Donderdag 28/05/2020

Fireside

Het hoge noorden mag dan al koud en onherbergzaam zijn, er wordt bijwijlen fantastische muziek gemaakt. Tot die vaststelling kom je vanzelf na beluistering van Elite, de vierde langspeler van Fireside. Dit Zweedse kwartet voert in Nederland momenteel 'De Moordlijst' aan, een toptwintig die wordt samengesteld door een vijftigtal muziekjournalisten en radiofiguren. We zijn dus lang niet de enigen die zwaar onder de indruk zijn van dit plaatje. Fireside veroorzaakte voor het eerst rimpels in het muzieklandschap met zijn tweede cd, Do Not Tailgate, uit 1995. De groep maakte toen nog emotionele hardcore à la Fugazi en de Amerikaanse producer Rick Rubin was er zo van gegrepen dat hij de plaat uitbracht op zijn eigen American-label. Voorts bezorgde hij de Zweden een stek op het rondreizende Lollapalooza-festival. Sindsdien is er veel veranderd: Fireside beschikt nu over een eigen studio en heeft alle tijd om te experimenteren. Dat leidt tot een fascinerend spel met contrasten en een ongewoon instrumentarium dat, behalve gitaar, bas en drums ook een mandoline, bouzouki, hoorn, trompet, accordeon en allerlei keyboards omvat.

Op Elite botsen sferen en ritmen wild tegen elkaar aan en waaiert de muziek alle kanten uit. In nummers zoals 'Desolator' of 'Hals und Beinbruch' worden de grenzen tussen genres zonder omhaal gesloopt: grillige gitaarrock, melodieuze indiepop, emocore en psychedelia worden op een glorieuze manier versmolten en het resultaat is meestal hypnotiserend en verbluffend. Stel je een band als Sonic Youth voor, die verdwaald is in de orkestrale speeltuin van The Flaming Lips. De leden van Fireside zijn de jongste jaren op diverse fronten actief geweest: zanger Kristofer Angström nam solowerk op en gitarist Pelle Gunnerfeldt producete de jongste cd van Spain. Dat verklaart wellicht waarom het geluidsbeeld op Elite dit keer zo ver wordt opengetrokken. Laat je dus niet misleiden door de weinig uitnodigende hoes en het weinig spectaculaire begin van de plaat. Want zodra je knap opgebouwde, epische songs hebt gehoord van het type 'The Last V8' of 'Take a Down' ben je voorgoed aan Fireside verknocht. Een revelatie.

Fireside, Elite, Startracks/Suburban

Low

Het mormoonse trio Low, afkomstig uit Duluth in Minnesota, houdt niet van snel en flitsend. Wie traag door het leven stapt, leeft intenser, ziet en hoort meer en laat zich beter dienen door zijn zintuigen. Bassist Zak Sally en het echtpaar Mimi Parker-Alan Sparhawk zijn meesters van de onthaasting en op hun vijfde langspeler, Things We Lost in the Fire, doen ze hun reputatie weer alle eer aan. De tempo's van de songs liggen laag tot zeer laag, de volumeknop wordt vaker naar links dan naar rechts gedraaid en als je goed luistert, kun je zelfs de stilten tussen de noten horen. Net zoals Secret Name uit 1999 werd de plaat opgenomen door Steve Albini, die hiermee bewijst dat je de luisteraar net zo goed kunt raken met een fluwelen handschoen als met een ijzeren vuist.

De ingrediënten van een goede Low-cd zijn inmiddels genoegzaam bekend: de innig in elkaar verstrengelde, langoureuze stemmen van Parker en Sparhawk; schimmige gitaren; een wolk mijmerende strijkers en af en toe een vleugje piano of trompet om het geheel wat meer kleur te geven. Alle overtollige ingrediënten worden weggelaten: de liedjes van Low zijn ontwapenend in hun eenvoud. Zelfs als het trio per ongeluk op een powerakkoord stuit, zoals in 'Dinosaur Act', wordt het zo behoedzaam aangeslagen dat de muziek zich onmogelijk met rock laat associëren. 'Laser Beam', waar vage echo's van folk en country uit opkringelen, is het muzikale equivalent van stilstaand water, maar 'Like A Forest', 'Sunflower' en 'In Metal' klinken, ondanks hun soberheid, voller dan we van de groep gewend zijn. Low is het Amerikaanse antwoord op de Cowboy Junkies: de leegte en de ruimtelijkheid van sommige van hun songs doen denken aan kathedralen die nooit door toeristen worden bezocht. Things We Lost in the Fire is als een vluchtheuvel waar dolgedraaide mensen even tot rust kunnen komen. Wie hem eenmaal heeft ontdekt, wil er nooit meer weg.

