor de dag te komen, dat kan ik onder meer zien aan hun kledij, ze zitten stil, soms fezelend, te luisteren naar iets waar ze, neem ik aan, nauwelijks iets van begrijpen.

Zouden zij zelf begrijpen wat hún Adam G. bezield heeft? "Verkrachting, doodslag en moord komen bij ons niet voor", zei hun koning tegen een journalist. "Het is de eerste keer in tweeduizend jaar dat er bij ons zoiets gebeurt."

Zo schieten we niet op.

Na enkele uren assisen, na intense getuigenissen van ouders en een vriend, vooral over hoe kapot hun levens nu zijn en zullen blijven, hoe voorgoed angst en haat in hun bestaan zijn geslopen, loop ik door het immense Justitiepaleis, gang in gang uit, als liep ik door de doolhof van het bestaan zelf, met de vraag in mijn hoofd: zijn we in die enkele uren opgeschoten?

Alles in mij wil ja zeggen, maar ik weet het niet.

Na mijn ronddoling, langs rechtbanken allerhande, ga ik in de centrale hall, de zogenoemde 'salle des pas perdus', zitten op, alweer, zo'n stevige, onverslijtbare bank. Ik zie her en daar advocaten samen zitten met cliënten of dossiers doorbladeren, terwijl het intussen een niet ongezellig va-et-vient is van mensen, die kriskras op weg zijn naar mij onbekende bestemmingen in en uit dit labyrint.

Indien we al opgeschoten zijn, bedenk ik, dan niet in een of andere richting. Het is meer een cirkelen. Er is gespróken, tenslotte heet dit hele proces 'rechtspraak'. En er is geluisterd.

Er is, laten we eerlijk zijn, niet altijd 'schoon' gesproken. Soms was het, als waarnemer en als vader die geen idee heeft van dit soort leed, schrikken van de heftige, onverzoenlijke bitterheid van nabestaanden. En ook hier gaat het om de tijd. Om die enkele, finaal onvatbare seconden waarin de verschrikking plaatsvond, maar ook om de járen. Na tweeënhalf jaar heeft de tijd, in tegenstelling tot het dwaze spreekwoord, geen enkele wonde geheeld.

Integendeel, de tijd is zélf de wonde.

En zo was het daarbinnen in die zaal misschien vooral: een dapper, nuttig, noodzakelijk maar ook wanhopig fladderen boven de verlossing. In het volle besef dat die er niet komt.

Ik stond op van de bank in die grote, druk bewandelde zaal en liep naar de overkant. Daar bevond zich, tot mijn verwondering, midden in dat immer uitdijende Justitiepaleis een winkeltje. Ik had er een krant kunnen kopen, snoepgoed, kruiswoordraadselboekjes, sigaretten, en zelfs: biljetten van de Loterij. Wie gevoelig is voor symboliek, en geen kind kwijt is, kan daar nog even om glimlachen.

Ik liep naar de uitgang, terug naar dat grote plein voor het immense paleis. Daar, nog steeds beschenen door een milde najaarszon, ging alles en iedereen druk of rustig voorbij alsof het zich van geen kwaad bewust was. Alsof zich niet elk ogenblik iets hopeloos voltrekt. Alsof niet elk ogenblik blind geluk is.

Ook hier gaat het om de tijd.

Om die enkele, finaal onvatbare seconden waarin de verschrikking plaatsvond, maar ook om de járen.

Na tweeënhalf jaar heeft de tijd geen enkele wonde geheeld. Integendeel, de tijd is zélf de wonde

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234