Low, Things We Lost in the Fire, Tugboat/Konkurrent

John Frusciante

Na een langdurige romance met Mevrouw Heroïne, die zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid ondermijnde, keerde gitarist John Frusciante in 1999 terug op het vertrouwde nest van de Red Hot Chili Peppers. Zijn heropstanding ging niet onopgemerkt voorbij: dankzij zijn meesterlijke spel werd Californication een van de sterkste en bestverkochte platen uit de carrière van de groep. Om van de drugs af te blijven, zette Frusciante zich, tijdens de jongste wereldtournee van de Peppers, weer volop aan het schrijven en schaafde hij gedisciplineerder dan ooit aan zijn songs. Op To Record Only Water In Ten Days klinken die dan ook veel afgelijnder en trefzekerder dan op grillige solo-cd's als Niandra Lades and Usually Just A T-Shirt en Smiles From The Streets You Hold, respectievelijk uit 1995 en '97.

Frusciante blijft een labiele jongen, maar na het veelvuldige vallen heeft hij nu ook leren opstaan. Zijn nieuwe langspeler nam hij helemaal in zijn eentje op, met behulp van zijn gitaar, een synthesizer en een drummachine, en hoewel hij geen natuurlijke zanger is, weet hij toch de nodige overtuigingskracht in zijn songs te leggen. De man vertelt over de psychologische chaos in zijn hoofd, over de schade die de naald aan zijn lijf heeft aangericht en de voortdurende strijd die hij moet leveren om de verlokkingen van de dealers te weerstaan. 'Going Inside' is in die context een soort beginselverklaring. Maar verwacht geen geweeklaag of zelfmedelijden: per slot van rekening isTo Record Only Water For 10 Days het dagboek van een overlever.

John Frusciante, To Record Only Water in Ten Days, Warner Bros.

Los Lobos

Al bijna dertig jaar wordt Los Lobos als een van de beste Amerikaanse rootsrockbands beschouwd. Als je een avond met de overzichtsbox El Cancionero: Mas Y Mas hebt doorgebracht, begrijp je meteen waarom. Deze chicanos, afkomstig uit de barrios van Oost-LA, spelen met evenveel souplesse traditionele Mexicaanse volksmuziek als rock, rhythm and blues, tex-tex of zydeco. De heren beheersen samen zowat alle denkbare instrumenten en hoewel ze hebben bijgedragen tot het identiteitsbesef van de latinobevolking in de VS, heeft hun werk altijd een uitgesproken universeel karakter gehad. Los Lobos begon als een wijkorkestje dat de Mexicaanse platen van hun grootouders naspeelde, kwam later, onder impuls van The Blasters, in de Hollywoodse punkscene terecht en brak internationaal door dankzij de soundtrack van de film La Bamba. De groep heeft twee Grammy's op de schoorsteen staan en maakte met producers als T Bone Burnett en Mitchell Froom onovertroffen platen als How Will The Wolf Survive (1984) en Kiko (1992). De jongste jaren experimenteerde Los Lobos steeds vaker met de mogelijkheden van de studio en liet het vijftal zich tekstueel beïnvloeden door de magisch-realistische literatuur van Jorge Luis Borges en Gabriel García Márquez. Als carrièreoverzicht is El Cancionero: Mas Y Mas nagenoeg perfect. Wie tussen de 86 tracks, gespreid over vier cd's, één minderwaardig nummer kan ontdekken, mag ons altijd bellen. Behalve fragmenten uit de tien reguliere langspelers van Los Lobos bevat de collectie een schat aan onuitgegeven materiaal en nogal wat rarities: liedjes uit films als The End of Violence, A Fine Mess, The Mambo Kings en Alamo Bay; bijdragen aan hommageplaten voor Richard Thompson, Walt Disney, The Grateful Dead, Buddy Holly en Doc Pomus en covers van The Beatles, Doug Sahm, Bo Diddley, Fats Domino, James Brown en Marvin Gaye. Ook de soloplaat van Cesar Rosas en de nevenprojecten Latin Playboys, Houndog en Los Super Seven komen aan bod. Echt iets voor fijnproevers dus, deze wolven. En bovendien veel amusanter dan het beest dat onlangs het Waasland onveilig maakte.

Los Lobos, El Cancionero: Mas Y Mas, Warner Bros.

Motorpsycho

De Noorse formatie Motorpsycho verraste vorig jaar met Let Them Eat Cake, een warme, subtiele plaat met knap uitgebalanceerde arrangementen. Maar Bent Saether, Hans Magnus Ryan en Gebhardt Hakon zijn wispelturige muzikanten die nooit lang uit dezelfde ruif eten en hun hand niet omdraien voor een stijloefeningetje meer of minder. Dat blijkt ook uit Barracuda, een zeven tracks tellende mini-cd waarop de heren zich, met behulp van een denkbeeldige teletijdmachine, laten terugflitsen naar de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig. Dat leidt tot potige acid rock, zoals die destijds werd gespeeld door bands als Cream en Grand Funk Railroad. 'Star Star Star' zou van The Stones kunnen kunnen zijn, al doen de blazers de song geen goed, en het gitaarwerk in 'Vanishing Point' herinnert aan dat van Tony Iommi van Black Sabbath. Prima gespeeld allemaal, maar zo gedateerd als de pest. Onnodig te zeggen dat we Motorpsycho al veel spannender aan het werk hebben gehoord.

Motorpsycho, Barracuda, Stickman/Bang!

Dirk Steenhaut

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234